Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2562

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201300114/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Therapieboerderij, [locatie A]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201300114/1/R3.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert,

en

de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Therapieboerderij, [locatie A]" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en [partij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. Y.G.P. Vos van Bergs Advies en ing. P.S.J. van Lier, en de raad, vertegenwoordigd door C.C. Oomens en D.M.E.F.L. van Hoof-Pijnenburg, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de realisering van een zogeheten therapieboerderij aan de [locatie A], met een wellness-en activiteitencentrum, vier huisjes en een minicamping met zes plaatsen voor het verblijf van cliënten en/of hun familieleden, een stal en een rijhal.

3. [partij] heeft ter zitting betoogd dat [appellant] niet langer als belanghebbende kan worden aangemerkt, omdat hij zijn bedrijf aan de [locatie B] heeft verkocht en de verkoop op korte termijn zal worden geëffectueerd.

Vast staat dat [appellant] ten tijde van het instellen van het beroep belanghebbende was bij de beoordeling van het bestreden besluit. Voorts is ter zitting komen vast te staan dat het bedrijf is verkocht als intensieve veehouderij en dat het bedrijf in beginsel ook als zodanig zal worden voortgezet door de koper. De Afdeling ziet reeds hierom geen aanleiding het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

[partij] heeft ter zitting tevens betoogd dat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit, omdat de door [appellant] ingeroepen regels of beginselen niet strekken tot bescherming van diens belangen. Nu de bekendmaking van het bestreden besluit dateert van voor de inwerkingtreding op 1 januari 2013 van artikel 8:69a van de Awb is dit artikel hierop echter niet van toepassing.

4. [appellant], die een intensieve veehouderij exploiteert op het perceel [locatie B], kan zich niet met het plan verenigen en voert onder meer aan dat niet duidelijk is of terecht de Ruimte-voor-ruimteregeling (hierna: RvR-regeling) is toegepast, omdat de varkenshouderij aan de [locatie A] al geruime tijd niet meer in werking is en de ruimtelijke kwaliteitswinst ten gevolge van het plan marginaal is.

Hij vreest dat het plan tot belemmering van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van zijn veehouderij zal leiden. Hij betoogt daartoe onder meer dat geen goed woon- en leefklimaat kan worden verzekerd bij de wellnessruimten en de huisjes, nu zich daar mogelijk geuroverlast van zijn veehouderij zal voordoen. Hetzelfde geldt volgens hem voor het verblijfs- en werkklimaat in de stal en de rijhal.

Hij heeft tevens aangevoerd dat de locatie van de verschillende gebouwen en aard en omvang van de activiteiten op het terrein niet duidelijk in het plan zijn vastgelegd. Ook is zijns inziens het aantal bezoekers in het plan niet gelimiteerd en is ten onrechte geen maximum verbonden aan het aantal te houden dieren. Het plan is naar zijn mening, gelet op de soortgelijke initiatieven in de omgeving en het beperkte aantal inwoners van Mill, voorts niet realistisch en derhalve economisch niet uitvoerbaar.

Volgens [appellant] zijn de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde onderzoeken betreffende geluid, luchtkwaliteit en parkeerbehoefte ontoereikend, nu onduidelijk is waarop de daarbij gehanteerde bezoekersaantallen zijn gebaseerd.

Ten slotte heeft hij naar voren gebracht dat niet is onderzocht of de ammoniakemissie van de bij de boerderij te houden dieren geen onevenredige nadelige effecten zal veroorzaken op de EHS of andere natuurgebieden en of wordt voldaan aan de vergunningplicht van artikel 16 en artikel 19d van de Natuurbeschermingswet.

5. In de plantoelichting staat dat op het perceel [locatie A] een agrarisch bedrijf is gevestigd, bestaande uit een intensieve veehouderij met 2.600 varkenseenheden en een akkerbouwbedrijf van 15 hectare. Tevens is een therapeutische praktijk aanwezig in de woning op het perceel, waar ongeveer 80 cliënten per week worden ontvangen. Het huidige intensieve veehouderijbedrijf wordt volgens de plantoelichting gesaneerd door deel te nemen aan de RvR-regeling. In dit verband wordt in de plantoelichting verwezen naar artikel 11.3 "Nadere regels inzake ruimte voor ruimtekavels" van de provinciale Verordening en de Beleidsregels ruimte voor ruimte 2006.

