Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2617

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201304456/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2013, kenmerk 2008-021054, heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Grintmaatschappij DOS BV krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) een vergunning verleend voor het wijzigen van de locatie voor het ontdiepen van een zandwinplas ten behoeve van natuurontwikkeling in het Natura 2000-gebied Gelderse Poort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304456/1/R2.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1. de stichting Stichting Bewonerscomité Groenlanden, gevestigd te Ooij, gemeente Ubbergen,

2. [appellanten sub 2] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Ooij, gemeente Ubbergen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2013, kenmerk 2008-021054, heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Grintmaatschappij DOS BV krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) een vergunning verleend voor het wijzigen van de locatie voor het ontdiepen van een zandwinplas ten behoeve van natuurontwikkeling in het Natura 2000-gebied Gelderse Poort.

Tegen dit besluit hebben Stichting Bewonerscomité Groenlanden en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2013, waar Stichting Bewonerscomité Groenlanden, vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [appellant sub 2A], bijgestaan door mr. E.D.M. Knegt, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.A.A.H.H. van Rossum-Loomans, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is Grindmaatschappij DOS, vertegenwoordigd door ing. R. Lensink en H. Hooijer, bijgestaan door mr. A.P.J. Blokland, advocaat te Ede, als partij gehoord.

Overwegingen

Bestuurlijke lus

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

De vergunning

2. De vergunning is verleend voor het wijzigen van de bij besluit van 28 september 2009 vergunde verondiepingslocatie van een zandwinplas ten behoeve van natuurontwikkeling. In plaats van het noordelijke deel van de westelijke plas in de Bemmelsepolder zal het zuidelijke deel van de plas worden verondiept. Het betreft het verondiepen van ongeveer 8 hectare en het verflauwen van ongeveer 1 kilometer oever.

Het Natura 2000-gebied

3. Het verondiepen van de zandwinplas vindt plaats in het Natura 2000-gebied Gelderse Poort. Het Natura 2000-gebied Gelderse Poort is op 24 maart 2000 aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103). Bij beschikking van de Europese Commissie van 7 december 2004 is het gebied geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio in de zin van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb 1992 L 206; hierna: Habitatrichtlijn). Het gebied is nog niet aangewezen als Habitatrichtlijngebied in de zin van artikel 10a van de Nbw 1998. Er is echter wel een conceptbesluit hiertoe in procedure gebracht.

Toetsingskader

4. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Inhoudelijk

5. Stichting Bewonerscomité Groenlanden en [appellant sub 2] kunnen zich niet verenigen met het besluit van 2 april 2013 tot verlening van een Nbw-vergunning aan Grintmaatschappij DOS. Hiertoe betogen zij dat het college zich niet heeft mogen baseren op de memo’s "Aanpassing op verondieping Bemmelse Waard" van Bureau Waardenburg van 6 november 2012 (hierna: de memo van 6 november 2012) en "Aanpassing werkwijze op verondieping Bemmelse Waard" van Bureau Waardenburg van 13 februari 2013 (hierna: de memo van 13 februari 2013). Zij kunnen zich onder meer niet verenigen met de hierop gebaseerde conclusie van het college dat transport met vrachtwagens minder belastend is voor het Natura 2000-gebied dan transport met een buisleiding. Hiertoe voeren zij aan dat de gehanteerde uitgangspunten en feiten onvolledig en onjuist zijn. Zo wordt ervan uitgegaan dat drie vrachtwagens continu op en neer zullen rijden, terwijl dit - zo stelt Stichting Bewonerscomité Groenlanden - niet mogelijk is op grond van de milieuvergunning. [appellant sub 2] stelt in dit verband dat bij de beoordeling van het gebruik van vrachtwagens ten opzichte van een buisleiding niet betrokken had mogen worden dat het gebruik van vrachtwagens tot versnelling van het project leidt, aangezien een en ander niet in de vergunning is vastgelegd. Hetzelfde geldt voor de tijdstippen waarop de vrachtwagens zouden rijden, te weten alleen op reguliere werktijden en -dagen, nu dit evenmin in de vergunning is vastgelegd. Eveneens wordt volgens Stichting Bewonerscomité Groenlanden ten onrechte verondersteld dat de activiteit slechts gedurende één broedseizoen zal plaatsvinden. De rapporten zijn bovendien innerlijk tegenstrijdig, aldus de Stichting Bewonerscomité Groenlanden en [appellant sub 2]. Stichting Bewonerscomité Groenlanden betwist voorts de op de rapporten gebaseerde conclusie dat de wijziging van de locatie en de toegenomen omvang van de verondieping niet tot significante gevolgen zal leiden.

