Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2598

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201303620/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Industrieweg-Noord" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201303620/1/R2.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Artofil B.V., gevestigd te Deurne,

2. [appellante sub 2 A], [appellante sub 2 B], [appellant sub 2 C] en [appellant sub 2 D], respectievelijk gevestigd en wonend te Deurne, (hierna: [appellant sub 2] en anderen),

en

de raad van de gemeente Deurne,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Industrieweg-Noord" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Artofil en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2013, waar Artofil, vertegenwoordigd door mr. M. Peeters, advocaat te Helmond, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door drs. R.A.G.H. Scholten en [appellant sub 2 C], en de raad, vertegenwoordigd door H.H. Moors, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actualisering van het planologisch regime voor het bedrijventerrein De Bottel in Deurne, voor zover het betreft gronden gelegen aan de noordzijde van de Industrieweg.

Het beroep van Artofil

3. Het beroep van Artofil is gericht tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" betreffende het perceel Industrieweg 21 te Deurne alsmede het daar aan grenzende perceel aan de Katoenstraat te Deurne.

4. Artofil betoogt dat het plan ten onrechte niet voor het gehele perceel Industrieweg 21 voorziet in de functieaanduiding ‘bedrijf van categorie 4.2’. Zij wijst in dit verband op een klein gedeelte van de gronden van haar perceel kadastraal bekend gemeente Deurne, sectie N, nummers 1639 en 1641, dat direct is gelegen aan de Katoenstraat.

Verder betoogt Artofil dat aan het gedeelte van de Katoenstraat waaraan de gronden van haar perceel grenzen, in het plan ten onrechte de bestemming "Bedrijf" is gegeven, nu dit een openbare weg betreft en op grond van artikel 3.1 van de planregels gronden met deze bestemming niet voor verkeersdoeleinden mogen worden gebruikt.

4.1. De raad stelt dat in het plan aan het perceel voor zover dat in eigendom is van Artofil, de functieaanduiding ‘bedrijf van categorie 4.2’ is toegekend. Op de omliggende gronden die niet in eigendom zijn van Artofil bestond daar naar het oordeel van de raad geen aanleiding toe nu deze functieaanduiding niet gerealiseerd zal worden.

4.2. Aan het plandeel betreffende het perceel Industrieweg 21 zijn de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding ‘bedrijf van categorie 4.2’ toegekend. Uit de verbeelding blijkt dat deze bestemming en aanduiding gelden voor de gronden van de percelen kadastraal bekend als gemeente Deurne, sectie N, nummers 1638, 1639, 1640 en een deel van 1641. Uit de verbeelding blijkt verder dat aan het gedeelte van de Katoenweg dat grenst aan de gronden van het perceel Industrieweg 21 de bestemming "Bedrijf" is toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de als "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven tot en met categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;

b. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf van categorie 4.2’: een bedrijf tot en met categorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;

c. productiegebonden detailhandel;

d. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening': uitsluitend openbare nutsvoorzieningen;

e. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en verhardingen.

4.3. Uit de verbeelding blijkt dat de begrenzing van de aanduiding ‘bedrijf van categorie 4.2’ is gelegd op de perceelsgrens van de percelen kadastraal bekend als gemeente Deurne, sectie N, nummers 1639 en 1641, op een klein hoekje ten zuidwesten van het perceel genummerd 1641 na. Ter zitting heeft de raad verklaard dat de begrenzing van de aanduiding ‘bedrijf van categorie 4.2’ in zoverre niet op de juiste wijze in het plan is neergelegd en dat het de bedoeling van de raad is geweest ook voor dat gedeelte van het perceel van Artofil de begrenzing van de aanduiding gelijk te laten zijn aan de eigendomsgrens.

De raad heeft ter zitting verder verklaard dat het gedeelte van de Katoenstraat dat grenst aan de gronden van het perceel Industrieweg 21 waaraan in het plan de bestemming "Bedrijf" is toegekend, een openbare weg betreft waarvan het de bedoeling van de raad is geweest deze ook voor het gebruik voor verkeersdoeleinden te bestemmen. Uit artikel 3.1 van de planregels volgt echter niet dat gronden met deze bestemming tevens voor verkeersdoeleinden gebruikt mogen worden.

Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat deze onderdelen betreft in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De betogen slagen.

5. Artofil stelt dat de aan haar vergunde bouwrechten op grond van de op 23 december 2011 door het college van burgemeester en wethouders van Deurne verleende omgevingsvergunning ten onrechte niet in het plan zijn opgenomen. Artofil wijst er in dit verband op dat de omgevingsvergunning haar toestaat om aan de achterzijde van het perceel Industrieweg 21 binnen 3 meter van de perceelsgrens te bouwen, terwijl in artikel 3, lid 3.2, aanhef en onder 3.2.2 sub c, van de planregels is bepaald dat de afstand van gebouwen en overkappingen tot de achterste perceelsgrens ten minste 3 meter bedraagt. Artofil wenst op korte termijn van deze omgevingsvergunning gebruik te maken. Door de bouwmogelijkheden die de omgevingsvergunning biedt niet in het plan op te nemen, zijn de met de verleende omgevingsvergunning verkregen bouwmogelijkheden volgens Artofil ten onrechte in het plan onder het bouwovergangsrecht gebracht.

5.1. De raad betoogt dat het plan de mogelijkheid kent om af te wijken van artikel 3, lid 3.2, aanhef en onder 3.2.2, van de planregels zodat de bouwrechten op grond van de omgevingsvergunning niet onder het overgangsrecht zijn gebracht.

5.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, aanhef en onder 3.2.2 sub c, van de planregels mag op de gronden worden gebouwd en geldt de regel dat de afstand van gebouwen en overkappingen tot de achterste perceelsgrens ten minste 3 meter bedraagt.

Ingevolge lid 3.2, aanhef en onder 3.2.2 sub f, mogen in afwijking van het bepaalde onder lid 3.2, aanhef en onder 3.2.2 sub a tot en met d, bestaande gebouwen en overkappingen dichter op de perceelsgrenzen worden gebouwd, met dien verstande dat bij herbouw of herinrichting deze leden wel van toepassing zijn.

5.3. Niet in geschil is dat de op 23 december 2011 aan Artofil verleende omgevingsvergunning haar de mogelijkheid biedt om aan de achterzijde van het perceel Industrieweg 21 in strijd met artikel 3, lid 3.2, aanhef en onder 3.2.2 sub c, van de planregels, op minder dan 3 meter van de perceelsgrens te bouwen. Nu nog geen gebruik is gemaakt van deze omgevingsvergunning, betreft het geen bestaand gebouw als bedoeld in artikel 3, lid 3.2, aanhef en onder 3.2.2 sub f, van de planregels, op grond waarvan afwijking van het bepaalde in artikel 3, lid 3.2, aanhef en onder 3.2.2 sub c, is toegestaan. Dit betekent dat het bouwwerk waarop de bedoelde omgevingsvergunning ziet in het plan niet als zodanig is bestemd. Naar het oordeel van de Afdeling is een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen een bestaand recht waaraan bij het vaststellen van een bestemmingsplan in beginsel niet voorbij kan worden gegaan. Met betrekking tot de bouwmogelijkheden die zijn vergund in een verleende omgevingsvergunning staat voorop dat deze gelet op de rechtszekerheid, in beginsel in zijn geheel als zodanig dienen te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden als een dienovereenkomstige bestemmingsregeling op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe regeling zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarvan is in dit geval niet gebleken en door de raad is niet inzichtelijk gemaakt waarom het als zodanig bestemmen van de vergunde bouwmogelijkheden niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Ten aanzien van de stelling van de raad dat de vergunde bouwmogelijkheden als zodanig kunnen worden bestemd met toepassing van de in artikel 3, lid 3.4, onder 3.4.5, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid, overweegt de Afdeling dat hierdoor een minder rechtszekere situatie ontstaat, nu de aanvaardbaarheid van vergunde bouwmogelijkheden afhankelijk wordt gesteld van een nader besluit. Een dergelijke regeling is niet passend om vergunde bouwmogelijkheden als zodanig te bestemmen. Dit betekent dat de bedrijfsbebouwing, anders dan door de raad is beoogd, niet geheel als zodanig is bestemd en dat in het plan ten onrechte een regeling ontbreekt voor het in de omgevingsvergunning voor het bouwen op het perceel Industrieweg 21 vergunde bouwwerk. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld. Het betoog slaagt.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep van Artofil gegrond, zodat het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" betreffende het perceel Industrieweg 21 en het gedeelte van de Katoenweg dat grenst aan de gronden van het perceel Industrieweg 21 te Deurne, dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

7. De raad dient ten aanzien van Artofil op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

8. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is gericht tegen de vaststelling van het plan voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Bedrijf" betreffende de percelen [locatie 1, 2 en 3] te [Deurne].

