Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2637

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201305639/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:2111, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 12 oktober 2009 heeft het college aan [wederpartij] medegedeeld dat van rechtswege een reguliere bouwvergunning is verleend voor het verbouwen van een woning in drie wooneenheden op het perceel [locatie] te Eindhoven.

Wetsverwijzingen
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/744

Uitspraak

201305639/1/A1.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 27 mei 2013 in zaak nr. 11/1904 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Eindhoven,

en

het college.

Procesverloop

Bij brief van 12 oktober 2009 heeft het college aan [wederpartij] medegedeeld dat van rechtswege een reguliere bouwvergunning is verleend voor het verbouwen van een woning in drie wooneenheden op het perceel [locatie] te Eindhoven.

Bij besluit van 29 april 2011 heeft het college het door [bezwaarmaker] en anderen daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de van rechtswege verleende bouwvergunning herroepen en de door [wederpartij] gevraagde bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 27 mei 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 april 2011 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit moet nemen binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [bezwaarmaker] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2013, waar het college, vertegenwoordigd door B. Timmermans, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting [bezwaarmaker] gehoord.

Overwegingen

1. Het reeds gerealiseerde bouwplan voorziet in de verbouw van een eengezinswoning naar drie afzonderlijke wooneenheden op de begane grond, de eerste verdieping en de zolderetage.

2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze gold ten tijde van belang, mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd, indien:

a. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120;

b. de aanvraag en de daarbij overgelegde gegevens naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk maken dat het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gegeven bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120;

(…).

3. Het hoger beroep is slechts gericht tegen de overweging van de rechtbank dat niet is gebleken van een vaste gedragslijn waarbij eerst na de vergelijking van de parkeerbehoefte in de bestaande en de nieuwe situatie het resultaat daarvan naar boven wordt afgerond. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het terecht de gevraagde bouwvergunning heeft geweigerd, nu het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Eindhoven (hierna: de Bouwverordening). Het voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van een toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Onder verwijzing naar de toetsing van twee andere bouwplannen aan de Bouwverordening, betoogt het college dat het zijn vaste gedragslijn is dat eerst na de vergelijking van de parkeerbehoefte in de bestaande en de nieuwe situatie het resultaat daarvan naar boven wordt afgerond. In de bestaande situatie is er een parkeerbehoefte van 1,5 parkeerplaatsen en in de nieuwe situatie is er een parkeerbehoefte van 1,8 parkeerplaatsen. Deze toename van de parkeerbehoefte van 0,3 parkeerplaatsen houdt ten aanzien van dit bouwplan in dat één parkeerplaats op eigen terrein dient te worden gerealiseerd, hetgeen niet mogelijk is, aldus het college.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 juli 2004 in zaak nr. 200400798/1 (www.raadvanstate.nl), behoort bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan.

Het college heeft in hoger beroep aan de hand van eerder gemaakte berekeningen van de parkeerbehoefte van bouwplannen aan de Bredalaan 99 en het Hertog van Brabantplein 15 tot en met 92 voldoende aannemelijk gemaakt dat het binnen de gemeente Eindhoven een vast gebruik is dat het resultaat van de vergelijking van de parkeerbehoefte in de bestaande en de nieuwe situatie naar boven wordt afgerond op hele getallen en dat dat de toename van de parkeerbehoefte betreft. Dat uit een in beroep door [wederpartij] overgelegd besluit op bezwaar van het college van 5 oktober 2005 niet volgt dat dit een vaste gedragslijn van het college is, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, is bij voormeld besluit op bezwaar ontheffing verleend van de Bouwverordening. Dit zou niet nodig zijn geweest, indien de bestaande parkeerbehoefte reeds naar boven zou zijn afgerond alvorens een vergelijking te maken met de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling derhalve van oordeel dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het zijn vaste gedragslijn is om eerst na de vergelijking van de parkeerbehoefte in de bestaande en de nieuwe situatie het resultaat daarvan naar boven af te ronden.

Niet in geschil is dat de bestaande parkeerbehoefte 1,5 parkeerplaatsen is. Voorts is niet in geschil dat de parkeernorm voor het bouwplan 0,6 parkeerplaats per wooneenheid betreft. Dit betekent dat voor de in het bouwplan voorziene drie wooneenheden een parkeerbehoefte van 1,8 parkeerplaatsen bestaat. Verder is niet in geschil dat op eigen terrein niet kan worden geparkeerd. Onder deze omstandigheden bestaat er geen grond voor het oordeel dat het college zich bij toepassing van voormelde vaste gedragslijn ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan leidt tot een toename van de parkeerbehoefte met één parkeerplaats. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. Dit betekent dat het college met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen naar aanleiding van de strijdigheid met het Bouwbesluit een nieuw besluit op het door [bezwaarmaker] gemaakte bezwaar moet maken. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.1. is overwogen, kan het college zijn ingenomen standpunt over de gestelde strijdigheid met de Bouwverordening handhaven.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderd-tweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

531.