Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2576

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201301931/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2011 heeft de Belastingdienst het voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2009 van [wederpartij] herzien op € 1.001 en het teveel betaalde bedrag teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201301931/1/A2.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2013 in zaak nr. 12/4746 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst.

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2011 heeft de Belastingdienst het voorschot kinderopvangtoeslag over het jaar 2009 van [wederpartij] herzien op € 1.001 en het teveel betaalde bedrag teruggevorderd.

Bij besluit van 10 mei 2012 heeft de Belastingdienst het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 januari 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van

10 november 2011 en 10 mei 2012 vernietigd, de Belastingdienst opgedragen om binnen veertien dagen na verzending van deze uitspraak de kinderopvangtoeslag over 2009 van [wederpartij] vast te stellen en een beslissing te nemen op de bezwaren van [wederpartij] tegen de aan haar in rekening gebracht invorderingskosten. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de Belastingdienst voor elke dag dat zij deze besluiten niet tijdig heeft genomen voor elk daarvan een dwangsom verbeurt en heeft de rechtbank de Belastingdienst veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan [wederpartij] van € 1.500. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2013, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer en mevrouw mr. C.L.N.E. Bogaerts, beiden werkzaam bij die dienst, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), met uitzondering van artikel 5, van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien het betreft kinderopvang die plaatsvindt door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚ het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚ de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚ de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Awir wordt een tegemoetkoming op aanvraag toegekend door de Belastingdienst.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, verleent, indien de tegemoetkoming naar verwachting niet binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag zal worden toegekend, de Belastingdienst de belanghebbende een voorschot tot het bedrag, waarop de tegemoetkoming vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Ingevolge het vierde lid kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de betaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. Aan het besluit van 10 mei 2012 heeft de Belastingdienst ten grondslag gelegd dat [wederpartij] geen aanspraak heeft op een voorschot kinderopvangtoeslag voor de opvang die zij gedurende de periode januari tot en met september 2009 heeft genoten via [gastouderbureau], omdat zij geen eigen bijdrage heeft betaald en bij haar derhalve geen kosten voor kinderopvang zijn opgekomen.

3. De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het de Belastingdienst niet vrijstond om het voorschot kinderopvangtoeslag op grond van bij haar reeds beschikbare informatie uit eerdere voorschotprocedures te herzien. De Belastingdienst voert aan dat de rechtbank aldus het bepaalde in artikel 16, vierde lid, van de Awir heeft miskend.

3.1. De kinderopvangtoeslag over 2009 van [wederpartij] was ten tijde van het bij de rechtbank bestreden besluit van 10 mei 2012 nog niet definitief vastgesteld. Artikel 21 van de Awir bepaalt dat de Belastingdienst een toegekende tegemoetkoming kan herzien op grond van feiten of omstandigheden waarvan de Belastingdienst bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming vermoedelijk tot een te hoog bedrag is toegekend. Dit artikel heeft geen betrekking op voorschotten. De rechtbank heeft niet onderkend dat voorschotten kinderopvangtoeslag ingevolge artikel 16, vierde lid, van de Awir steeds kunnen worden herzien, indien niet aan alle voorwaarden voor kinderopvangtoeslag is voldaan.

Het betoog slaagt.

4. De Belastingdienst betoogt voorts dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door de Belastingdienst op te dragen de kinderopvangtoeslag over 2009 van [wederpartij] vast te stellen en een beslissing te nemen op de bezwaren van [wederpartij] tegen de aan haar in rekening gebrachte vorderingskosten. Verder betoogt de Belastingdienst dat de rechtbank ten onrechte een dwangsom heeft opgelegd voor elke dag dat zij deze besluiten niet tijdig heeft genomen en haar ten onrechte heeft veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 1.500 ter vergoeding van door [wederpartij] geleden schade.

4.1. Het geschil bij de rechtbank was beperkt tot de vraag of de Belastingdienst het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen de herziening van het voorschot kinderopvangtoeslag over 2009 en de terugvordering van het teveel betaalde bedrag, terecht ongegrond heeft verklaard. Bij de rechtbank lagen geen beroepen tegen besluiten van de Belastingdienst over de vaststelling van kinderopvangtoeslag over 2009 van [wederpartij] en over aan [wederpartij] in rekening gebrachte invorderingskosten ter beoordeling voor. Evenmin lag bij de rechtbank een beroep als bedoeld in artikel 8:55b van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, en een verzoek als bedoeld in artikel 8:55c van de Awb, om bij gegrondverklaring daarvan de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen, ter beoordeling voor. Ook lag bij de rechtbank geen verzoek om vergoeding van door [wederpartij] geleden schade ter beoordeling voor.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank, door de Belastingdienst op te dragen binnen veertien dagen na de dag van de verzending van de uitspraak de kinderopvangtoeslag over 2009 van [wederpartij] vast te stellen en een beslissing te nemen op de bezwaren tegen de aan haar in rekening gebrachte vorderingskosten en voorts, door te bepalen dat de Belastingdienst voor elke dag dat zij deze besluiten niet tijdig heeft genomen een dwangsom verbeurt en door de Belastingdienst te veroordelen tot het betalen € 1.500 ter vergoeding van door [wederpartij] geleden schade, in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb buiten de omvang van het geschil is getreden.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

6. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 10 mei 2012 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden.