9. In het beroepschrift hebben [appellant sub 2] en anderen vermeld dat [appellant sub 2 A] en [appellante sub 2 B] de eigenaren zijn van het perceel [locatie 1] en dat [appellant sub 2 C] en [appellant sub 2 D] de eigenaren zijn van de percelen [locatie 2 en 3]. Wat het perceel [locatie 2] betreft is ter zitting echter komen vast te staan dat [appellant sub 2 C] en [appellant sub 2 D], die bezwaar hebben tegen de vaststelling van het plan voor zover het dit plandeel betreft, dit perceel reeds in februari 2012 in eigendom hebben overgedragen. Dit betekent dat zij ten tijde van de vaststelling van het plan geen eigenaren meer waren van de gronden van het perceel [locatie 2]. [appellant sub 2 C] heeft ter zitting verklaard dat met de nieuwe eigenaar geen afspraken zijn gemaakt met betrekking tot het instellen van beroep tegen het plan. Voorts is niet gebleken dat het beroep van [appellant sub 2] en anderen namens de nieuwe eigenaar is ingesteld. Ook hebben [appellant sub 2] en anderen geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt.

De conclusie is dat [appellant sub 2] en anderen wat het plandeel betreffende het perceel [locatie 2] betreft geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover gericht tegen het plandeel betreffende het perceel [locatie 2] te [Deurne], is niet-ontvankelijk.

10. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan hen onevenredig beperkt in de mogelijkheid om hun huidige bedrijfsvoering op de percelen [locatie 1 en 3] uit te breiden en dat de raad hun belang daarbij onvoldoende bij de planvorming heeft betrokken. In dit verband wijzen [appellant sub 2] en anderen erop dat het niet mogelijk is om elders binnen de gemeente Deurne de vraag naar bedrijvigheid met een milieucategorie 4 of 5 te faciliteren. Bovendien is het beperken van de hoogte van de toegestane milieucategorie voor de gronden gelegen aan de noordzijde van de Industrieweg op het bedrijventerrein De Bottel volgens [appellant sub 2] en anderen in strijd met het in Deurne geldende beleid op grond waarvan bestaande bedrijventerreinen optimaal benut moeten worden. Het bedrijventerrein De Bottel wordt volgens [appellant sub 2] en anderen niet optimaal benut, nu volgens hen geen aanleiding bestaat om de zwaarte van de toegestane milieucategorieën op het bedrijventerrein te beperken.

Daarnaast voeren [appellant sub 2] en anderen aan dat de raad zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van hun wens om de mogelijkheid te behouden om de gronden aan de Industrieweg voor perifere detailhandel te gebruiken. In dit verband wijzen zij erop dat het overleg dat is gevoerd met het college van burgemeester en wethouders en de aanvraag om een omgevingsvergunning die door de eigenaar van het perceel [locatie 1] is gedaan, ten einde zijn gronden ten behoeve van perifere detailhandel te mogen gebruiken, ten onrechte niet bij de vaststelling van het plan zijn betrokken.

10.1. De raad betoogt dat hij de gebruiksmogelijkheden uit het vorige bestemmingsplan, dat door de raad is vastgesteld op 11 december 1951, niet in het plan heeft overgenomen omdat deze gebruiksmogelijkheden niet langer in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. In dit verband wijst de raad erop dat het vorige bestemmingsplan iedere vorm van bedrijvigheid op de in het plangebied gelegen gronden toestond. Gelet op de in de nabijheid van bedrijventerrein De Bottel gelegen gevoelige functies, zoals wonen, acht de raad het gebruik van de gronden voor bedrijvigheid met in beginsel een hogere milieucategorie dan maximaal 3.2 uit een oogpunt van het voorkomen van overlast niet langer wenselijk.