Voorts wordt volgens de plantoelichting in het kader van de RvR-regeling binnen het plangebied 6.000 m² aan bedrijfsgebouwen, die ten dienste staan van de intensieve veehouderij, gesloopt. Daarnaast wordt er milieuwinst behaald doordat de initiatiefnemer 21.000 kg fosfaat uit de markt neemt, de milieuvergunning voor de activiteiten van de intensieve veehouderij wordt ingetrokken en slechts de akkerbouwactiviteiten zullen worden voortgezet. In totaal zal ongeveer 2.800 m² aan nieuwe gebouwen worden gerealiseerd ten behoeve van de therapieboerderij.

Met de sanering van het intensieve veehouderijbedrijf en de herbestemming tot therapieboerderij, wordt invulling gegeven aan een breder georiënteerde plattelandseconomie waarbij de landbouw, zij het ondergeschikt, een belangrijk en onmisbaar deel uitmaakt van het therapeutisch centrum. Deze nieuwe combinatie tussen therapie en landbouw in combinatie met een landschappelijke versterking rondom het erf draagt tevens bij aan de ambities van gebiedsontwikkelingen binnen de Peelhorst, aldus de plantoelichting.

5.1. Ingevolge artikel 3, twaalfde lid, van de Beleidsregel ruimte voor ruimte 2006 (hierna: de Beleidsregel) is een slooplocatie de plaats waar de te slopen of gesloopte bedrijfsgebouwen van de te beëindigen of beëindigde intensieve veehouderij zich bevinden of bevonden.

Ingevolge artikel 3, veertiende lid, voor zover thans van belang, is herbestemming in het geval van een volledige beëindiging van alle agrarische activiteiten op de slooplocatie, de omzetting van de oude bestemming die het agrarisch gebruik van het perceel regelt naar een andere bij de omgeving passende bestemming.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, voor zover thans van belang, geldt bij de aanvraag de eis dat op de slooplocatie een passende herbestemming wordt gelegd ter voorkoming van ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen.

Volgens de toelichting op artikel 8 van de Beleidsregel is het op het moment dat een aanvraag wordt ingediend voor ruimte voor ruimte noodzakelijk dat er geen herbouw van nieuwe bedrijfsopstallen kan plaatsvinden. De regeling ruimte voor ruimte heeft een ontsteningsdoelstelling en is nadrukkelijk geen herinvesteringssubsidie. In beginsel kan er maximaal 200 m² aan bijgebouwen blijven staan.

5.2. Ter zitting heeft de raad verklaard dat met het plan is beoogd om sanering van de op de [locatie A] gevestigde veehouderij mogelijk te maken, dat [partij] in ruil daarvoor elders zes RvR-woningen mag realiseren en dat de vraag of in alle opzichten is voldaan aan de RvR-regeling een provinciale aangelegenheid is waar de gemeente buiten staat. In het kader van de planvorming is beoogd bij het onderdeel van de RvR-regeling aan te sluiten dat ziet op de passende herbestemming, aldus de raad.

5.3. Niet in geschil is dat op grond van het vorige bestemmingsplan op het perceel aan de [locatie A] een agrarische bestemming rust met de aanduiding "intensieve veehouderij" en dat hiervoor de benodigde milieuvergunningen zijn verleend. Niet is gebleken dat deze vergunningen zijn ingetrokken. De raad heeft er bij de planvorming dan ook van mogen uitgaan dat op het perceel een intensieve veehouderij was toegestaan. Het feit dat ten tijde van het bestreden besluit ter plaatse geen veehouderij meer in werking was, doet daaraan niet af.

Uit de plantoelichting en het verhandelde ter zitting blijkt dat het plan is ontwikkeld in het kader van de RvR-regeling. Het feit dat het plan zelf niet voorziet in RvR-woningen doet daaraan niet af. De raad heeft met de planvorming willen aansluiten bij de passende herbestemming van de slooplocatie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Beleidsregel.

