Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2634

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201305204/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 september 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de vreemdeling ongewenst verklaard.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/172 met annotatie van drs. F. Heinink

Uitspraak

201305204/1/V2.

Datum uitspraak: 16 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 mei 2013 in zaak nr. 08/14420 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de vreemdeling ongewenst verklaard.

Bij besluit van 20 maart 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 mei 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In de eerste grief klaagt de staatsecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling, ondanks het feit dat hij op 4 januari 2010 is geƫmigreerd, belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 20 maart 2008.

2.1. Door middel van een "bericht van vertrek" van 27 maart 2010 van de Dienst Recherche Ondersteuning van het politiekorps Zuid-Holland-Zuid is de staatssecretaris op 31 maart 2010 ervan in kennis gesteld dat de vreemdeling op 4 januari 2010 zelfstandig de woonruimte heeft verlaten. Voorts is uit de gemeentelijke basisadministratie (hierna: de GBA) gebleken dat de vreemdeling op 4 januari 2012 is uitgeschreven in verband met emigratie. Behoudens een signaleringsmelding van het Bureau Sirene van 14 januari 2011 dat Frankrijk de vreemdeling de toegang had geweigerd, heeft de staatssecretaris nimmer iets van de vreemdeling vernomen. De gemachtigde van de vreemdeling heeft de rechtbank bij brief van 20 september 2012 bericht reeds geruime tijd geen contact meer te hebben met de vreemdeling en niet ter zitting te zullen verschijnen. Voorts is gebleken dat de familieleden van de vreemdeling niet meer woonachtig zijn op het in de GBA vermelde adres. De gemachtigde, de vreemdeling noch zijn familieleden zijn ter zitting verschenen.

2.2. Uit deze omstandigheden moet worden afgeleid dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken en geen prijs meer stelt op een beoordeling van de rechtmatigheid van het op zijn ongewenstverklaring betrekking hebbende besluit van 20 maart 2008. In de omstandigheid dat niet is uitgesloten dat de familieleden zich in Nederland bevinden en de vreemdeling mogelijk op enig moment verblijf bij zijn familie beoogt, heeft de rechtbank ten onrechte afgeleid dat de vreemdeling belang heeft bij de beoordeling van het beroep. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2010 in zaak nr. 201004999/1/V1 kan een dergelijk belang niet worden ontleend aan een onzekere, toekomstige gebeurtenis. Mocht blijken dat de familie van de vreemdeling nog in Nederland verblijft en de vreemdeling te zijner tijd verblijf bij zijn familie beoogt, kan hij om opheffing van de ongewenstverklaring verzoeken. De eerste grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De tweede grief behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingediende beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 mei 2013 in zaak nr. 08/14420;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Wolff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2013

238.