Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2639

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201305707/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Grasrijk" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/745

Uitspraak

201305707/1/R6.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Eindhoven,

en

de raad van de gemeente Eindhoven,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Grasrijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2013, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door R. Martens, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plangebied omvat de woonbuurt Grasrijk in de woonwijk Meerhoven te Eindhoven. In het plan is de huidige situatie vastgelegd en zijn nagenoeg geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

3. [appellant] richt zich tegen de bestemming "Verkeer", wat betreft de aanduiding "maximum aantal rijstroken = 4" op de Meerhovendreef Oost. Door de inrichting van de voorziene weg wordt een verkeersader voor doorgaand verkeer onder meer vanaf de A2 gecreëerd waarmee de leefbaarheid in de wijk Grasrijk teniet wordt gedaan. Hij verwijst in dat kader naar het tracébesluit "N2 aansluitingen Meerenakkerweg/ Heistraat en Noord-Brabantlaan" van 20 januari 2011. Het aantal rijstroken moet volgens hem worden beperkt tot twee maal één rijstrook, waardoor het aantal verkeersbewegingen afneemt. De beperking van het aantal rijstroken komt ten goede aan de verkeersveiligheid en de volksgezondheid, aldus [appellant].

3.1. Sedert 1997 is in de gemeentelijke ruimtelijke plannen voorzien in de aanleg ter plaatse van een (primaire) ontsluitingsstructuur voor de wijk Meerhoven, waaronder de woonbuurt Grasrijk. Dat de parallelbaan (N2) zal ontsluiten op de voorziene wijkontsluitingsweg Meerhovendreef Oost is een gevolg van de in het tracébesluit gemaakte keuze om onder meer met deze ontsluiting overeenkomstig het ontvlechtingsalternatief de verkeersdoorstroming van de A2 naar het onderliggend wegennet te waarborgen. Bij dit alternatief is tot uitgangspunt genomen dat de Meerhovendreef Oost door een turborotonde op de toe- en afritten van de oostelijke en de westelijke parallelbanen (N2) wordt aangesloten. Deze rotonde wordt zo vormgegeven dat zowel vanaf de afrit van de westelijke parallelbaan (N2) als vanaf de afrit van de oostelijke parallelbaan (N2) de mogelijkheid bestaat om door middel van twee rijstroken op de rotonde richting Meerhoven te rijden. Vanuit Meerhoven zal het mogelijk zijn om door middel van twee rijstroken richting onder meer de toerit aan de oostelijke zijde van de N2 te rijden in noordelijke richting. Het in het tracébesluit neergelegde tracé, waaronder de aansluiting van de Meerhovendreef Oost op het tracé, maakt geen onderdeel uit van het plan en kan dan ook geen rol spelen bij de beoordeling daarvan. Het tracébesluit en daarmee de keuze voor het ontvlechtingsalternatief is met de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2011 in zaak nr. 201102385/1/R4 (www.raadvanstate.nl) onherroepelijk geworden. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voorziene inrichting van de Meerhovendreef-Oost met vier rijstroken niet nodig is om de verkeersdoorstroming van de A2 te waarborgen. [appellant] heeft voorts geen aanknopingspunten gegeven, bijvoorbeeld door middel van onderzoeken, die aanleiding geven voor het oordeel dat de raad vanwege de verkeersveiligheid en de volksgezondheid niet in redelijkheid de voorziene vier rijbanen op de Meerhovendreef overeenkomstig heeft kunnen bestemmen. De enkele verwijzing wat betreft de gevolgen voor de volksgezondheid naar een artikel over mogelijke gezondheidsrisico’s als gevolg van dieseluitstoot in het algemeen voldoet daarvoor niet.

4. [appellant] richt zich tegen de bestemming "Woongebied - Uit te werken" voor zover het betreft de gronden ten zuiden van de weg Graslook tegenover zijn woning [locatie] te Eindhoven.

