Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2582

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201302278/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ6775, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en ambtshalve geweigerd krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302278/1/V2.

Datum uitspraak: 16 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 14 februari 2013 in zaak nr. 12/5299 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en ambtshalve geweigerd krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 februari 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. De vreemdeling betoogt in haar verweerschrift dat het hoger beroep van de staatssecretaris niet-ontvankelijk is, omdat het hogerberoepschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 5 april 2011 in zaak nr. 201009274/1/V1), is artikel 69, tweede lid, van de Vw 2000 ook van toepassing op de termijn voor het instellen van hoger beroep. Gelet op dat artikellid geldt in dit geval een termijn voor het instellen van hoger beroep van één week.

2.2. De aangevallen uitspraak is op 15 februari 2013 verzonden. De termijn voor het instellen van hoger beroep is derhalve geëindigd op 22 februari 2013. Het hogerberoepschrift van de staatssecretaris is eerst op 11 maart 2013 bij de Raad van State binnengekomen.

2.3. De staatssecretaris heeft buiten de wettelijke termijn hoger beroep ingesteld. Echter, de rechtbank heeft aan de aangevallen uitspraak een rechtsmiddelenclausule toegevoegd, waarin een termijn voor het instellen van hoger beroep van vier weken is vermeld. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer voormelde uitspraak van 5 april 2011) volgt dat, indien het hoger beroep binnen die termijn van vier weken is ingesteld, redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de appellant in verzuim is geweest. Het betoog van de vreemdeling dat het hoger beroep van de staatssecretaris niet-ontvankelijk is, faalt om die reden.

3. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom het door de vreemdeling afgeven van haar documenten aan haar is toe te rekenen in de zin van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Hiertoe voert de staatssecretaris aan, voor zover thans van belang, dat de rechtbank in de verklaringen van de vreemdeling ten onrechte grond heeft gezien voor het oordeel dat de omstandigheden waaronder zij haar paspoort, identiteitskaart en nationaliteitskaart aan haar reisagent heeft afgegeven, op één lijn zijn te stellen met een situatie van dwang. Volgens de staatssecretaris zijn bedoelde omstandigheden onvoldoende om uit te gaan van een dwangsituatie.

3.1. Aan de aangevallen overweging heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat de vreemdeling heeft verklaard dat zij afhankelijk was van haar reisagent, dat de reisagent haar duidelijk maakte dat zij haar documenten moest afgeven voordat zij in de vrachtwagen stapte en zij hem verder niet kon verstaan, dat hij boos werd op haar en dat het tijdens de reis psychisch en fysiek slecht ging met haar. De rechtbank heeft overwogen dat uit deze verklaringen blijkt dat er tijdens het afgeven van de documenten sprake is geweest van een met dwang op één lijn te stellen situatie van indirecte dwang door intimidatie dan wel bedreiging.

3.2. Uit de door de rechtbank aan haar overweging ten grondslag gelegde verklaringen van de vreemdeling valt niet méér af te leiden dan dat zij zich onder de gestelde omstandigheden onder druk gezet voelde haar documenten aan haar reisagent af te staan. De staatssecretaris betoogt daarom terecht dat de vreemdeling met haar verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van intimidatie dan wel bedreiging om de documenten af te staan of dat de documenten onder fysieke dwang zijn afgegeven. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de omstandigheden waaronder de vreemdeling haar documenten heeft afgegeven, op één lijn zijn te stellen met een situatie van dwang.

De grief slaagt.

4. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij ambtshalve heeft geweigerd krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat, voor zover thans van belang, de rechtbank niet heeft onderkend dat in het advies van Medifirst van 7 februari 2012 niet is vermeld dat de vreemdeling onder behandeling staat of dat zij niet in staat is te reizen. Nu de vreemdeling haar beroep op artikel 64 van de Vw 2000 voorts niet met medische stukken heeft gestaafd, heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris ten onrechte overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij ambtshalve heeft geweigerd te bepalen dat uitzetting achterwege blijft.

4.1. De staatssecretaris voert terecht aan dat in het advies van Medifirst van 7 februari 2012 niet wordt vermeld dat de vreemdeling onder behandeling staat of dat zij niet in staat is te reizen. Gelet hierop heeft de staatssecretaris, zoals hij heeft toegelicht in het in het besluit ingelaste voornemen van 13 februari 2012, in het advies van Medifirst niet ten onrechte geen aanwijzing gezien voor de conclusie dat de vreemdeling gelet op haar medische toestand niet in staat is te reizen. Nu de vreemdeling haar beroep op artikel 64 van de Vw 2000 voorts niet met medische stukken heeft gestaafd, bestaat, mede gelet op het in paragraaf A4/7.2.1.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) neergelegde beleid zoals dat luidde ten tijde van belang, geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat uitzetting van de vreemdeling achterwege blijft.

De grief slaagt.

5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 15 februari 2012 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

6. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris haar originele documenten, waaronder het originele paspoort, niet in redelijkheid noodzakelijk heeft kunnen achten voor de beoordeling van haar asielaanvraag, nu zij haar nationaliteit en identiteit met de door haar overgelegde gelegaliseerde kopieën van documenten al aannemelijk heeft gemaakt.

6.1. Zoals de staatssecretaris in zijn verweerschrift van 17 oktober 2012 terecht heeft betoogd, biedt de omstandigheid dat de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling vaststaan, geen grond voor het oordeel dat hij het paspoort van de vreemdeling niet in redelijkheid noodzakelijk heeft kunnen achten voor de beoordeling van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dat paspoort kan immers andere gegevens bevatten die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De Afdeling heeft in gelijke zin overwogen in haar uitspraak van 14 juni 2012 in zaak nr. 201109920/1/V2.

