Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2664

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201308865/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "bedrijventerrein ’t Heen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308865/2/R4.

Datum uitspraak: 16 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verzoeker,

en

de raad van de gemeente Katwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "bedrijventerrein ’t Heen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer het college beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 december 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.M. Baanen-Brandenburg, werkzaam bij de provincie, en de raad, vertegenwoordigd door J. Niemeijer en R. van den Poel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het college betoogt dat de in artikel 3, lid 3.5.2, van de planregels opgenomen afwijkingsmogelijkheid ten behoeve van perifere detailhandel in strijd is met de provinciale Verordening Ruimte. Met deze mogelijkheid kan immers meer dan 1.000 m² aan perifere detailhandel worden toegestaan, terwijl de Verordening Ruimte daarvoor een distributie-planologisch onderzoek (hierna: DPO) en een advies van het Regionaal Economisch Overleg (hierna: REO) vereist, aldus het college.

3. De raad voert aan dat een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt, nu het verzoek niet is gericht op in het plan bij recht mogelijk gemaakte ontwikkelingen, maar op een afwijkingsmogelijkheid. Om van die mogelijkheid gebruik te maken is volgens de raad ingevolge de planregels een DPO en een advies van het REO vereist.

4. Ingevolge artikel 9, vijfde lid, van de Verordening Ruimte, gaat een bestemmingsplan dat een ontwikkeling van perifere detailhandel mogelijk maakt, zoals bedoeld in lid 2 onder b, c en d, bij detailhandelsontwikkelingen groter dan 1.000 m² (bruto vloeroppervlak) vergezeld van een distributieplanologisch onderzoek. Uit het onderzoek moet blijken dat er geen sprake is van ontwrichting van de detailhandelsstructuur. Tevens is advies nodig van het Regionaal Economisch Overleg (REO).

4.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.5.2, van de planregels kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 3.1 om detailhandel in volumineuze goederen toe te staan, met dien verstande dat:

a. uitsluitend afwijking wordt verleend voor detailhandel in volumineuze goederen ter plaatse van de aanduiding "detailhandel in volumineuze goederen";

b. door de initiatiefnemer een distributieplanologisch onderzoek wordt overlegd waaruit blijkt dat geen sprake is van ontwrichting van de detailhandelsstructuur;

c. alvorens afwijking te verlenen advies wordt gevraagd van het Regionaal Economisch Overleg (REO).

4.2. Wat betreft het betoog dat geen sprake is van een spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt, overweegt de voorzitter dat het plan, indien het in werking treedt, het toetsingskader vormt voor aanvragen voor een omgevingsvergunning. De enkele omstandigheid dat gebruikmaking van de bestreden afwijkingsmogelijkheid een DPO en aanvraag van een advies van het REO vereist, doet er niet aan af dat hiermee vergunningen kunnen worden verleend voor detailhandelsontwikkelingen van meer dan 1.000 m² (bruto vloeroppervlak).

Gelet hierop volgt de voorzitter de raad niet in zijn standpunt dat met het verzoek geen spoedeisend belang is gemoeid.

4.3. De voorzitter stelt vast dat artikel 3, lid 3.5.2, van de planregels is vastgesteld in strijd met artikel 9, vijfde lid, van de Verordening Ruimte, nu deze bepaling detailhandelsontwikkelingen mogelijk maakt van meer dan 1.000 m² (bruto vloeroppervlak) zonder dat daaraan een DPO en een advies van het REO ten grondslag ligt.

4.4. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter aanleiding om artikel 3, lid 3.5.2, van de planregels te schorsen.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Katwijk van 27 juni 2013, kenmerk 2013-8482, voor zover daarbij artikel 3, lid 3.5.2, van de regels van het bestemmingsplan "bedrijventerrein ’t Heen" is vastgesteld;

II. gelast dat de raad van de gemeente Katwijk aan het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Steenbergen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2013

528.