Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2596

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201303578/3/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hoefweg-Zuid, 1e partiële herziening" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201303578/3/R4.

Datum uitspraak: 20 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Prisma Bleiswijk Beheer B.V. en de commanditaire vennootschap Prisma Bleiswijk C.V. (hierna tezamen en in enkelvoud: Prisma), beide gevestigd te Bleiswijk, gemeente Lansingerland,

verzoeksters,

en

de raad van de gemeente Lansingerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hoefweg-Zuid, 1e partiële herziening" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Prisma beroep ingesteld.

Prisma heeft de voorzitter verzocht ten aanzien van dit besluit een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 18 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoefweg-Zuid (Bleizo)" vastgesteld.

Bij uitspraak van 19 juli 2013, in zaak nr. 201303578/2/R4, heeft de voorzitter het besluit van 21 februari 2013 bij wege van voorlopige voorziening geschorst.

Prisma heeft de voorzitter verzocht ten aanzien van het besluit van 18 juli 2013 een voorlopige voorziening te treffen.

Prisma heeft nadere stukken ingediend.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 10 december 2013, waar Prisma, vertegenwoordigd door mr. R.G.J. Bäcker, advocaat te Rotterdam, en ing. H. Danes, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Crince le Roy, advocaat te Rotterdam, en drs. H. Koornneef, werkzaam bij de gemeente, en drs. M. van der Meulen, werkzaam bij Rho adviseurs, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Gemeenschappelijke Regeling Bleizo (hierna: Bleizo), vertegenwoordigd door mr. R.M. Meijer en N. Zwiep, gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het bestemmingsplan "Hoefweg-Zuid (Bleizo)" is vastgesteld ter voldoening aan de actualiseringsplicht. Het plangebied omvat globaal gesproken dat van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hoefweg-Zuid, 1e partiële herziening", aangevuld met de tracés van de HSL, Rijksweg A12 en de spoorlijn Den Haag-Gouda, en een strook gronden langs de Hoefweg.

3. De voorzitter gaat ervan uit dat, nu Prisma beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 21 februari 2013, door de werking van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is voldaan aan het zogenoemde connexiteitsvereiste van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Overigens heeft Prisma tevens afzonderlijk beroep ingesteld tegen het besluit van 18 juli 2013.

4. Prisma, die een bedrijvenpark beheert ten noorden van het plangebied, kan zich niet met het plan verenigen. Hiertoe betoogt zij dat de raad ondoorzichtig heeft gehandeld door met betrekking tot overlappende percelen nagenoeg gelijktijdig twee bestemmingsplanprocedures te doorlopen. Voorts heeft het terrein volgens haar ten onrechte een algemene bedrijfsbestemming gekregen, doordat − anders dan in het voorheen geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hoefweg-Zuid" van 11 maart 1999 − niet langer de subbestemming "Bag" is opgenomen, op grond waarvan vrijwel het volledige terrein was bestemd voor agro-gelieerde bedrijven. Volgens haar is niet inzichtelijk gemaakt dat deze bestemmingswijziging voorziet in een actuele regionale behoefte, het behoud van voldoende ruimte voor agro-gelieerde bedrijven waarborgt en nodig is voor de Greenport. Tevens verdraagt het plan zich volgens Prisma in zoverre niet met de provinciale structuurvisie "Visie op Zuid-Holland", de regionale "Visie Greenport Westland-Oostland 2020" en de gemeentelijke structuurvisie. Verder is volgens Prisma het plan-MER-hoofdstuk van de plantoelichting ontoereikend, omdat niet gerealiseerde mogelijkheden van het plan "Bedrijventerrein Hoefweg-Zuid" zijn gerekend tot de bestaande situatie terwijl een groot deel van het terrein nog bestaat uit weideland met schapen, de functiewijziging van agro-gelieerd naar regulier bedrijventerrein niet is meegenomen, effecten op het Natura 2000-gebied "De Wilck" niet zijn beoordeeld, niet is uitgegaan van maximale planologische mogelijkheden nu activiteiten van de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage volgens de raad in de praktijk slechts zeer beperkt zullen voorkomen, en geen alternatieven in beschouwing zijn genomen. Voorts is volgens Prisma onvoldoende onderzoek gedaan ten aanzien van de aanwezigheid van de HSL, het Tennet-transformatorstation en verschillende categorieën van milieugevolgen.

