Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2668

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201309024/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Centrum Nootdorp" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309024/2/R4.

Datum uitspraak: 20 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp,

en

de raad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Centrum Nootdorp" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 december 2013, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. J.J. Slump, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door R. van den Bosch en R. Burgerhout, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. [verzoeker] betoogt dat het plan dezelfde gebreken bevat als het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp van 29 november 2011 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Dorpsstraat 2002, Dorpsstraat nr. 12" (hierna: het wijzigingsplan). In het wijzigingsplan werd, evenals in het thans bestreden plan, de bestemming "Horeca" toegekend aan het perceel Dorpsstraat 12. Het gebied waar het wijzigingsplan op zag is nu opgenomen in het thans bestreden plan. In haar uitspraak van 24 juli 2013, nummer 201200582/1/R4 heeft de Afdeling voornoemd besluit vernietigd. De Afdeling heeft in die uitspraak onder meer overwogen dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat aan de wijzigingsvoorwaarde dat kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid wordt voldaan.

Volgens [verzoeker] is de motivering inzake de parkeervoorzieningen nauwelijks aangepast, en dient het besluit daarom te worden vernietigd, niet alleen voor zover dit ziet op het perceel Dorpsstraat 12, maar ten aanzien van het hele plan. Hij betoogt in dit verband dat de raad ten onrechte stelt dat het benutten van parkeerplaatsen voor ambulante handel alleen plaatsvindt op tijdstippen dat de parkeerdruk laag is.

[verzoeker] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij schorsing van het besluit, omdat anders onomkeerbare gevolgen zouden kunnen optreden, in het bijzonder omdat vergunning zou kunnen worden verleend voor het realiseren van een horecagelegenheid op het perceel Dorpsstraat 12.

2.1. De voorzitter overweegt dat aannemelijk is dat [verzoeker] een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening inzake het plandeel betreffende Dorpsstraat 12. Een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening inzake de overige delen van het plan zou rechtvaardigen, heeft [verzoeker] niet aannemelijk gemaakt.

2.2. Anders dan in de zaak waar de door [verzoeker] genoemde uitspraak van 24 juli 2013 op ziet ligt thans geen wijzigingsplan voor, maar een door de raad vastgesteld bestemmingsplan. De wijzigingsvoorwaarden waaraan in die zaak is getoetst spelen gelet daarop geen rol meer. Beoordeeld moet worden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de parkeersituatie bij realisatie van de aan het perceel Dorpsstraat 12 toegekende horecabestemming aanvaardbaar is.

2.3. Bij besluit van 21 juni 2012 heeft de raad de Nota parkeernormen vastgesteld, die als bijlage bij het plan is gevoegd. Ingevolge de Nota parkeernormen in samenhang met de planregels dient bij nieuwe ontwikkelingen door de initiatiefnemer voor eigen rekening te worden voorzien in parkeren op eigen terrein dan wel op binnen het plangebied aan te leggen parkeerplaatsen voor zover de nieuwe functie meer parkeerbehoefte meebrengt. Voorts heeft de raad, zoals wordt uiteengezet in de plantoelichting, onderzoek naar de bestaande parkeerdruk verricht. Daaruit blijkt dat in de bestaande situatie de parkeercapaciteit van 147 plaatsen niet volledig bezet is op de tijdstippen waarop is geteld. Voorts is in de toelichting een berekening opgenomen waarin op basis van de voornoemde Nota parkeernormen is bepaald wat de parkeerbehoefte is bij een volledige vulling van de leegstand van Mercato, een invulling van de horecabestemming op Dorpsstraat 12 met een restaurant (hetgeen overeenkomt met de maximale planologische mogelijkheden) en aanwezigheid van commerciƫle dienstverlening en appartementen op Dorpsstraat 82-90. In die situatie ontstaat een parkeerbehoefte van 201 plaatsen, ofwel 137 % van de in de Dorpsstraat beschikbare capaciteit. Volgens de raad kan dit worden opgevangen in de omliggende delen van het plangebied, waar volgens dezelfde berekeningen een overschot aan parkeerruimte is. Ten aanzien van de plaats die wordt ingenomen door ambulante handel stelt de raad dat dit gebruik er niet aan afdoet dat deze plekken reguliere parkeerplaatsen zijn, en dat indien nodig de benodigde vergunningen voor de ambulante handel herzien zullen worden.

2.4. Gelet op het voorgaande heeft de raad thans onderzoek verricht. Hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd geeft voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat dit onderzoek dusdanige gebreken vertoont dat de raad zijn besluit daarop niet mede mocht baseren. De enkele stelling dat geen rekening is gehouden met de plaatsen die worden ingenomen door ambulante handel geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, nu dit er niet aan afdoet dat deze plaatsen in beginsel geschikt en bedoeld zijn om als parkeerplaats te worden benut. De voorzitter ziet, gelet op het voorgaande en gelet op het in het plan in samenhang met de Nota parkeernormen vastgelegde beleid, voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de parkeersituatie nu en in de toekomst aanvaardbaar is. De voorzitter neemt daarbij in aanmerking dat ingevolge dat beleid bij nieuwe ontwikkelingen, ook ten aanzien van Dorpsstraat 12, moet worden voorzien in parkeren op eigen terrein dan wel op binnen het plangebied aan te leggen parkeerplaatsen en dat daarmee bij de berekende parkeerbehoefte van 201 plaatsen geen rekening is gehouden.

3. [verzoeker] betoogt dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat het plan voor zover het ziet op de voorgenomen ontwikkeling van horeca op het adres Dorpsstraat 12 financieel uitvoerbaar is. Evenmin als in het kader van het vernietigde wijzigingsplan is toegelicht hoe de maatregelen die nodig zullen zijn om de bodem geschikt te maken voor het beoogde gebruik zullen worden bekostigd.

3.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de initiatiefnemer van de ontwikkeling van horeca op het perceel Dorpsstraat 12 op de hoogte is van de vereiste maatregelen om de bodem geschikt te maken en de kosten daarvoor wil dragen.

3.2. Zoals de Afdeling in voormelde uitspraak van 23 juli 2013 heeft overwogen heeft Kuiper en Burger verkennend onderzoek verricht naar de bodemgesteldheid, waarvan verslag is gedaan in het rapport "Verkennend bodemonderzoek Dorpsstraat 12 te Nootdorp" gedateerd 8 augustus 2008. Volgens dit onderzoek is de bodem niet zonder meer geschikt voor de realisatie van de beoogde bestemming, maar zijn wel maatregelen mogelijk waardoor de bodem alsnog geschikt kan worden gemaakt. Gelet op de datum van dit onderzoek en gelet op de procedure die heeft geleid tot de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2013 acht de voorzitter de stelling van de raad dat de initiatiefnemer op de hoogte is van de benodigde maatregelen en de daaraan voor hem verbonden kosten, aannemelijk. Voor het oordeel dat de raad op voorhand had moeten inzien dat het plan financieel niet uitvoerbaar is ziet de voorzitter gelet daarop voorshands geen aanleiding.

4. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2013

539.