Vast staat dat in totaal ongeveer 2.800 m² aan nieuwe gebouwen zal worden gerealiseerd ten behoeve van de therapieboerderij. Hiermee wordt voorzien in herbouw van bedrijfsgebouwen op de slooplocatie. De Afdeling acht onvoldoende onderbouwd hoe een bestemming die voorziet in nieuwe bedrijfsgebouwen ten behoeve van het vestigen van een bedrijf op de slooplocatie kan worden aangemerkt als een passende herbestemming als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Beleidsregel. De omstandigheid dat, naar de raad ter zitting heeft verklaard, ambtenaren van de provincie hebben laten weten dat van de zijde van de provincie geen bezwaren bestaan tegen het plan, is daartoe een onvoldoende onderbouwing.

De Afdeling betrekt daarbij tevens dat niet is gebleken dat de raad zich bij de planvorming rekenschap heeft gegeven van het feit dat in de gemeente mogelijk tevens ruimte dient te worden gereserveerd voor de realisering van zes RvR-woningen. Volgens de Beleidsregel dient per RvR-woning te worden aangetoond dat ten minste 1.000 m² agrarische bedrijfsbebouwing is gesloopt. Dit zou betekenen dat na aftrek van 2.800 m² van 6.000 m², voor de zes RvR-woningen, nog slechts drie woningen zouden zijn toegestaan.

Het bestreden besluit berust, gelet hierop, in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.

6. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) wordt in deze wet onder een geurgevoelig object verstaan een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of [op] een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, wordt een omgevingsvergunning voor een veehouderij geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odourunits per kubieke meter lucht (hierna: ou/m³).

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, minimaal 50 m indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de waarde, genoemd in artikel 3, eerste lid, met dien verstande dat deze andere waarde binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 3,0 ou/m³ en niet meer dan 35,0 ou/m³.

6.1. Niet in geschil is dat het plangebied en de directe omgeving daarvan in een concentratiegebied liggen als bedoeld in artikel 1 van de Wgv.

6.2. De raad heeft bij besluit van 13 december 2007 de gemeentelijke "Verordening geurhinder en veehouderij" voor de gemeente Mill en Sint Hubert (hierna: Geurverordening) vastgesteld. Daaraan ligt ten grondslag de Geurgebiedsvisie van 6 november 2007, bevattende de uitkomsten van een onderzoek naar passende normen voor de geurbelasting. In de Geurverordening is de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij voor geurgevoelige objecten in het buitengebied van de gemeente op 12,0 ou/m³ en is de minimale afstand van een veehouderij tot een geurgevoelig object in het buitengebied op 50 m vastgesteld. Voorts is in de Geurverordening in overeenstemming met artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wgv bepaald dat de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, eveneens minimaal 50 m moet bedragen.

6.3. In het op 22 juni 2011 uitgebrachte geurrapport, dat in opdracht van de raad is opgesteld door G&O Consult (hierna: het geurrapport), zijn de geurcontour die hoort bij een geurbelasting van 12 ou/m³ vanwege het bedrijf van [appellant] en de contour voor de afstand van 50 m vanaf de perceelsgrens van het bedrijf weergegeven.

6.4. Binnen die 50 m-contour, aan de westzijde van het plangebied, zijn de stal en de rijhal geprojecteerd. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de stal en de rijhal geen geurgevoelige objecten zijn als bedoeld in artikel 1 van de Wgv en mitsdien niet bij de beoordeling van de geurbelasting van de veehouderij aan de [locatie B] behoeven te worden betrokken.

Vast staat dat in de stal koeien en paarden worden gehouden die kunnen worden gebruikt in het kader van de therapeutische begeleiding van cliënten. Volgens verklaringen van de raad en [partij] ter zitting zullen in de stal hooguit twee- à driemaal per dag enkele personen korte tijd aanwezig zijn om de dieren te voeren en zal in de rijhal aan een tiental cliënten per dag gedurende twintig minuten therapie worden gegeven.