De raad betoogt voorts dat hij bij de planvorming rekening heeft gehouden met de belangen van de in het plangebied aanwezige bedrijven door de gronden in overeenstemming met het feitelijk gebruik te bestemmen, zodat de daarop aanwezige bedrijvigheid niet onder het overgangsrecht zou komen.

Voorts betoogt de raad dat hij met de vaststelling van het plan niet heeft afgeweken van het geldende gemeentelijk beleid.

10.2. In de verbeelding is weergegeven dat het plandeel met de bestemming ‘Bedrijf’ onder meer betreft de percelen [locatie 1 en 3] van [appellant sub 2] en anderen. Uit artikel 3, lid 3.1, van de planregels volgt dat de als "Bedrijf" aangewezen gronden, voor zover hier van belang, bestemd zijn voor bedrijven tot en met categorie 3.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf van categorie 4.2’ voor een bedrijf tot en met categorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en voor productiegebonden detailhandel.

10.3. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Wel dient de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan in beginsel rekening te houden met een voldoende concreet bouwplan.

In de Ontwikkelingsvisie Bedrijventerreinen (hierna: Ontwikkelingsvisie), door de raad vastgesteld op 27 oktober 2009, is vermeld dat de bestaande bedrijventerreinen behouden zullen blijven voor bedrijfsmatig gebruik en dat het interessant moet zijn voor de gebruiker van het bedrijventerrein om in het aanwezig onroerend goed te investeren. Door middel van het vergroten van het te bebouwen oppervlak, het vergroten van de bouwhoogte en het wijzigen van een functie in een functie met een hogere toegevoegde waarde worden investeringen uitgelokt die leiden tot optimale benutting van het bedrijventerrein, aldus de Ontwikkelingsvisie.

De raad heeft in het plan invulling aan voornoemd beleid gegeven door op de gronden gelegen aan de noordzijde van de Industrieweg op het bedrijventerrein De Bottel, waarvan de percelen [locatie 1 en 3] deel uitmaken, bedrijvigheid van ten hoogste milieucategorie 3.2 toe te staan, tenzij het feitelijk gebruik tot een hogere milieucategorie behoort. Daarbij wijst de raad erop dat de aan de gronden gegeven gebruiksmogelijkheden voldoende gebruiksruimte bieden aan [appellant sub 2] en anderen. Hierbij heeft de raad betrokken dat er bij [appellant sub 2] en anderen geen concrete plannen bestaan voor bedrijvigheid met een hogere milieucategorie dan het plan voor hun gronden toestaat. De raad heeft de beperking in de uitbreidingsmogelijkheden ten opzichte van het vorige bestemmingsplan in het plan opgenomen om zo omliggende gevoelige functies, zoals wonen, te beschermen tegen milieuhinder. Voorts heeft de raad erop gewezen dat artikel 3, lid 3.7, van de planregels in een concreet geval de mogelijkheid biedt om van het plan af te wijken, waarbij op de gronden bedrijvigheid met ten hoogste milieucategorie 4.2 kan worden toegestaan. In zoverre biedt het plan volgens de raad de ruimte tot optimale benutting van de gronden zoals bedoeld in de Ontwikkelingsvisie. Binnen het bedrijventerrein De Bottel is volgens de raad geen ruimte voor bedrijvigheid met milieucategorie 4.3 en hoger. Voor zover daaraan behoefte bestaat wordt daarin op het bedrijventerrein Kranenmortel in Deurne voorzien.

