Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2614

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201304279/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:3989, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 26 januari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] over 2007, 2008 en 2009 toegekende kinderopvangtoeslag en het over 2010 verleende voorschot daarop herzien op nihil vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304279/1/A2.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2013 in de zaken nrs. 12/8548, 12/10215, 12/10216 en 12/10217 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 26 januari 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellant] over 2007, 2008 en 2009 toegekende kinderopvangtoeslag en het over 2010 verleende voorschot daarop herzien op nihil vastgesteld.

Bij besluit van 24 juli 2012 heeft de dienst het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend om in het geding uitspraak te doen zonder behandeling van de zaak ter zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op een toeslag in de door hem te betalen kosten van kinderopvang, indien die opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Bij wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wko, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb. 2010, 296) is de citeertitel van de Wko met ingang van 1 augustus 2010 gewijzigd in Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en zijn de artikelen 1 tot en met 89 vernummerd tot 1.1 tot en met 1.89.

Ingevolge artikel 15, vierde lid, van de Awir wordt een aanvraag geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren

Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent de Belastingdienst/Toeslagen, indien de aanvraag naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de belanghebbende een voorschot tot het bedrag, waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, kan de Belastingdienst/Toeslagen een toegekende tegemoetkoming herzien:

a. op grond van feiten of omstandigheden, waarvan de Belastingdienst/Toeslagen bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming vermoedelijk tot een te hoog bedrag is toegekend, of

b. indien de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend en de belanghebbende of zijn partner dit wist of behoorde te weten.

2. Op 15 maart 2008 heeft [appellant] door tussenkomst van [gastouderbureau] toeslag over 2007 aangevraagd voor kinderopvang. Deze aanvraag is geacht mede te zijn gedaan voor 2008, 2009 en 2010.

Bij ongedateerde brief heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellant] om het jaaroverzicht over 2007 gevraagd. Bij brieven van 30 juni 2009 en 31 augustus 2010 heeft de dienst hem om de jaaroverzichten over 2008 en 2009 gevraagd. Op 25 september 2009 en 29 oktober 2010 heeft de dienst herinneringsbrieven gezonden.

Bij onderscheiden besluiten van 19 en 22 juni 2010 en 2 mei 2011 heeft de dienst de toeslag over 2007, 2008 en 2009 vastgesteld.

Aan het besluit van 24 juli 2012 heeft hij ten grondslag gelegd dat het gastouderbureau slechts vanaf 1 april 2007 tot 1 november 2010 geregistreerd was, zodat [appellant] daarvoor en erna geen aanspraak had op kinderopvangtoeslag via dat bureau en voorts dat hij onvoldoende heeft aangetoond dat over 2007 tot en met 2010 kosten van kinderopvang bij hem zijn opgekomen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat zich wat betreft de jaren 2007, 2008 en 2009 een situatie voordoet, als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder b, van de Awir, zodat de dienst de voor die jaren definitief vastgestelde toeslag mocht herzien. Daartoe heeft zij in aanmerking genomen dat de dienst zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] met het gastouderbureau gesloten overeenkomst, waarvan hij een akte heeft overgelegd, niet aan de daaraan gestelde eisen voldoet, nu daarin de ingangsdatum, het adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang, zo min als de duur van de overeenkomst zijn geregeld. Verder heeft de dienst de door [appellant] overgelegde kwitanties en bankafschriften niet als bewijs van betaling van de eigen bijdrage over die jaren hoeven accepteren. Dat is ook het geval voor het jaar 2010, zodat de dienst het voor dat jaar aan [appellant] verleende voorschot krachtens artikel 16, vierde lid, van de Awir mocht herzien, aldus de rechtbank.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank daarmee heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen hem de met het gastouderbureau gesloten overeenkomst, evenmin als de omstandigheid dat hij de betaling van de eigen bijdrage niet heeft aangetoond, mocht tegenwerpen.

3.1. Met de besluiten van 19 en 22 juni 2010 en 2 mei 2011 heeft de toekenning van de kinderopvangtoeslag over 2007, 2008 en 2009 een definitief karakter gekregen. De mogelijkheden om zodanige toekenning in het nadeel van betrokkene te herzien zijn in de artikelen 20 en 21 van de Awir geregeld. De Belastingdienst/Toeslagen heeft te kennen gegeven dat de herziening op de voet van artikel 21, eerste lid, aanhef onder a en onder b, van de Awir heeft plaatsgevonden.

