Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2669

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201309065/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Feerwerd" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/679

Uitspraak

201309065/2/R4.

Datum uitspraak: 18 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verzoeker,

en

de raad van de gemeente Winsum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Feerwerd" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft het college beroep ingesteld.

Het college heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 december 2013, waar het college, vertegenwoordigd door J.M. Westendorp, werkzaam bij de provincie, alsmede de raad, vertegenwoordigd door A. Spier, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Ter zitting heeft het college de reikwijdte van het verzoek beperkt tot het perceel [locatie] te Feerwerd.

Ontvankelijkheid

3. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van het college voor zover dat is gericht tegen de planregeling voor de schuur aan de [locatie] te Feerwerd. De raad voert aan dat het college geen zienswijze naar voren heeft gebracht over de schuur.

4. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

4.1. Het college heeft naar aanleiding van het ontwerpplan een zienswijze naar voren gebracht over het plandeel met de bestemming "Wonen - Voormalige boerderijen" voor zover die is toegekend aan het perceel [locatie] te Feerwerd. De door het college aangevoerde beroepsgrond over de schuur op het desbetreffende perceel heeft aldus betrekking op een plandeel waarover het reeds een zienswijze naar voren heeft gebracht. Gelet hierop verwacht de voorzitter niet dat het beroep van het college in zoverre bij de behandeling van de hoofdzaak niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Het plan

5. Het plan voorziet in een actualisatie van verouderde bestemmingsplannen voor het dorp Feerwerd.

6. Het college verzoekt een schorsing van het plandeel met de bestemming "Wonen - Voormalige boerderijen", voor zover die is toegekend aan het perceel [locatie] te Feerwerd. Het college kan zich niet vinden in de in het plan geboden mogelijkheid op dat perceel ter plaatse van een bestaande schuur vier wooneenheden te realiseren. Deze mogelijkheid is volgens het college in strijd met de regels die in de Omgevingsverordening provincie Groningen 2009 (hierna: Omgevingsverordening) zijn gesteld voor niet-agrarische functies in het buitengebied. Het college vreest dat bij de inwerkingtreding van het plan gebruik zal worden gemaakt van deze mogelijkheid.

Het perceel behoort volgens het college tot het buitengebied in de zin van de Omgevingsverordening, omdat het perceel in het besluit van het college van 20 april 2010, tot vaststelling van de grenzen van het buitengebied en tot inwerkingtreding van titel 4.3 van de Omgevingsverordening, is aangewezen als behorende tot het buitengebied. Dit besluit is volgens het college op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt en is inmiddels onherroepelijk.

7. De raad stelt zich op het standpunt dat de regels uit de Omgevingsverordening niet van toepassing zijn op het perceel aan de [locatie], aangezien dat perceel niet in het buitengebied in de zin van de Omgevingsverordening is gelegen. De raad stelt dat het besluit tot vaststelling van de grenzen van het buitengebied en tot inwerkingtreding van titel 4.3 van de Omgevingsverordening niet op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, waardoor het besluit niet in werking is getreden. De raad stelt dat hij bij de vaststelling van het plan daarom niet gebonden was aan dat besluit en dat van strijdigheid van het plan met de Omgevingsverordening om die reden geen sprake kan zijn.

8. De raad heeft ter zitting toegelicht geen bezwaar te hebben tegen een schorsing van het plan voor zover het betreft het perceel [locatie] te Feerwerd. Gelet daarop, alsmede in aanmerking genomen dat deze procedure zich niet leent voor beantwoording van de vraag of het besluit tot vaststelling van de grenzen van het buitengebied en tot inwerkingtreding van titel 4.3 van de Omgevingsverordening op de juiste wijze is bekendgemaakt en dit in de hoofdzaak nader dient te worden bezien, ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Winsum van 20 juni 2013, agendanummer 21, waarbij het bestemmingsplan "Feerwerd" gewijzigd is vastgesteld, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - Voormalige boerderijen" voor zover die is toegekend aan het perceel [locatie] te Feerwerd.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013

375-731.