7. [wederpartij] betoogt in beroep dat de Belastingdienst zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij geen aanspraak maakt op een voorschot kinderopvangtoeslag voor de opvang die zij gedurende de periode januari tot en met september 2009 via [gastouderbureau] heeft genoten, omdat zij geen eigen bijdrage heeft betaald. Zij voert aan dat de Belastingdienst heeft miskend dat het gestelde vereiste van het betalen van een eigen bijdrage niet is neergelegd in de Wko. Voorts voert [wederpartij] aan dat zij bemiddelingskosten aan het gastouderbureau heeft betaald, dat zij maandelijks een contant bedrag van € 50,00 aan de gastouders heeft betaald en op 19 januari 2012 nog een aanvullend bedrag naar hen heeft overgemaakt. Zij stelt verder dat opmerkelijk is dat de Belastingdienst haar voor de periode van oktober tot en met december 2009 wel een voorschot heeft toegekend.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 201010918/1/H2), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat op degene die kinderopvangtoeslag ontvangt, de last rust aan te tonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte is van deze kosten. De Belastingdienst mocht [wederpartij] dan ook om gegevens vragen waaruit blijkt welke bedragen zij aan de gastouders heeft betaald.

7.2. Bij brief van 19 augustus 2011 heeft [wederpartij] desgevraagd aan de Belastingdienst rekeningafschriften en een jaaropgaaf van [gastouderbureau] overgelegd, ten bewijze van haar stelling dat bij haar kosten voor kinderopvang zijn opgekomen over de periode dat zij gebruik maakte van de diensten van dit gastouderbureau. Volgens de jaaropgaaf heeft zij voor de periode januari tot en met september 2009 € 652,12 betaald voor begeleidingskosten van het gastouderbureau en € 2.690,68 opvangkosten gemaakt.

[wederpartij] heeft de bij haar opgekomen opvangkosten evenwel niet met betaalbewijzen aannemelijk kunnen maken. De enkele stelling dat zij voor de kinderopvang € 50,00 per maand contant aan de gastouders heeft betaald, is niet voldoende.

In zoverre [wederpartij] later nog een aanvullend bedrag aan de gastouders heeft betaald, wordt het volgende overwogen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 juli 2013 in zaak nr. 201209632/1/A2) brengen doel en strekking van de regeling van het toekennen van kinderopvangtoeslag en het belang van controle op een juiste besteding van overheidsgelden met zich dat de verschuldigde kosten voor kinderopvang om tot toekenning van toeslag te kunnen leiden ten tijde van die opvang of uiterlijk kort daarna daadwerkelijk moeten worden voldaan. In dit geval heeft [wederpartij] op 19 januari 2012 een bedrag van € 409,70 aan de gastouders overgemaakt, naar gesteld, ter vergoeding van de in 2009 genoten kinderopvang, nadat haar was gebleken dat de kosten daadwerkelijk aan de gastouder dienden te worden betaald om tot toekenning van de toeslag te kunnen leiden. Daargelaten binnen welke termijn de betaling van de verschuldigde kosten exact dient te geschieden, is betaling op 19 januari 2012 van het bedrag voor het toeslagjaar 2009 te laat om aan dit toeslagjaar te kunnen worden toegerekend.

Nu [wederpartij] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een eigen bijdrage heeft betaald en dat bij haar derhalve kosten voor kinderopvang over de periode januari tot en met september 2009 zijn opgekomen, biedt het betoog van [wederpartij] geen grond voor het oordeel dat de Belastingdienst zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij voor die periode geen aanspraak maakt op een voorschot kinderopvangtoeslag. Dat [wederpartij] over de periode oktober tot en met december 2009 wel een voorschot heeft gekregen, maakt dat niet anders.

Het betoog faalt derhalve.

8. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 10 mei 2012 ongegrond verklaren.

9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2013 in zaak nr. 12/4746, behoudens voor zover de rechtbank de Belastingdienst heeft opgedragen aan [wederpartij] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 42,00 (zegge: tweeënveertig euro) voor de behandeling van het beroep te vergoeden;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak door [wederpartij] ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. Larsson-van Reijsen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

344.