3.2. [appellant] heeft in reactie op de hiervoor vermelde verzoeken van de Belastingdienst/Toeslagen om informatie over de bij hem in 2007, 2008 en 2009 opgekomen kosten van kinderopvang de daarvoor gebruikte antwoordformulieren teruggezonden. Daarbij heeft hij de jaaroverzichten voor de vermelde jaren gevoegd, waarin in dat voor 2007 en 2008 de eigen bijdrage van de ouders is vermeld en in dat voor 2009 dat het vermelde bruto-inkomen van de gastouder inclusief de eigen bijdrage van de vraagouder is. Betaling van de eigen bijdrage blijkt daaruit niet. Door op basis van de door [appellant] aldus verstrekte gegevens de tegemoetkomingen definitief vast te stellen, heeft de Belastingdienst/Toeslagen de mogelijkheid om de in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir geregelde herzieningsbevoegdheid op basis van die gegevens uit te oefenen verloren. Weliswaar staat de Awir er niet aan in de weg dat de dienst, als hij heeft gedaan, na de definitieve vaststelling alsnog om gegevens en inlichtingen vraagt met het oog op eventuele uitoefening van die bevoegdheid, maar de dienst heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij de definitieve vaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn van het ontbreken van bewijs van betaling van de eigen bijdrage.

De dienst heeft voorts de stelling dat [appellant] op het moment van de definitieve vaststelling wist dat de tegemoetkomingen tot een te hoog bedrag waren toegekend niet aannemelijk gemaakt. Er is ook geen grond om te oordelen dat hij dat behoorde te weten. Dat [appellant] na de vaststelling desgevraagd niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij hem in 2007, 2008 en 2009 daadwerkelijk kosten van kinderopvang zijn opgekomen, is hiertoe onvoldoende. Voor herziening krachtens artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awir bestond dan ook geen grond.

Voor herziening met toepassing van artikel 21, eerste lid, is evenmin grond gelegen in de door de Belastingdienst/Toeslagen voor het eerst in verweer in beroep naar voren gebrachte stelling dat de door [appellant] met het gastouderbureau gesloten overeenkomst niet aan de in artikel 52 van de Wko, gelezen in samenhang met artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang, gestelde eisen voldoet. De dienst heeft dat niet aan de herziening ten grondslag gelegd.

Het betoog slaagt, voor zover het ziet op de jaren 2007, 2008 en 2009. Het hoger beroep is in zoverre gegrond.

3.3. Voor zover het betoog ziet op het jaar 2010, slaagt het niet. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen met de door hem voor dat jaar overgelegde kwitanties en bankafschriften niet aangetoond heeft hoeven achten dat hij de aan de gastouder verschuldigde eigen bijdrage heeft betaald. De uit de bankafschriften blijkende geldopnames stemmen wat betreft de bedragen en de data niet met de kwitanties overeen. [appellant] heeft de gastouder volgens de kwitanties € 1.300 betaald, terwijl uit de bankafschriften blijkt dat hij in totaal € 6.740 contant heeft opgenomen. Verder zijn uitsluitend van de maanden augustus, oktober, november en december kwitanties overgelegd.

Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.

4. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover het tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 24 juli 2012 met betrekking tot de toeslagjaren 2009, 2008 en 2009 ingestelde beroep daarbij ongegrond is verklaard. Dat besluit dient in zoverre te worden vernietigd. De besluiten van 26 januari 2012 betreffende die jaren dienen te worden herroepen. Dit betekent dat de besluiten van 19 en 22 juni 2010 en 2 mei 2011 herleven. De uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

5. De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2013 in de zaken nrs. 12/8548, 12/10215, en 12/10216;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 24 juli 2012 met kenmerk BEZ13 BT07 in zoverre;

V. herroept de besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen van 19 juni 2010 met kenmerk 1455.71.063.T.07.6.0201, 22 juni 2010 met kenmerk 1455.71.063.T.08.6.0401 en 2 mei 2011 met kenmerk 1455.71.063.T.09.6.0201;

VI. bevestigt de uitspraak voor het overige;

VII. veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding aan [appellant] van bij deze in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 948,52 (zegge: negenhonderdachtenveertig euro en tweeënvijftig eurocent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

47.