Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2612

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201304188/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:2184, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2012 heeft de burgemeester de onmiddellijke sluiting bevolen van de voor het publiek openstaande ruimtes tussen Nice Passage 1a tot en met 6 in winkelcentrum Schalkwijk te Haarlem (hierna: de passage) vanaf 17 februari 2012 om 20:00 uur tot 20 februari 2012 om 08:00 uur.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 174
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/12 met annotatie van D. van der Meijden
JOM 2014/738
AB 2014/368

Uitspraak

201304188/1/A3.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Coöperatieve Vereniging van Eigenaren Winkelcentrum Schalkwijk (hierna: de CVvE), gevestigd te Haarlem,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 26 maart 2013 in zaak nr. 12-4289 in het geding tussen:

de CVvE

en

de burgemeester van Haarlem.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2012 heeft de burgemeester de onmiddellijke sluiting bevolen van de voor het publiek openstaande ruimtes tussen Nice Passage 1a tot en met 6 in winkelcentrum Schalkwijk te Haarlem (hierna: de passage) vanaf 17 februari 2012 om 20:00 uur tot 20 februari 2012 om 08:00 uur.

Bij besluit van 7 augustus 2012 heeft de burgemeester het door de CVvE daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 maart 2013 heeft de rechtbank het door de CVvE daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de CVvE hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2013, waar de CVvE, vertegenwoordigd door mr. A.J.F. de Jager, advocaat te Amsterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E.A.W. Knaape en M. Vink, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als informant gehoord [informant], werkzaam bij de inspectie SZW.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet, is de burgemeester belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Ingevolge het tweede lid is de burgemeester bevoegd bij de uitoefening van het toezicht, bedoeld in het eerste lid, de bevelen te geven die met het oog op de bescherming van veiligheid en gezondheid nodig zijn.

2. De burgemeester heeft aan het, in bezwaar gehandhaafde, bevel tot sluiting ten grondslag gelegd dat op 17 februari 2012 asbest is aangetroffen, waardoor de veiligheid en de gezondheid van het publiek in het winkelcentrum alsmede het aldaar werkzame personeel ernstig werden bedreigd.

3. De CVvE betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot sluiting van de passage. Daartoe voert zij aan dat niet uit te sluiten is dat de burgemeester voor minder ingrijpende maatregelen had kunnen kiezen en dat de burgemeester heeft nagelaten om te onderzoeken of dit mogelijk was. Het bevel is disproportioneel, aldus de CVvE.

3.1. De burgemeester heeft in verweer te kennen gegeven dat gezien de ruimte en de plek een gedeeltelijke afsluiting van de passage niet haalbaar was. Daarnaast werd onder tijdsdruk gewerkt, zodat nader onderzoek naar andere mogelijkheden geen optie was. Aan beide zijden van de passage was asbest aangetroffen. Rekening houdend met de hoogte van het winkelcentrum en het gegeven dat op het moment van afsluiting niet exact duidelijk was waar de bron van de besmetting zich bevond, is met juistheid gekozen voor een ruim opgezette luchtdichte afsluiting, aldus de burgemeester.

3.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 174 van de Gemeentewet (Kamerstukken II 1988/89, 19 403, nr. 10, blz. 92 en 93) volgt dat dit artikel de bevoegdheid behelst tot het geven van bevelen teneinde onverwijld in te grijpen in situaties die de veiligheid of de gezondheid bedreigen. De bevelen die uit hoofde van dit artikel worden gegeven, zien op concrete, zich direct aandienende, de veiligheid of gezondheid bedreigende situaties. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 mei 2010 in zaak nr. 200901760/1/H3, www.raadvanstate.nl) kan de bevoegdheid dan ook uitsluitend worden aangewend indien in een bepaald geval onverwijld moet worden ingegrepen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid.

Bij de beoordeling of zich een de veiligheid of gezondheid bedreigende situatie voordoet, komt de burgemeester beoordelingsvrijheid toe, die door de rechter terughoudend dient te worden getoetst. Derhalve staat ter beoordeling of de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een dergelijke situatie zich hier op 17 februari 2012 voordeed, zodat sluiting van de passage nodig was.

3.3. Niet in geschil is dat op 17 februari 2012 een te hoge asbestwaarde is gemeten in de passage, waardoor onmiddellijke sanering noodzakelijk was. Evenmin is in geschil dat ten tijde van deze meting op 17 februari 2012 de bron van de asbestbesmetting niet bekend was. Tegenover het gemotiveerde standpunt van de burgemeester dat sluiting van een kleiner gebied niet verantwoord was, waarbij vooral het feit dat de bron en omvang onduidelijk waren is benadrukt, heeft de CVvE in hoger beroep niet toegelicht waarom desalniettemin sluiting van een kleiner gebied aangewezen was. Het betoog faalt.

4. De CVvE betoogt voorts dat de burgemeester ten onrechte in eerste aanleg bij wege van verweer heeft aangevoerd, zoals is overwogen in overweging 5 van de aangevallen uitspraak, dat op advies van Hofstede Milieuadviseurs, de adviseur van de CVvE, is besloten tot sluiting. Een en ander is volgens haar zowel feitelijk als wat betreft de gevolgen die de rechtbank daaraan verbindt onjuist. Zij voert daartoe aan dat het besluit van de burgemeester uitsluitend is gebaseerd op het advies van de inspectie SZW en dat Hofstede Milieuadviseurs enkel feitelijk onderzoek ter plaatse heeft verricht. Aldus is het volgens haar ook onjuist dat de rechtbank de verantwoordelijkheid voor de sluiting geheel of gedeeltelijk bij de CVvE zou hebben gelegd.

4.1. Dit betoog slaagt niet. Overweging 5 van de aangevallen uitspraak bevat een weergave van het verweer van de burgemeester in beroep, geen oordeel van de rechtbank daarover. Zoals de burgemeester hieromtrent heeft medegedeeld, maakt het gegeven dat Hofstede Milieuadviseurs het besluit tot sluiting van de passage ondersteunde, Hofstede Milieuadviseurs daarmee niet mede verantwoordelijk voor het genomen besluit. Of de CVvE blaam treft voor zover er schade ten gevolge van de sluiting van de passage is opgetreden, is, zoals de burgemeester terecht heeft opgemerkt, voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het genomen besluit niet van belang.

5. Voor zover de CVvE in hoger beroep haar in beroep aangevoerde gronden slechts kort heeft samengevat wordt overwogen dat het hoger beroep in zoverre een niet nader gemotiveerde herhaling is. In de overwegingen van de aanvallen uitspraak is de rechtbank op die gronden ingegaan. De CVvE heeft in het hoger beroep niet aangevoerd waarom die weerlegging onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Gelet hierop kan het aldus aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

97-798.