Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2607

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201304072/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) alsmede tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304072/1/V1.

Datum uitspraak: 20 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 april 2013 in zaak nr. 12/17114 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) alsmede tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 april 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Hetgeen de vreemdeling in zijn eerste grief aanvoert, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met dat oordeel volstaan.

3. In zijn tweede grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het motiveringsgebrek in het terugkeerbesluit kan worden gepasseerd omdat hij de in het besluit van 12 augustus 2008 bepaalde vertrektermijn ongebruikt heeft laten passeren. De vreemdeling betoogt dat de rechtbank aldus niet heeft onderkend dat het terugkeerbesluit voor vernietiging in aanmerking komt omdat de staatssecretaris hem bij de afwijzing van zijn opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel van 21 mei 2012 ten onrechte een vertrektermijn heeft onthouden en dientengevolge geen inreisverbod tegen hem kon uitvaardigen.

3.1. De staatssecretaris heeft een eerdere aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bij besluit van 12 augustus 2008 afgewezen en hem opgedragen de Europese Unie uit eigen beweging voor het einde van de beroepstermijn te verlaten. Hieraan heeft de vreemdeling geen gevolg gegeven.

In het naar aanleiding van de opvolgende aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd genomen besluit van 21 mei 2012 is vermeld dat de vreemdeling de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod wordt uitgevaardigd.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 15 oktober 2012 in zaak nr. 201203359/1/V4), brengt de omstandigheid dat een vreemdeling bij de afwijzing van een asielaanvraag reeds een terugkeerbesluit heeft ontvangen, hem daarbij een vertrektermijn is gegund en hij Nederland niet binnen die termijn uit eigen beweging heeft verlaten, niet met zich dat de staatssecretaris bij de afwijzing van een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel niet opnieuw een terugkeerbesluit, met een daarbij behorende vertrektermijn, hoeft op te leggen.

Zoals eveneens uit voormelde uitspraak volgt, kan de staatssecretaris bij een besluit op een opvolgende asielaanvraag niet een inreisverbod uitvaardigen dat is gebaseerd op het verstrijken van de termijn in het in het besluit op de eerdere asielaanvraag vervatte terugkeerbesluit.

3.3. Uit de in 3.2 weergegeven jurisprudentie en de omstandigheid dat de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd waarom de vreemdeling in afwijking van het bepaalde in artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 een vertrektermijn wordt onthouden, volgt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het terugkeerbesluit voor vernietiging in aanmerking komt. Nu gelet hierop het inreisverbod niet op dat terugkeerbesluit kan worden gebaseerd en, gezien voormelde jurisprudentie, evenmin op het verstrijken van de termijn in het in het besluit van 12 augustus 2008 vervatte terugkeerbesluit, komt het inreisverbod eveneens voor vernietiging in aanmerking.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover deze ziet op het terugkeerbesluit en het inreisverbod van 21 mei 2012, en voor het overige bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 21 mei 2012 in zoverre alsnog gegrond verklaren en dat besluit in zoverre vernietigen.

5. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 april 2013 in zaak nr. 12/17114, voor zover daarin het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod van 21 mei 2012 ongegrond is verklaard;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 21 mei 2012, nr. 0801-04-0142, in zoverre;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2013

488-762.