In deze gebouwen zal derhalve niet langdurig door een persoon worden verbleven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 februari 2013, zaak nr. 20111498/1/R4, volgt uit de wetsgeschiedenis en met name uit het aannemen van het amendement van Van der Vlies c.s, waarmee is besloten de term ‘regelmatig’ uit de begripsomschrijving van het begrip geurgevoelig object weg te laten (Kamerstukken II 2005/06 30 453, nr.19), dat de Wgv, gelet op de begripsomschrijving van een geurgevoelig object, alleen bescherming biedt aan personen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder in gebouwen. Nu, zoals hiervoor is overwogen, aangenomen moet worden dat niet langdurig in de gebouwen zal worden verbleven, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de stal, noch de rijhal kunnen worden beschouwd als geurgevoelig object in de zin van de Wgv. De raad heeft deze derhalve bij de beoordeling van de geursituatie terecht buiten beschouwing gelaten.

6.5. Volgens het geurrapport liggen de bestaande boerderij, de in het plan mogelijk gemaakte verblijfshuisjes en het wellness- en activiteitencentrum buiten de contour van 50 m gemeten vanaf de perceelsgrens van het bedrijf van [appellant]. Dit betekent dat voor die plandelen wordt voldaan aan de afstandsnorm op grond van de Geurverordening.

Uit het geurrapport blijkt evenwel dat de voorgrondbelasting ten gevolge van het bedrijf van [appellant] ter plaatse van de in het plan voorziene, twee meest westelijk gelegen huisjes op het terrein meer dan 12 ou/m³ is. Deze voorgrondbelasting is maatgevend geacht, uitgaande van de vuistregel dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder indien deze tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Aldus wordt de op grond van de Geurverordening maximaal toegelaten geurbelasting op deze locatie overschreden.

6.6. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 7 oktober 2009, zaak nr. 200900801/1/R3, heeft overwogen, volgt uit het feit dat de voor veehouderijen toepasselijke norm wordt overschreden niet zonder meer dat ter plaatse geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit zal evenwel voldoende moeten worden gemotiveerd.

De raad heeft ten onrechte aangenomen dat, ondanks de overschrijding, volgens de geurgebiedsvisie sprake is van een acceptabel geurniveau, waarmee een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. De tabel in de geurgebiedsvisie, waarnaar de raad op dit punt mogelijk verwijst, heeft alleen betrekking op de achtergrondbelasting.

In het geurrapport zijn - kennelijk in navolging van tabel B van bijlage 6 van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij - de percentages geurgehinderden bij de twee huisjes vastgesteld op respectievelijk 24% en 23%. Bij een dergelijk percentage geurgehinderden is volgens bijlage 7 van de Handreiking het geurniveau, anders dan de raad heeft aangenomen, tamelijk slecht.

Voor zover de raad zich ter zitting subsidiair op het standpunt heeft gesteld dat een geurbelasting van meer dan 12 ou/m³ moet worden afgerond op 12 ou/m³ en dat eerst bij 13 ou/m³ overschrijding van de norm van 12 ou/m³ ontstaat, overweegt de Afdeling dat voor dit standpunt noch in de Handreiking, noch ook elders aanknopingspunten kunnen worden gevonden.

Gelet op het voorgaande heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt waarom ter plaatse van de twee meest westelijk gelegen huisjes een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd. Het bestreden besluit berust, gelet hierop, ook in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Ook dit betoog slaagt.

6.7. Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat in het plan een voldoende afbakening van de bebouwing en de activiteiten ter plaatse ontbreekt, overweegt de Afdeling dat aan het desbetreffende perceel in het plan de bestemmingen "Maatschappelijk" en "Natuur" zijn toegekend, alsmede verscheidene specifieke functieaanduidingen binnen de bestemming "Maatschappelijk", onder meer "loods", "rijhal", "stal" en "verblijfshuisjes".

Anders dan [appellant] stelt, is de locatie van de minicamping weergegeven op de bij het plan behorende bijlage "Inrichtingsschets Therapieboerderij [locatie A]" aan de oostzijde van het plangebied. Binnen het bestemmingsvlak gelden voorts verschillende differentiatievlakken. In artikel 3, lid 3.1, van de planregels is de omvang van de binnen die vlakken op te richten bebouwing aangegeven.

