Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2592

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201303344/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Heerjansdam-Gors" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2014/426

Uitspraak

201303344/1/R4.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te Heerjansdam, gemeente Zwijndrecht,

en

de raad van de gemeente Zwijndrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Heerjansdam-Gors" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door drs. ing. A.D. Hol, en de raad, vertegenwoordigd door M. Scholten en R.S.M. van der Kuijp, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor de kern van Heerjansdam en het bedrijventerrein Gors. Met het plan is beoogd de bestaande situatie vast te leggen, maar het plan maakt tevens enkele nieuwe ontwikkelingen mogelijk.

3. [appellante] betoogt dat het plan onzorgvuldig is voorbereid nu de raad in de Notitie zienswijzen ten onrechte haar zienswijze over de bouwhoogte voor overige bouwwerken en de omvang van het toegekende bouwvlak voor haar perceel aan de [locatie] te Heerjansdam niet inhoudelijk heeft behandeld.

3.1. In de Notitie zienswijzen is de raad niet ingegaan op de zienswijze van [appellante] voor zover het de bouwhoogte voor overige bouwwerken en de omvang van het toegekende bouwvlak voor haar perceel aan de [locatie] te Heerjansdam betreft. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daartoe wordt overwogen dat aannemelijk is dat [appellante] door deze schending niet is benadeeld. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad in het verweerschrift alsnog inhoudelijk op het betoog over de bouwhoogte voor overige bouwwerken en de omvang van het toegekende bouwvlak voor het perceel van [appellante] is ingegaan en [appellante] de mogelijkheid heeft gehad om hierop te reageren. Het betoog faalt.

4. [appellante] kan zich niet verenigen met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" die is toegekend aan haar bedrijfsperceel aan de [locatie] te Heerjansdam. Zij betoogt dat zij door deze aanduiding in haar bedrijfsvoering wordt geschaad, omdat de bestaande en vergunde bedrijfsactiviteiten ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. Volgens [appellante] vinden op haar bedrijfsperceel activiteiten plaats die samenhangen met de op- en overslag en het be- en verwerken van afval- en bouwstoffen. Zij voert aan dat haar afvalactiviteiten vallen onder de omschrijving ‘afvalscheidinginstallatie’, met SBI-code 2008 383202C, en de omschrijving ‘vuiloverslagstation’, met SBI-code 2008 381, die in de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) in categorie 4.2 zijn ingedeeld. Daarnaast voert [appellante] ten aanzien van haar op- en overslagactiviteiten van stort- en bulkgoederen via de overslagkades aan dat deze activiteiten vallen onder de omschrijving ‘laad-, los- en overslagbedrijven ten behoeve van de binnenvaart: ertsen, mineralen, en dergelijke’, met SBI-code 2008 52242, die in de VNG-brochure in categorie 4.2 dan wel 5.2 zijn ingedeeld. Voorts voert [appellante] aan dat het breken van puin is vergund en dat de raad gelet op de Notitie zienswijzen het breken van puin met een mobiele puinbreker heeft willen toestaan. Volgens [appellante] zijn puinbrekerijen en puinmalerijen met een verwerkingscapaciteit kleiner dan 100.000 ton per jaar echter in de VNG-brochure ingedeeld in categorie 4.2. In dit verband wijst [appellante] op de verleende milieuvergunning.

4.1. Volgens de verbeelding is aan het perceel aan de [locatie] te Heerjansdam, voor zover hier van belang, de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven in de categorieën 1 tot en met 4.1 van de bij deze regels behorende ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten’ (bijlage), uitsluitend ter plaatse van de nadere aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1".

4.2. Niet in geschil is dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op 11 december 2000 een milieuvergunning heeft verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd voor het sorteren en/of scheiden van bouw- en sloopafval, daarmee vergelijkbaar bedrijfsafval en grof huishoudelijk afval, het breken en zeven van steenachtige materialen en de op- en overslag van primaire en secundaire grondstoffen en afvalstoffen.

