Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2625

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201304843/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Hermeandering de Berkel en Landgoed de Rees" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304843/1/R2.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Almen, gemeente Lochem, en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Lochem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Hermeandering de Berkel en Landgoed de Rees" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2013, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door ing. J. Huiskamp, en de raad, vertegenwoordigd door ing. A. Stortelder en J. ten Barge, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting het dagelijks bestuur van het waterschap Rijn en IJssel, vertegenwoordigd door mr. R. Groenendijk, advocaat te Doetinchem, en bijgestaan door ing. J.U.M. van Langen en ing. L.M. Remesal van Merode, beiden werkzaam bij het waterschap, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de mogelijkheid om op het landgoed De Rees een landhuis en twee landgoedwoningen op te richten. Voorts voorziet het plan in de mogelijkheid om de Berkel tussen Zutphen en Lochem om te vormen van een afvoerkanaal tot een meanderende rivier, waarbij tevens nieuwe natuur wordt ontwikkeld.

3. [appellant] en anderen hebben bezwaar tegen de vaststelling van het plan, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Wonen" betreffende de gronden op het landgoed De Rees. Zij stellen zich op het standpunt dat de raad ten onrechte nieuwe bebouwing in dit gebied mogelijk heeft gemaakt.

[appellant] en anderen voeren daartoe aan dat de raad ten onrechte geen overleg met de omwonenden heeft gevoerd en dat geen communicatie over het plan richting omwonenden heeft plaatsgevonden.

Voorts voeren zij aan dat de raad ten onrechte heeft volstaan met een samengevatte behandeling van de ingediende zienswijzen. De opgestelde samenvatting vormt volgens [appellant] en anderen geen reële afspiegeling van de individuele bezwaren, waardoor onvoldoende op de inhoudelijke bezwaren is ingegaan.

3.1. De procedure omtrent vaststelling van een bestemmingsplan vangt ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan. Gedurende de terinzagelegging van het ontwerpplan kunnen door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp bij de raad naar voren worden gebracht. [appellant] en anderen hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Het bieden van inspraak aan omwonenden en het communiceren met omwonenden maakt geen deel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

Voorts verzet artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.

4. [appellant] en anderen betogen dat de raad de in het plan voorziene bouwmogelijkheden en de omvorming van de Berkel van een afvoerkanaal tot een meanderende rivier ten onrechte in één plan heeft opgenomen. Volgens hen heeft de raad daardoor geen gescheiden afweging kunnen maken van hetgeen het plan mogelijk maakt en heeft de raad slechts ingestemd met de bouwmogelijkheden om de hermeandering mogelijk te maken en om tegemoet te komen aan een in het verleden door de raad met de stichting Oude en Nieuwe Gasthuis gemaakte afspraak inzake mogelijkheden voor woningbouw.

[appellant] en anderen betogen verder dat de in het plan mogelijk gemaakte landhuis en landgoedwoningen niet passend zijn in het gebied. Daartoe wijzen zij erop dat het gebied nauw is verweven met de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS). Voorts voeren zij aan dat door de voorziene bebouwing de trek van reeën in het gebied zal worden verstoord. Daarnaast zullen volgens [appellant] en anderen door de toegestane bouwmogelijkheden de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het gebied worden aangetast. Zij stellen daartoe dat het gebied waarin de woningen zijn voorzien een eeuwen oud, vrijwel intact gebleven gebied betreft. [appellant] en anderen betogen verder dat de in het plan mogelijk gemaakte woningen, waarbij eveneens tennisbanen en zwembaden zijn toegestaan, niet passend zijn in het gebied aangezien daarmee niet wordt aangesloten bij de streekeigen bebouwing. Voorts zijn de locaties waarop de bebouwing is voorzien niet geschikt aangezien niet vaststaat dat daar zonder aanpassing op kan worden gebouwd. Daarnaast voeren zij aan dat hun uitzicht door de situering van de bebouwing zal worden aangetast.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het landhuis en de twee landgoedwoningen zoals mogelijk gemaakt in het plan, de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van het landschap niet onaanvaardbaar zullen aantasten. Voorts stelt de raad dat het plan geen aantasting van natuurlijke waarden in het gebied met zich brengt.