5.1. Het college stelt dat bij besluit van 28 september 2009 al een verondieping van de plas is vergund en dat eventuele nadelige gevolgen van de onderhavige vergunning alleen zijn te verwachten als gevolg van het transport van de overslaglocatie naar de te verondiepen plas. Het college licht toe dat doordat een groter oppervlakte aan ondiep water wordt gerealiseerd er meer natuur ontstaat. Nu de vergunning slechts voorziet in het wijzigen van de locatie, beide locaties op ongeveer dezelfde afstand van de haven liggen, het transport in beide gevallen slechts voor een klein deel buiten bestaande paden plaatsvindt en de locatie in exploitatie is ten behoeve van zandwinning, zijn er volgens het college geen extra effecten te verwachten.

5.2. De Afdeling stelt voorop dat thans niet ter discussie staat welke wijze van transport - middels buisleiding of vrachtwagens - de minste effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, doch of terecht is aangenomen dat de vergunde wijze van transport op zichzelf geen significante effecten heeft voor het Natura 2000-gebied. Hiertoe is in de eerste plaats van belang dat de verondieping van de recreatieplas, waaronder begrepen transport van specie met vrachtwagens, al bij besluit van 28 september 2009 is toegestaan. Het thans voorliggende besluit ziet slechts op de wijziging van deze locatie, terwijl, naar het college onweersproken stelt, de afstand van de transportroute niet wezenlijk verandert. Uit de memo van 13 februari 2013 volgt dat het transport met vrachtwagens ten behoeve van het verondiepen geen wezenlijke effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Hieromtrent is ter zitting evenwel vast komen te staan dat de duur, de frequentie en het aantal vrachtwagens dat zal gaan rijden tussen de verondiepingslocatie en de haven ten onrechte niet is beperkt in de voorschriften van de Nbw-vergunning, terwijl hiervan wel is uitgegaan in de memo van 13 februari 2013. Het besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. In hetgeen Stichting Bewonerscomité Groenlanden en [appellant sub 2] voor het overige hebben aangevoerd tegen de memo’s van Bureau Waardenburg ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich hierop niet heeft mogen baseren. Daarbij wordt betrokken dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat in de memo’s voor het overige van onjuiste feiten of uitgangspunten is uitgegaan, die tot een andere uitkomst zouden hebben geleid. Hieromtrent heeft het college ter zitting toegelicht dat inmiddels een milieumelding van het project is gedaan bij het bevoegd gezag in het kader van de milieuvergunning en dat de duur van het project weliswaar twee broedseizoenen beslaat doch dat dit niet tot een andere uitkomst leidt gelet op de staat van instandhouding van de blauwborst. Verder acht de Afdeling van betekenis dat de werkzaamheden plaatsvinden onder ecologische begeleiding. Nu echter geen vergunningvoorschrift is opgenomen inzake de duur, de frequentie en het aantal vrachtwagens dat zal gaan rijden, slaagt het betoog.

6. Stichting Bewonerscomité Groenlanden betoogt verder dat anders dan in de vergunning is vermeld de activiteit niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan.

6.1. De Afdeling overweegt dat de eventuele strijd met het bestemmingsplan los staat van een besluit tot verlening van een vergunning op grond van artikel 19d van de Nbw 1998, zoals hier thans aan de orde. Dit betekent dat het college dit aspect terecht niet heeft meegenomen in de besluitvorming. Het betoog faalt.

7. De conclusie is dat het besluit van 2 april 2013 is genomen in strijd met 3:2 van de Awb.

Bestuurlijke lus

8. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling het college opdragen om binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak:

a. het besluit te wijzigen op een wijze als bedoeld in 5.2, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb;

b. het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

9. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt het college van gedeputeerde staten van Gelderland op om binnen 12 weken na verzending van deze tussenuitspraak het besluit tot verlening van de Nbw-vergunning aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Grintmaatschappij DOS, te herstellen door het besluit te wijzigen op een wijze als bedoeld in overweging 5.2.;

II. de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en het gewijzigde besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, ambtenaar van staat.

w.g. helder w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

647.