Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2627

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201304870/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:489, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 augustus 2012 heeft het college het verzoek van [wederpartijen] om handhavend op te treden tegen de zonder omgevingsvergunning geplaatste dakkapel op het pand op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen (hierna: het pand).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Besluit omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/740
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/6752

Uitspraak

201304870/1/A1.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Epe,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 april 2013 in zaak nr. 12/1431 in het geding tussen:

[wederpartijen], allen wonend te [woonplaats], gemeente Epe,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2012 heeft het college het verzoek van [wederpartijen] om handhavend op te treden tegen de zonder omgevingsvergunning geplaatste dakkapel op het pand op het perceel [locatie] te [plaats] afgewezen (hierna: het pand).

Partijen hebben ingestemd met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht.

Bij uitspraak van 22 april 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartijen] tegen het besluit van 22 augustus 2012 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen met in achtneming van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het handhavingsverzoek. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2013, waar het college, vertegenwoordigd door B. Straatman, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartijen], bijgestaan door mr. A.A. Robbers, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. W.F. Roelink, advocaat te Hoofddorp, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is, in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de wet, geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2, in samenhang gelezen met artikel 5 en artikel 8, van bijlage II.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 4, van die bijlage is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de wet niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een dakkapel in het achterdakvlak of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a voorzien van een plat dak,

b gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m,

c onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet,

d bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok,

e zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak,

f en niet op:

1º een woonwagen,

2º een gebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat het slechts voor een bepaalde periode in stand mag worden gehouden, of

3º een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden.

Ingevolge artikel 1 wordt onder openbaar toegankelijk gebied verstaan een weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

2. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het niet bevoegd was handhavend op te treden met betrekking tot de dakkapel. Daartoe voert het aan dat voor de dakkapel geen omgevingsvergunning is vereist, nu het gedeelte van het zijdakvlak waarin de dakkapel is gebouwd niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd.

2.1. Vaststaat dat de dakkapel is gesitueerd op een zijdakvlak en dat de weg waaraan het pand is gelegen, de Bremstraat, moet worden aangemerkt als openbaar toegankelijk gebied als bedoeld in artikel 1 van bijlage II bij het Bor. Voorts staat vast dat een gedeelte van het betreffende zijdakvlak naar deze weg is gekeerd. Dat betekent dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de dakkapel niet voldoet aan de eisen van artikel 2, aanhef en onder 4, van bijlage II bij het Bor. Dat slechts een klein gedeelte van het zijdakvlak, ook niet zijnde het gedeelte waarin de dakkapel is gebouwd, naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd, leidt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet tot een ander oordeel, nu de wet daarvoor geen uitzondering maakt. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is daarbij niet van belang dat de dakkapel vanaf openbaar toegankelijk gebied zichtbaar is, nu artikel 2, aanhef en onder 4, van bijlage II bij het Bor niet bepaalt dat een dakkapel niet vanuit openbaar toegankelijk gebied zichtbaar mag zijn. Dit leidt, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, echter niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, nu de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het college bevoegd was handhavend op te treden met betrekking tot de zonder een daartoe vereiste omgevingsvergunning gebouwde dakkapel.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Epe een griffierecht van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

531-776.