De raad heeft zich onder genoemde omstandigheden in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de in het plan voor de op bedrijventerrein De Bottel gelegen percelen [locatie 1 en 3] gegeven bestemming en de daarop betrekking hebbende regels deze gronden optimaal benut worden als bedoeld in de Ontwikkelingsvisie, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het plan in zoverre niet in overeenstemming met de Ontwikkelingsvisie is vastgesteld.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gronden van het perceel [locatie 1] worden gebruikt voor de opslag van containers en het parkeren van opleggers voor een transportbedrijf. De gronden van het perceel [locatie 3] worden thans eveneens gebruikt ten behoeve van opslag. Niet in geschil is dat het bestaande gebruik van beide percelen wat bedrijvigheid betreft de in het plan voorziene milieucategorie 3.2 niet overstijgt. Aldus is niet gebleken dat [appellant sub 2] en anderen door de in het plan aan de percelen [locatie 1 en 3] gegeven bestemming en de daarop betrekking hebbende regels onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voorts is ten tijde van de vaststelling van het plan niet gebleken van een concreet plan van [appellant sub 2] en anderen dat strekt tot gebruik van de percelen voor bedrijvigheid met een hogere milieucategorie, zodat de raad bij de vaststelling van het plan geen rekening heeft hoeven houden met gebruik met een hogere milieucategorie dan de in het plan voorziene milieucategorie 3.2. Overigens heeft de raad in artikel 3, lid 3.7, van de planregels de mogelijkheid opgenomen om in een concreet geval bedrijvigheid met ten hoogste milieucategorie 4.2 toe te staan.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, bestaat in hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Het betoog faalt.

10.4. De raad heeft op 6 juli 2010 de Detailhandelsvisie gemeente Deurne (hierna: Detailhandelsvisie) vastgesteld. Hierin is vermeld dat perifere detailhandel zoveel mogelijk wordt geconcentreerd in de daarvoor aangewezen gebieden. Daartoe behoort het bedrijventerrein De Bottel, waarvan het perceel [locatie 1] deel uitmaakt, niet. Daarbij is in aanmerking genomen dat door de verspreide ligging van perifere detailhandel bedrijven nauwelijks van elkaars aantrekkingskracht en gemeenschappelijke faciliteiten profiteren. Bij concentratie van perifere detailhandel heeft de consument het voordeel van gemak, overzichtelijkheid en keuze. Verder draagt de concentratie bij aan het beperken van het aantal verkeersbewegingen. Voorts is vermeld dat buiten de daartoe aangewezen gebieden, uitbreiding en nieuwvestiging van perifere detailhandel alleen mogelijk wordt gemaakt ten behoeve van herontwikkeling van bestaande bedrijventerreinen of wanneer de ontwikkeling een aantoonbare meerwaarde levert aan de verzorgingsstructuur en in de centra redelijkerwijs geen plek is.

De raad heeft de mogelijkheid tot het vestigen van perifere detailhandel uit het vorige bestemmingsplan niet in het thans voorliggende plan overgenomen omdat, nu het plangebied in de Detailhandelsvisie niet is aangewezen als concentratiegebied, dat tot verdere deconcentratie van het perifere detailhandelsaanbod in Deurne zou kunnen leiden. Niet is gebleken dat de raad ten aanzien van het bedrijventerrein De Bottel een herontwikkeling voorstaat dan wel dat het op het bedrijventerrein toelaten van perifere detailhandel een aantoonbare meerwaarde levert aan de verzorgingsstructuur en in de daarvoor aangewezen concentratiegebieden redelijkerwijs geen plek is voor perifere detailhandel. De raad heeft door middel van een in artikel 3, lid 3.6, onder 3.6.3, van de planregels opgenomen afwijkingsmogelijkheid de mogelijkheid behouden om in een concreet geval perifere detailhandel toe te staan. Daarbij geldt de voorwaarde dat het detailhandel in auto’s, boten of caravans betreft.

De raad heeft zich gelet op het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toelaten van perifere detailhandel op bedrijventerrein De Bottel zou leiden tot deconcentratie zoals bedoeld in de Detailhandelsvisie en dat de in de Detailhandelsvisie genoemde uitzondering om buiten de daartoe aangewezen gebieden perifere detailhandel toe te staan zich in dit geval niet voordoet. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre niet in overeenstemming met de Detailhandelsvisie is vastgesteld. Voor zover [appellant sub 2] en anderen betogen dat door de eigenaar van de gronden van het perceel [locatie 1] een aanvraag om een omgevingsvergunning ten behoeve van de vestiging van perifere detailhandel op deze gronden is ingediend, stelt de Afdeling vast dat door de raad onweersproken is gesteld dat deze aanvraag vanwege het ontbreken van alle benodigde gegevens buiten behandeling is gelaten en dat deze aanvraag niet is gevolgd door een andere aanvraag. Ten tijde van de vaststelling van het plan bestond er geen concreet bouwplan waar de raad bij de vaststelling van het plan rekening mee had behoren te houden.