4.1. De raad stelt dat de partiële herziening de actualiseringsplicht onverlet liet. In de publicatie van het ontwerpbesluit is expliciet gewezen op het feit dat beide plannen voor een belangrijk deel op dezelfde gronden betrekking hebben. Het vervallen van de subbestemming "Bag" levert volgens de raad flexibiliteit die noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de Greenport. De raad benadrukt dat zich nog steeds agro-gelieerde bedrijven op het terrein kunnen vestigen. Ook op andere locaties in de omgeving is daarvoor voldoende ruimte, aldus de raad. In de praktijk is volgens de raad echter onvoldoende vraag gebleken naar ruimte voor uitsluitend agro-gelieerde bedrijvigheid. Het laten vervallen van de subbestemming is volgens de raad niet in strijd met provinciaal, regionaal of gemeentelijk beleid, aangezien geen tekort aan vestigingsruimte voor agro-gelieerde bedrijvigheid ontstaat. In het in de plantoelichting opgenomen plan-MER is volgens de raad de eerdere functiewijziging van agrarisch naar bedrijventerrein betrokken, zij het dat de omstandigheid dat die wijziging reeds eerder aan een m.e.r. is onderworpen aanleiding was om bepaalde onderzoeken niet opnieuw uit te voeren. Het Natura 2000-gebied "De Wilck" ligt volgens de raad op zodanige afstand (8 kilometer) van het terrein, dat zich voor de betrokken vogels in dat gebied geen gevolgen kunnen voordoen. Verder is volgens de raad in het plan-MER uitgegaan van de maximale planmogelijkheden, waarbij het plan-MER de kanttekening plaatst dat in de praktijk gezien de aard van het bedrijventerrein slechts op zeer beperkte schaal sprake zal zijn van m.e.r.(beoordelings)plichtige bedrijven. Omdat het plan een conserverend bestemmingsplan is, bestond volgens de raad geen aanleiding voor een alternatievenonderzoek zoals dat plaatsvindt bij een nieuwe ontwikkeling. De raad stelt dat de milieugevolgen voldoende in kaart zijn gebracht. Wat de HSL en het Tennet-transformatorstation betreft, neemt het plan slechts de eerdere planologische regeling over.

4.2. Gezien de complexiteit van de zaak vergt de beoordeling van de door Prisma aangedragen aspecten nader onderzoek waarvoor deze procedure zich niet leent. Dit betreft in het bijzonder het gestelde inzake de beschrijving dat de ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening en de toereikendheid van het plan-MER zoals vervat in hoofdstuk 4 van de plantoelichting, onder meer wat de wijze betreft waarop rekening is gehouden met niet gerealiseerde mogelijkheden van het plan "Bedrijventerrein Hoefweg-Zuid". De vraag of, vooruitlopend op die beoordeling in de bodemzaak, een voorlopige voorziening moet worden getroffen zal dan ook worden beantwoord aan de hand van een belangenafweging.

4.3. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad en Bleizo belang hebben bij onmiddellijke inwerkingtreding van het besluit, omdat er een gegadigde is voor vestiging van een niet agro-gelieerd bedrijf binnen het plangebied. De voorzitter leidt uit de stukken en het verhandelde ter zitting af dat het belang van Prisma is gelegen in de vrees dat zich op haar terrein leegstand zal voordoen door overcapaciteit aan regulier bedrijventerrein in de regio, omdat alleen in de gemeente Lansingerland al 154 ha aan regulier bedrijventerrein beschikbaar is. Nu is gebleken van voornemens tot het doen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een niet agro-gelieerd bedrijf binnen het plangebied, kan de inwerkingtreding van het plan leiden tot een juridisch onomkeerbare situatie. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter, na afweging van alle betrokken belangen, aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

5. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Lansingerland van 18 juli 2013, kenmerk 2013/102;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Lansingerland tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Prisma Bleiswijk Beheer B.V. en de commanditaire vennootschap Prisma Bleiswijk C.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

III. gelast dat de raad van de gemeente Lansingerland aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Prisma Bleiswijk Beheer B.V. en de commanditaire vennootschap Prisma Bleiswijk C.V. het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2013

271.