4.2. In de verbeelding is weergegeven dat aan een deel van de gronden van het landgoed De Rees de bestemming "Wonen" is toegekend. Aan het plandeel met de bestemming "Wonen" aan de noordwestzijde van het landgoed zijn tevens de aanduidingen "maximaal aantal wooneenheden =2" en "specifieke bouwaanduiding - de Rees" toegekend. Aan de twee plandelen met de bestemming "Wonen" aan de zuidoostzijde van het landgoed is tevens de aanduiding "maximaal aantal wooneenheden =1" toegekend. Voorts is aan alle drie de plandelen met de bestemming "Wonen" de aanduiding "landschapstype bos en landgoederenlandschap" toegekend.

4.3. Ingevolge artikel 8, lid 8.1 van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met een beroep of kleinschalige bedrijvigheid aan huis volgens 8.4.1, al dan niet in combinatie met inwoning/mantelzorg volgens een algemene afwijking in artikel 18, met de bijbehorende tuinen en erven.

Ingevolge lid 8.2, onder 8.2.1, onder a, mag ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" het aangeduide aantal wooneenheden niet worden overschreden.

Ingevolge dat lid, onder 8.2.1, sub b, mogen ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - de Rees", woningen uitsluitend aaneen worden gebouwd.

Ingevolge dat lid, onder 8.2.1, sub c, mag de inhoud van een woning niet meer dan 750 m³ bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - de Rees" de inhoud van alle woningen gezamenlijk niet minder mag bedragen dan 1000 m³ en niet meer mag bedragen dan 2.500 m³.

Ingevolge dat lid, onder 8.2.1, sub d, mag de goothoogte van een woning niet meer dan 4,5 meter bedragen en de bouwhoogte niet meer dan 10 meter, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - de Rees" de goot- en bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan 12 meter.

Ingevolge dat lid, onder 8.2.3, sub b, is per hoofdgebouw maximaal 75 m² voor zwembaden toegestaan.

Ingevolge dat lid, onder 8.2.3, sub c, is per hoofdgebouw maximaal 600 m² voor tennisbanen toegestaan.

Ingevolge artikel 17, lid 17.1, onder 17.1.1, sub b, is ter plaatse van de aanduiding "bos- en landgoederenlandschap" het beleid gericht op de instandhouding en de ontwikkeling van het bos- en landgoederenlandschap met de volgende kernkwaliteiten: parkachtige historische tuinen, oude boerderijen en landerijen, bos en houtwallen, afwisseling bos met kleinschalig landschap, boomgroepen en solitaire bomen in weides, lanen met dubbele bomenrijen.

4.4. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Het plan voorziet in de mogelijkheid om de Berkel tussen Zutphen en Lochem om te vormen van een afvoerkanaal tot een meanderende rivier. In de plantoelichting is vermeld dat de hermeandering van de Berkel is vastgelegd in de in 2009 tussen het waterschap Rijn en IJssel en de provincie Gelderland gesloten waterovereenkomst. Met de hermeandering wordt beoogd een ecologische impuls te geven aan het Berkeldal. Voor de ontwikkeling van de hermeandering heeft de stichting Oude en Nieuwe Gasthuis, de ontwikkelaar van het landgoed, gronden ter beschikking gesteld. Voorts voorziet het plan in de mogelijkheid om op het landgoed De Rees een landhuis en twee landgoedwoningen te bouwen. De raad heeft er voor gekozen om beide ontwikkelingen in één plan mogelijk te maken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid hiervoor heeft kunnen kiezen. Het betoogt faalt.