In lid 3.2 is bepaald dat gebouwen slechts mogen worden gebouwd indien de landschappelijke inpassing van de locatie is gerealiseerd conform de bijlage bij het bestemmingsplan "Inrichtingschets Therapieboerderij [locatie A]". Op deze schets is de beplanting van het terrein rond de locaties van de gebouwen aangegeven. De Afdeling is met de raad van oordeel dat aldus in de planregels, in samenhang met de aanduidingen op de verbeelding, de in het plan toegestane bebouwing en de locatie daarvan voldoende zijn begrensd.

Onder therapieboerderij wordt ingevolge artikel 1 van de planregels verstaan: een bedrijf waar patiënten worden behandeld op basis van paramedische en alternatieve geneeswijzen en waarbij gebruik wordt gemaakt van voorzieningen zoals een dierenstal, een welnesscentrum en verblijfshuisjes, die ten dienste staan van en ondergeschikt zijn aan deze behandelingen.

De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat door het samenstel van planregels in voldoende mate is verzekerd dat het plan uitsluitend strekt tot het mogelijk maken van persoonlijke dienstverlening van paramedische aard binnen de bestemming "Maatschappelijk" en dat gebruik van de verschillende gebouwen en faciliteiten op het terrein voor zelfstandige commerciële exploitatie niet is toegestaan. De raad heeft voorts in redelijkheid van maximering van het aantal te behandelen cliënten kunnen afzien, reeds omdat ter zake al grenzen worden opgelegd door de maatvoering van het plan. Gezien de functie van de dieren, als onderdeel van therapeutische behandelingen, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat in het plan een limitering van het aantal dieren had moeten worden opgenomen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er bij de vaststelling van het plan bovendien in redelijkheid van kunnen uitgaan dat binnen de planperiode voldoende behoefte aan de therapeutische faciliteiten in kwestie zal bestaan. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de cliënten van de therapeutische boerderij niet slechts uit Mill zelf zullen komen maar ook uit een groter gebied. Het betoog faalt.

7. In opdracht van de raad zijn onderzoeken uitgevoerd naar de van het plan te verwachten mate van geluid, verkeer- en parkeeroverlast, en aantasting van de luchtkwaliteit. In het parkeer- en verkeersonderzoek en het onderzoek naar de luchtkwaliteit is uitgegaan van 150 bezoekers per week. Volgens de toelichting kan worden volstaan met 20 parkeerplaatsen. Deze aantallen zijn volgens de stukken en het verhandelde ter zitting afgeleid uit de bestaande therapiepraktijk, die een bezoek van ongeveer 80 cliënten per week genereert. In verband met de voorziene verruiming van de behandelmogelijkheden is bij de planvorming van bijna een verdubbeling van het aantal wekelijkse cliënten uitgegaan. De Afdeling acht deze uitgangspunten niet onredelijk. In de akoestische onderzoeken is weliswaar uitgegaan van een geringer aantal bezoekers dan 150, maar de Afdeling acht dit verschil niet zodanig dat de raad die onderzoeken niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. De Afdeling acht voorts niet aannemelijk dat binnen het plangebied niet in voldoende parkeergelegenheid zal kunnen worden voorzien. [appellant] heeft de onderzoeken wat betreft de overige door hem genoemde aspecten niet met feiten en omstandigheden onderbouwd weerlegd. Dit betoog faalt.

8. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over de effecten van de ammoniakemissie van de bij de therapieboerderij te houden dieren kan ten slotte evenmin slagen. Vast staat dat het plangebied zich niet in of in de directe omgeving van een beschermd natuurmonument of een Natura 2000-gebied bevindt. De door hem aangehaalde artikelen van de Natuurbeschermingswet zijn hier derhalve niet aan de orde. Het plangebied grenst aan de zuidkant aan een bos dat tot de EHS behoort. Ontoelaatbare effecten op dit gebied hoeven naar het oordeel van de Afdeling niet te worden verwacht, waarbij mede moet worden betrokken dat de ammoniakemissie die daarop ten gevolge van het voorheen voor de locatie aan de [locatie B] geldende planologische regime werd veroorzaakt, vele malen groter was.

9. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

10. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert van 27 september 2012;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 997,44 (zegge: negenhonderdzevenennegentig euro en vierenveertig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Zijlstra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

240.