Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2611

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201304163/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2011 heeft het college een verzoek van [appellant] om verwijdering van zijn huwelijksgegevens op zijn persoonskaart in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: gba) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304163/1/A3.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2013 in zaak nr. 12/2193 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2011 heeft het college een verzoek van [appellant] om verwijdering van zijn huwelijksgegevens op zijn persoonskaart in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: gba) afgewezen.

Bij besluit van 16 april 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.S. Wijling, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.T. Kasiemkhan, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet gba) worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of be√ędigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, mogen, indien aannemelijk is dat omtrent een gegeven over de familierechtelijke betrekkingen tot de ouders of kinderen, over het huwelijk en de eerdere huwelijken, over de echtgenoot en de eerdere echtgenoten, over het geregistreerd partnerschap en de eerdere geregistreerde partnerschappen of over de geregistreerde partner en de eerdere geregistreerde partners een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c of d, kan worden verschaft, deze gegevens niet aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder e, worden ontleend. Ingevolge het tweede lid worden aan een geschrift als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 36, derde lid, geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

Ingevolge artikel 82, eerste lid, voldoet het college binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen.

Ingevolge het tweede lid geeft het college aan het verzoek uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de eerste afdeling van dit hoofdstuk (artikel 24 tot en met 54).

Ingevolge artikel 83, aanhef en onder f, wordt een beslissing van het college om niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 79 tot en met 82 gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2. [appellant] heeft het college verzocht om zijn huwelijksgegevens in de gba te wijzigen. Hij stelt nooit te zijn gehuwd met [vrouw A] zoals geregistreerd in de gba, doch te zijn gehuwd met [vrouw B]. Ter staving van zijn verzoek heeft hij een huwelijksakte en een "getuigenis voorzetting echtelijke relatie" die ziet op zijn huwelijk met [vrouw B] overgelegd. In bezwaar heeft [appellant] voorts een volledig afschrift van zijn geboorteakte en een "Certificat Administratif" overgelegd.

3. Het college heeft aan de, in bezwaar gehandhaafde, weigering om de persoonsgegevens te wijzigen ten grondslag gelegd dat [appellant] met door hem overgelegde documenten niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet met [vrouw A] is gehuwd en dat daarom niet onomstotelijk vaststaat dat de registratie van het huwelijk onjuist is.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is aangetoond dat de gba meerdere foutieve gegevens bevat waardoor aan de registratie van het huwelijk met [vrouw A] geen betekenis kan toekomen. Daartoe voert hij aan dat in de gba een foutief adres en een foutieve datum van vestiging in Rotterdam staan vermeld. Gelet hierop kan twijfel bestaan over de juistheid van de in de gba opgenomen gegevens. De rechtbank heeft ten onrechte zijn standpunt gepasseerd dat sprake is van een persoonsverwisseling, aldus [appellant]. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de "getuigenis voortzetting echtelijke relatie" geen document is waarvan door het college in het besluit van 12 december 2011 te kennen is gegeven dat daarmee kan worden aangetoond dat het huwelijk tussen hem en [vrouw A] niet bestaat. Deze getuigenis wordt voorts ondersteund door het door hem overgelegde "Certificat Administratif", aldus [appellant].

In hoger beroep heeft [appellant] een brief van de rechtbank te [plaats], Marokko, van 22 oktober 2013 overgelegd. In deze brief wordt melding gemaakt van een onderzoek dat is verricht in de registers van de rechtbank en een toelichting gegeven op de waarde van de "getuigenis voortzetting echtelijke relatie". Volgens [appellant] dient deze brief te worden aangemerkt als een brondocument als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Wet gba, dan wel als een document waaraan gegevens kunnen worden ontleend, als bedoeld in artikel 37, tweede lid, van de Wet gba.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 28 augustus 2013 in zaak nr. 201206453/1/A3; (www.raadvanstate.nl), is het doel van de Wet gba dat gegevens in de basisadministratie zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn.

Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 januari 2010 in zaak nr. 200904046/1/H3; www.raadvanstate.nl), kan het bewijs dat eenmaal in de basisadministratie opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, slechts worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Wet gba. Voor het wijzigen van eenmaal in de basisadministratie geregistreerde gegevens zal gelet op het systeem van de Wet gba onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn.

4.2. In het besluit van 12 december 2011 heeft het college medegedeeld welke brondocumenten [appellant] dient over te leggen om aan te tonen dat het huwelijk tussen hem en [vrouw A] niet bestaat. Door het college is onder meer verzocht om:

"1. Een verklaring van de Rechtbank in Marokko, waaruit moet blijken dat aldaar vanaf 1963 tot heden geen huwelijksverklaring (12-getuigenhuwelijk) is geregistreerd tussen [appellant] en [vrouw A] geboren in 1943 en dat na examinatie van de registers van huwelijken en echtscheidingen van de jaren 1963 tot heden geen huwelijk is geregistreerd is (geweest) tussen [appellant] en [vrouw A] geboren in 1943.

2. Een verklaring van de Burgerlijke Stand/Bevolkingsadministratie in [plaats], Marokko, waaruit moet blijken dat na controle van de registers van huwelijken en echtscheidingen van 1963 tot heden geen huwelijk is geregistreerd of bekend is (geweest) tussen [appellant] en [vrouw A] geboren in [geboortejaar]."

4.3. De "getuigenis voortzetting echtelijke relatie" is geen brondocument als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de Wet gba, waarmee [appellant] heeft aangetoond dat de in gba opgenomen huwelijksgegevens feitelijk onjuist zijn, aangezien de getuigenis geen betrekking heeft op het huwelijk met [vrouw A]. Met de brief van de rechtbank te [plaats], Marokko, van 22 oktober 2013 heeft [appellant] evenmin aangetoond dat de in de gba opgenomen huwelijksgegevens feitelijk onjuist zijn, reeds omdat uit deze brief niet blijkt op welke periode het onderzoek in de registers van de rechtbank betrekking heeft en omdat een verklaring van de Burgerlijke Stand/Bevolkingsadministratie in [plaats], Marokko, ontbreekt. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat [appellant] niet heeft aangetoond dat in de gba meer foutieve gegevens over hem zijn opgenomen. De Afdeling volgt daarom het standpunt van het college dat dient te worden uitgegaan van de opgave van het huwelijk met [vrouw A] zoals die door [appellant] is gedaan ten behoeve van het opmaken van een persoonskaart op [datum]. [appellant] heeft de juistheid van deze geregistreerde huwelijksgegevens ook niet betwist op 11 maart 1998 toen aan hem is verzocht de huwelijksakte en de geboorteakte van [vrouw A] over te leggen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat onomstotelijk is komen vast te staan dat de geregistreerde huwelijksgegevens op de persoonskaart van [appellant] feitelijk onjuist zijn. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het college het verzoek van [appellant] terecht heeft afgewezen. Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

97-798.