Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2572

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201301339/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 december 2011 heeft de Belastingdienst de definitief toegekende kinderopvangtoeslag van [appellante] over het jaar 2008 herzien en gewijzigd vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201301339/1/A2.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 december 2012 in zaak nr. 12-4269 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 28 december 2011 heeft de Belastingdienst de definitief toegekende kinderopvangtoeslag van [appellante] over het jaar 2008 herzien en gewijzigd vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 5 mei 2012 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 27 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2013, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de Belastingdienst, zijn verschenen. Verder is [getuige] als getuige gehoord.

Overwegingen

1. Bij het besluit van 5 mei 2012 heeft de Belastingdienst het door [appellante] tegen het besluit van 28 december 2011 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat [appellante] niet tijdig bezwaar heeft gemaakt en niet is gebleken van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat haar bezwaar tegen het besluit van 28 december 2011 door de Belastingdienst terecht niet-ontvankelijk is verklaard, aangezien zij haar bezwaarschrift tijdig ter post heeft bezorgd.

2.1. De enkele stelling dat een bezwaarschrift ter post is bezorgd of is afgegeven, in een geval waarin het bestuursorgaan het geschrift stelt niet te hebben ontvangen, is onvoldoende om aan te nemen dat het bezwaarschrift is verzonden. Het is in dat geval aan belanghebbende aannemelijk te maken dat hij het geschrift tijdig ter post heeft bezorgd dan wel heeft afgegeven, bijvoorbeeld aan de hand van verklaringen van getuigen.

[appellante] heeft ter zitting bij de rechtbank een schriftelijke verklaring van haar vriendin, [getuige], en de vader van [getuige], [vader], overgelegd. [getuige] en [vader] verklaren hierin het bezwaarschrift voor [appellante] te hebben opgesteld aan de hand van de door haar verstrekte stukken. Zij verklaren hierin verder dat het bezwaarschrift na ondertekening door [appellante] op 2 februari 2012 per post is verzonden naar de Belastingdienst. De door [getuige] ter zitting bij de Afdeling onder ede afgelegde verklaring geeft een nadere concretisering van de terpostbezorging van het bezwaarschrift van [appellante]. Die verklaring is in lijn met de in beroep overgelegde schriftelijke verklaring. Met deze verklaring heeft [appellante] aannemelijk gemaakt dat zij al bij brief van 2 februari 2012 en derhalve tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van de Belastingdienst van 28 december 2011.

Het betoog slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de Belastingdienst van 5 mei 2012 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 6:9, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De Belastingdienst dient een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 december 2012 in zaak nr. 12-4269;

III. verklaart het door [appellante] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 5 mei 2012, kenmerk 1303 95 869;

V. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

85-735.