4.5. De raad heeft het onderzoek "Natuuronderzoek Hermeandering Berken en landgoed De Rees" van Zoon - buro voor ecologie van 25 april 2012 (hierna: het natuuronderzoek) aan het plan ten grondslag gelegd. Ten aanzien van de EHS is in het natuuronderzoek vermeld dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurwaarden in de EHS ten behoeve van de oprichting van de gebouwen aangezien de gebouwen niet binnen de EHS zijn voorzien. In het natuuronderzoek is voorts vermeld dat de ontsluiting van het landhuis langs de noordelijke bosrand, mits deze onverhard en met beperkte verlichting wordt aangelegd, de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied evenmin zal aantasten. Niet gebleken is dat het natuuronderzoek dusdanige gebreken dan wel leemten in kennis vertoont dat de raad zich niet op het onderzoek heeft mogen baseren. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS niet significant zal aantasten.

De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. [appellant] en anderen hebben geen gegevens overgelegd die een begin van bewijs leveren dat zich ter plaatse te beschermen planten- en diersoorten bevinden. Bovendien is in de plantoelichting vermeld dat aan de hand van veldonderzoek is geconstateerd dat in het gebied geen vaste verblijfplaatsen van reeën aanwezig zijn. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt.

4.6. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gronden waarop de woningen in het plan mogelijk zijn gemaakt, gelegen zijn in het bos- en landgoederenlandschap. Dit landschap betreft een halfopen landschap met verspreide Saksische boerderijen en akker.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het landschap niet onaanvaardbaar zal worden aangetast. Daarbij heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat het landhuis en de twee landgoedwoningen zijn voorzien aan de rand van een houtwal, zodat de open ruimte op de landschapskavel, en daarmee het enk, blijft bestaan en de zichtrelaties in het gebied behouden blijven. Weliswaar is de locatie voor de landgoedwoningen aan de zuidoostzijde van het plangebied tevens gekozen gelet op de bouwkundige voordelen van deze locatie nu hiervoor, anders dan bij de in het voorontwerp opgenomen situering, geen ophoging van het landschap noodzakelijk is om deze geschikt te maken voor bebouwing, maar dat doet niet af aan de omstandigheid dat daarmee eveneens de zichtrelaties in het gebied behouden blijven. Voorts heeft de raad onweersproken gesteld dat het landschap reeds wordt doorsneden door een afwateringskanaal en een spoorlijn, zodat geen sprake is van een eeuwenoud onaangetast landschap. Daarnaast heeft de raad het 'Inrichtings- en Beeldkwaliteitsplan Landgoed de Rees en hermeandering de Berkel' opgesteld. Hierin is bepaald op welke wijze het landhuis en de landgoedwoningen dienen te worden ingepast in het landschap. Uit artikel 8, lid 8.4, onder 8.4.3, van de planregels volgt dat de bouw van de woningen overeenkomstig dit plan dient te worden uitgevoerd, zodat daarmee eveneens in het plan is verzekerd dat de woningen landschappelijk zullen worden ingepast.

Uit de planregels volgt dat per hoofdgebouw een zwembad van maximaal 75 m2 en tennisbanen van maximaal 600 m2 zijn toegestaan. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat het plan hiermee ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om zwembaden en tennisbanen bij de woningen te realiseren, waardoor niet wordt aangesloten bij de streekeigen bebouwing, heeft de raad gesteld dat hiermee is aangesloten bij de voor het elders in het buitengebied geldende regeling zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied Lochem 2010". Deze stelling is de Afdeling niet onjuist gebleken. Voorts hebben [appellant] en anderen niet anderszins aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan mogelijk gemaakte bebouwing passend is in het gebied.

Voor zover [appellant] en anderen erop wijzen dat de landgoedwoningen in hun zichtlijnen worden gebouwd, wordt overwogen dat geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Bovendien zullen de landhuiswoningen waarop zij zicht hebben, landschappelijk worden ingepast. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de verandering van het uitzicht zodanig ernstig is dat de raad hieraan een doorslaggevende betekenis had moeten toekennen.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Wonen" betreffende de gronden van het landgoed De Rees, niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

4.7. Het beroep van [appellant] en anderen is ongegrond.

4.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Van der Hoorn

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

674.