Uit de plantoelichting en het verhandelde ter zitting volgt dat de raad met het vaststellen van het plan niet heeft beoogd beperkingen aan te brengen ten opzichte van het bestaande gebruik dat op grond van het vorige plan was toegestaan. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het sorteren en/of scheiden van bouw- en sloopafval, daarmee vergelijkbaar bedrijfsafval en grof huishoudelijk afval, als belangrijkste en zwaarste bedrijfsactiviteit uit de milieuvergunning kan worden beschouwd die binnen de inrichting plaatsvindt. Deze bedrijfsactiviteit viel overeenkomstig de Staat van Inrichtingen behorende bij het vorige plan onder de omschrijving ‘overige groothandel, op- en overslag alsmede sorteren van schroot, oude materialen en afvalstoffen’, met SBI-code 62, die in de VNG-brochure was ingedeeld in categorie 4, aldus de raad. Nu de Staat van bedrijfsactiviteiten een andere SBI-codering kent ten opzichte van de Staat van Inrichtingen van het vorige plan is volgens de raad gezocht naar een met SBI-code 62 gelijk te stellen SBI-code. De raad stelt dat SBI-code 62 gelijk te stellen is met de in de Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen SBI-code 2008 4677 met de omschrijving ‘overige groothandel in afval en schroot: b.o.>1.000 m2’, die in de VNG-brochure in categorie 3.2 is ingedeeld. Evenwel, uit de milieuvergunning en het verhandelde ter zitting volgt dat [appellante] naast het sorteren van 33.000 ton bouw- en sloopafval, tevens 900.000 ton primaire en secundaire grond- en afvalstoffen mag op- en overslaan per jaar. Niet in geschil is dat dit een bestaande bedrijfsactiviteit betreft. Gelet hierop heeft de raad onvoldoende gemotiveerd dat het sorteren en/of scheiden van bouw- en sloopafval, daarmee vergelijkbaar bedrijfsafval en grof huishoudelijk afval, als belangrijkste en zwaarste bedrijfsactiviteit uit de milieuvergunning dient te worden beschouwd die binnen de inrichting plaatsvindt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de omschrijving ‘overige groothandel in afval en schroot: b.o.>1.000 m2’ niet aansluit bij deze bedrijfsactiviteit, namelijk de op- en overslag van primaire en secundaire grondstoffen.

Ten aanzien van de in de milieuvergunning opgenomen bedrijfsactiviteit het breken en zeven van steenachtige materialen heeft de raad ter zitting toegelicht dat deze activiteit onder het vorige plan niet was toegestaan. [appellante] heeft dit niet bestreden. Ter zitting is komen vast te staan dat de raad heeft beoogd om het breken van puin door middel van een mobiele puinbreker toe te staan in het plan. Evenwel, niet is gebleken dat het plan deze bedrijfsactiviteit toestaat ter plaatse van het perceel aan de [locatie] te Heerjansdam. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat deze bedrijfsactiviteit niet kan worden aangemerkt als een van de activiteiten die in de Staat van Bedrijfsactiviteiten behorende bij de planregels zijn vermeld. Gelet hierop is het plan in zoverre niet in overeenstemming met hetgeen de raad heeft beoogd en ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

5. [appellante] voert aan dat ten onrechte een beperkt bouwvlak is toegekend aan haar perceel aan de [locatie] te Heerjansdam. Zij wenst een groter bouwvlak om mogelijkheden te hebben om in de toekomst te kunnen uitbreiden met inpandige activiteiten. Voorts voert zij aan dat de in artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.2, aanhef en onder e, van de planregels opgenomen bouwhoogte voor overige bouwwerken onnodig beperkend is.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bouwvlak op het perceel aan de [locatie] te Heerjansdam ten opzichte van het vorige plan is verkleind en de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten opzichte van het vorige plan is beperkt. Volgens de raad is beoogd de bestaande bebouwing en het bestaande gebruik, zoals die bij het opstellen van het plan bekend waren, te bestemmen. In dit verband stelt de raad dat ten tijde van het vorige plan geen gebruik is gemaakt van deze bouwmogelijkheden.

5.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.2, onder 5.2.2, aanhef en onder e, van de planregels bedraagt de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 2 m.

5.3. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Blijkens de verbeelding en het verhandelde ter zitting is het bedrijfsgebouw op het perceel aan de [locatie] te Heerjansdam binnen het bouwvlak gelegen. Vaststaat dat [appellante] thans geen concrete plannen heeft om het bedrijfsgebouw uit te breiden. De raad hoefde daarmee bij de vaststelling van het plan dan ook geen rekening te houden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad er in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen om het bouwvlak ten opzichte van het vorige plan te verkleinen tot de omvang van de reeds op het perceel aanwezige bebouwing. Het voorgaande geldt eveneens voor de opgenomen bouwhoogte voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het perceel van [appellante]. Hierbij acht de Afdeling tevens van belang dat [appellante] niet nader heeft onderbouwd welke beperkingen in haar bedrijfsvoering ontstaan als gevolg van de in het plan opgenomen bouwhoogte voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en dat ingevolge artikel 27, lid 27.1, aanhef en onder d, van de planregels bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de regels en kan worden toegestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 m. Deze betogen falen.

6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.2., is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" dat betrekking heeft op het perceel van [appellante] aan de [locatie] te Heerjansdam.

7. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

8. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Zwijndrecht van 19 februari 2013, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" dat betrekking heeft op het perceel aan de [locatie] te Heerjansdam;

III. draagt de raad van de gemeente Zwijndrecht op om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen, voor zover dit is vernietigd, en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Zwijndrecht tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Zwijndrecht aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Lodeweges

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

625.