10.5. Voor zover [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad het overleg tussen hen en het gemeentebestuur om perifere detailhandel op het perceel [locatie 1] mogelijk te maken onvoldoende heeft betrokken bij de vaststelling van het plan en hierin aanleiding had moeten zien een uitzondering te maken op het in de Detailhandelsvisie neergelegde beleid, overweegt de Afdeling als volgt.

Gebleken is dat [appellant sub 2] en anderen in de periode voorafgaand aan de ontwerpfase en vaststelling van het plan geregeld overleg hebben gehad met het college van burgemeester en wethouders. Tijdens deze besprekingen zijn verschillende wijzen van invulling van het gebruik van het perceel [locatie 1] aan de orde gekomen. Ook het realiseren van perifere detailhandel op het perceel [locatie 1] behoorde tot de mogelijkheden, mits aan de hieraan gestelde voorwaarden zou worden voldaan. Bij het bezien van de mogelijkheden waren ook andere belanghebbenden met andere gronden in de omgeving van het perceel [locatie 1], waar al perifere detailhandel is toegestaan, betrokken. Een belangrijke voorwaarde voor het college van burgemeester en wethouders om perifere detailhandel op het perceel [locatie 1] eventueel mogelijk te maken was, dat er een uitruil zou plaatsvinden met genoemde andere gronden waarop de detailhandel aanwezig is, die op die gronden plaats zou moeten maken voor woningbouw. De Afdeling stelt op grond van het verhandelde ter zitting vast dat partijen daarbij evenwel niet tot een vergelijk zijn gekomen. Gelet hierop heeft de raad de uitkomst van het overleg tussen [appellant sub 2] en anderen en het college van burgemeester en wethouders op voldoende wijze betrokken bij de vaststelling van het plan en heeft de raad hierin geen aanleiding hoeven zien een uitzondering te maken op het in de Detailhandelsvisie neergelegde beleid.

10.6. De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande en in hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad door het op het perceel [locatie 1] niet toestaan van perifere detailhandel het plan in zoverre niet in redelijkheid in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Het betoog faalt.

10.7. Voor zover [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan voor de percelen [locatie 1 en 3], anders dan het vorige bestemmingsplan, voorziet in een maximale bouwhoogte van 8 meter en dat daarmee bestaande rechten niet worden gerespecteerd, overweegt de Afdeling het volgende.

10.8. In de verbeelding is weergegeven dat de aanduiding ‘maximumbouwhoogte (m) = 8’ onder meer betreft de percelen [locatie 1 en 3] van [appellant sub 2] en anderen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2 en onder d, van de planregels bedraagt de bouwhoogte van gebouwen en overkappingen ten hoogste de met de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte.

Ingevolge artikel 3, lid 3.4, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in 3.2.2 onder d voor het vergroten van de maximale bouwhoogte tot niet meer dan 15 m, indien dit noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering.

10.9. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Wel dient de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een voldoende concreet bouwplan.

Ter zitting is door [appellant sub 2] en anderen erkend dat zich ten tijde van de vaststelling van het plan op de percelen [locatie 1 en 3] geen bouwwerken bevonden of bij recht gebouwd mochten worden die hoger waren dan de in het plan toegelaten 8 meter. Evenmin bestond ten tijde van de vaststelling van het plan een concreet bouwplan dat voorzag in een bouwwerk hoger dan 8 meter.

Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat de raad heeft voorzien in een mogelijkheid om ingevolge artikel 3, lid 3.4, van de planregels af te wijken van de maximale bouwhoogte tot een hoogte van 15 meter, bestaat in hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Het betoog faalt.

11. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 2] en anderen, voor zover gericht tegen het plandeel betreffende het perceel [locatie 2] te [Deurne], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Artofil B.V. gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Deurne van 22 januari 2013 voor zover dat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" betreffende het perceel Industrieweg 21 en het gedeelte van de Katoenweg dat grenst aan de gronden van het perceel Industrieweg 21 te Deurne;

IV. draagt de raad van de gemeente Deurne op om binnen 12 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. verklaart het beroep van [appellante sub 2 A] en anderen voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Deurne tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Artofil B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Deurne aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Artofil B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

159-779.