Hij betoogt dat het realiseren van vrije sectorwoningen in een parklandschap, zoals voorzien in dit gebied, niet meer realistisch is, omdat langs dit gebied de Meerhovendreef Oost is gepland en het gebied, mede gezien de geluidbelasting vanwege de weg, niet meer aantrekkelijk is voor vrije sectorwoningen. Het zou daarom beter zijn dit gebied een groenbestemming te geven, zodat er bijvoorbeeld een stadspark kan worden gerealiseerd, aldus [appellant].

4.1. Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wro dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74, ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, worden, in afwijking van het eerste lid, bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als in dat lid bedoeld hogere waarden in acht genomen, voor zover met toepassing van artikel 83, 85 of 100a voor de vaststelling van het bestemmingsplan of het wijzigings- of uitwerkingsplan zodanige waarden zijn vastgesteld.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, is, behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde, de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, kan, voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde, buiten de in de volgende leden bedoelde gevallen, voor woningen in buitenstedelijk gebied 53 dB en voor woningen in stedelijk gebied 58 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge het tweede lid kan bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot in stedelijk gebied nog te bouwen woningen die nog niet zijn geprojecteerd, voor de aanwezige of te verwachten geluidsbelasting vanwege een aanwezige weg een hogere dan de in dat lid genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde 63 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge artikel 110g stelt de minister regels op grond waarvan telkens voor een bepaalde periode, al naar gelang de geluidproductie van motorvoertuigen in de betrokken periode hoger ligt dan voor de toekomst redelijkerwijs is te verwachten, bij de berekening en meting van de geluidsbelasting van de gevel van woningen of van andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige terreinen op het resultaat een door hem bepaalde aftrek van niet meer dan 5 dB wordt toegepast.

4.2. Op de gronden ten zuiden van de weg Graslook tegenover de woning van [appellant] rust een uitwerkingsplicht. Gelet op het bepaalde in artikel 76, tweede lid, van de Wgh, kan het vaststellen van een hogere waarde daarom desgewenst worden uitgesteld tot voor de vaststelling van het uitwerkingsplan. Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan dient dan wel aannemelijk te zijn - waartoe zo nodig een geluidonderzoek dient te worden uitgevoerd - dat een uitwerking mogelijk is waarbij de geluidbelasting vanwege de weg niet zo hoog zal zijn dat deze de maximale ontheffingswaarde overschrijdt.

Volgens de als bijlage bij de toelichting horende notitie "Geluidberekeningen Grasrijk" van 21 februari 2013 zal de geluidbelasting ter plaatse van de bovengenoemde gronden ten gevolge van de Meerhovendreef en de N2 en A2, met in begrip van de aftrek ingevolge artikel 110g van de Wgh, ten hoogste 54 dB bedragen vanwege de Meerhovendreef en ten hoogste 51 dB bedragen vanwege de N2 en A2. De in deze notitie gehanteerde uitgangspunten en de uitkomsten van de berekening komen de Afdeling niet onjuist voor. Nu de geluidbelasting de ten hoogst toegestane hogere waarden voor een woning ingevolge het bepaalde in artikel 83 van de Wgh, niet zal overschrijden, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat een hogere waarde besluit kan worden genomen. [appellant] heeft geenszins aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op voorhand op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Wgh in zoverre niet aan de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode in de weg staat.

Ook anderszins heeft [appellant] geen aanknopingspunten gegeven voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de hinder die binnen het gebied vanwege met name de Meerhovendreef zal worden ondervonden zodanig is dat sprake zal zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.3. Voor het aantasten van de rechtmatigheid van de keuze van de raad om de gronden overeenkomstig het vorige plan te bestemmen is onvoldoende dat wordt gewezen op andere mogelijk aanvaardbare invulling, maar moet aannemelijk worden gemaakt dat de keuze van de raad redelijke gronden ontbeert.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.2 acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de raad niet in redelijkheid de voorkeur heeft kunnen geven aan het overeenkomstig het vorige plan bestemmen van de gronden boven het door [appellant] bepleite alternatief.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

375.