De beroepsgrond faalt.

7. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris niet in redelijkheid ongeloofwaardig heeft kunnen achten dat de inbraak in haar woning is uitgevoerd door leden van de groepering Ansar Al-Islam die op zoek waren naar haar echtgenoot, en dat die groepering achter het incident in de apotheek zit. Hiertoe voert zij aan dat de staatssecretaris ten onrechte niet bij zijn beoordeling heeft betrokken dat volgens de door haar overgelegde stukken, te weten de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 13 februari 2012 en de daarbij gevoegde bijlagen, samengevat weergegeven, Ansar Al-Islam een zeer radicale gewelddadige anti-westerse groepering is, die actief is in haar gebied van herkomst en het mede voorzien heeft op familieleden van personen die werken voor de overheid of buitenlandse troepen. In aanmerking genomen dat de staatssecretaris wel geloofwaardig acht dat haar echtgenoot voor de veiligheidsdienst en als tolk voor de Amerikanen heeft gewerkt, volgt uit voormelde informatie over Ansar Al-Islam dat aannemelijk is dat die groepering achter de inbraak en het incident in de apotheek zit. In dit verband verwijst de vreemdeling voorts naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van december 2011 (hierna: het ambtsbericht), het landgebonden asielbeleid voor Irak en een rapport van dr. Rebwar Fatah Associates (hierna: het rapport), waaruit volgens haar blijkt dat het beroep dat haar echtgenoot heeft uitgevoerd, een risicoberoep is. Ten slotte betoogt zij dat haar situatie overeenkomt met die waarop de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 september 2010 in zaak nr. 10/15498 betrekking heeft.

7.1. Uit hetgeen hiervoor onder 3.2. en 6.1. is overwogen, volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling toerekenbaar ongedocumenteerd is in de zin van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Gelet hierop moet volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling van de verklaringen van de vreemdeling positieve overtuigingskracht uitgaan om het asielrelaas alsnog geloofwaardig te achten.

7.2. In het besluit van 15 februari 2012 en het daarbij ingelaste voornemen daartoe heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat niet onaannemelijk is dat de echtgenoot van de vreemdeling tot 2008 heeft gewerkt voor de veiligheidsdienst en de Amerikanen, dat er in 2008 in hun huis is ingebroken en dat een gewapende man haar in november 2011 heeft belet een apotheek te verlaten, waarna zij is flauwgevallen. De staatssecretaris heeft zich echter op het standpunt gesteld dat hij ongeloofwaardig acht dat de groepering Ansar Al-Islam achter de inbraak en het incident in de apotheek zit, omdat daarvoor geen concrete aanwijzingen bestaan. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat er voor en na de inbraak geen bedreigingen zijn geuit en het bovendien bij één inbraak is gebleven, zodat niet valt in te zien dat het de inbrekers niet gewoon om de gestolen spullen en het geld te doen is geweest. Verder heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat hij niet geloofwaardig acht dat de groepering Ansar Al-Islam betrokken was bij het incident in de apotheek, nu de vreemdeling nimmer is bedreigd, haar echtgenoot al in 2008 met zijn werkzaamheden is gestopt en haar niets is aangedaan nadat zij was flauwgevallen. In de door de vreemdeling overgelegde stukken over Ansar Al-Islam en de risico's die zijn verbonden aan het werken als tolk heeft de staatssecretaris geen grond gezien voor een ander standpunt, nu die stukken alleen algemene informatie bevatten en niet aan de vreemdeling te relateren zijn.

7.3. De door de vreemdeling aangehaalde uitspraak van 15 september 2010 kan haar niet baten, reeds omdat in de zaak die tot die uitspraak heeft geleid, anders dan in deze zaak, niet in geschil was dat de desbetreffende vreemdeling persoonlijk met de dood was bedreigd, nadat hem werd gevraagd naar zijn vader, die politieagent was.

Volgens het in paragraaf C24/11 van de Vc 2000 neergelegde beleid, ten tijde van belang en voor zover hier relevant, vormt het enkele feit dat de echtgenoot van de vreemdeling werkzaam is geweest in een risicoberoep onvoldoende grond voor de conclusie dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging dan wel onmenselijke behandeling. Reeds daarom kan het betoog dat uit het ambtsbericht en het rapport blijkt dat het voormalige beroep van haar echtgenoot een risicoberoep is, de vreemdeling niet baten. Voorts kan uit de door de vreemdeling overgelegde stukken over Ansar Al-Islam weliswaar worden opgemaakt dat die groepering het in het algemeen onder meer voorzien heeft op familieleden van personen die werken voor de overheid of buitenlandse troepen, maar daaruit volgt niet dat die groepering de aandacht specifiek op de vreemdeling heeft gericht. Gelet hierop en in aanmerking genomen de hiervoor onder 7.2. weergegeven motivering van de staatssecretaris, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht mist.

De beroepsgrond faalt.

8. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris de inhoud van de door haar overgelegde e-mail van haar echtgenoot ten onrechte niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken.

8.1. Nu, zoals de staatssecretaris in het besluit van 15 februari 2012 heeft vermeld, de echtgenoot van de vreemdeling geen objectieve bron is en zij voorts de verklaring van haar echtgenoot niet op enigerlei andere wijze heeft gestaafd, heeft de staatssecretaris aan die verklaring niet ten onrechte niet de door de vreemdeling gewenste waarde toegekend (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2013 in zaak nr. 201106825/1/V2).

De beroepsgrond faalt.

9. Het beroep tegen het besluit van 15 februari 2012 is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 14 februari 2013 in zaak nr. 12/5299;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Bosma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 december 2013

660-753.