Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2554

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201210970/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2012:BY0323, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2011 heeft het dagelijks bestuur [appellant sub 1] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast de bouwwerkzaamheden op het perceel [locatie A] te Kortgene te staken, voor zover wordt gebouwd op een waterstaatswerk zonder dat daarvoor een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a, van de Keur van de Zeeuwse Eilanden 2009 (hierna: de Keur 2009).

Wetsverwijzingen
Waterwet
Waterwet 5.1
Waterschapswet
Waterschapswet 78
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2014/54 met annotatie van P. Jong
AB 2014/72

Uitspraak

201210970/1/A4.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellanten sub 1], beide wonend te Kortgene (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. het dagelijks bestuur van het Waterschap Scheldestromen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 oktober 2012 in zaak nr. 12/1780 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het dagelijks bestuur.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2011 heeft het dagelijks bestuur [appellant sub 1] onder oplegging van een last onder dwangsom gelast de bouwwerkzaamheden op het perceel [locatie A] te Kortgene te staken, voor zover wordt gebouwd op een waterstaatswerk zonder dat daarvoor een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a, van de Keur van de Zeeuwse Eilanden 2009 (hierna: de Keur 2009).

Bij besluit van 28 februari 2012 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 28 februari 2012 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 5 oktober 2011 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en het dagelijks bestuur hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] en het dagelijks bestuur hebben een verweerschrift ingediend.

Het dagelijks bestuur heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 september 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. R.Th.J. van ‘t Zelfde, advocaat te Breda, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. L.C. Meijers,

ing. R. de Nood, drs. J. Minderhoud en ing. D.H. van Cranenburgh, werkzaam bij het Waterschap Scheldestromen, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder g, van de Keur 2009 wordt in deze keur en de daarop berustende bepalingen onder legger verstaan: als bedoeld in artikel 5.1 van de wet of in artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder s, wordt in deze keur en de daarop berustende bepalingen onder waterkering verstaan: kunstmatige hoogte, (gedeelten van) natuurlijke hoogten of hoge gronden met ondersteunende kunstwerken die een waterkerende of mede een waterkerende functie hebben.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder u, wordt in deze keur en de daarop berustende bepalingen onder waterstaatswerk verstaan: oppervlaktewaterlichaam, waterkering, ondersteunend kunstwerk en bijbehorende onderhoudsstrook, dat als zodanig in de legger is aangegeven, tenzij dat werk is vrijgesteld van de opneming in de legger als bedoeld in artikel 5.1 van de wet.

Ingevolge artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk, niet zijnde een oppervlaktewaterlichaam, door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven of daaronder werkzaamheden te verrichten.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, wordt voor waterstaatswerken waarvoor krachtens artikel 5.1 van de wet en de verordening vaststelling van de legger is voorgeschreven, maar waarvan vaststelling nog niet heeft plaatsgehad, op een kaart aangegeven:

a. de ligging en indien mogelijk vorm en afmetingen van de betrokken waterstaatswerken;

b. de bij deze waterstaatswerken behorende beschermingszones;

c. de strook van de beschermingszone als bedoeld in artikel 17, achtste lid;

d. de profielen van de vrije ruimte.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, wordt de in het eerste lid bedoelde kaart voor de toepassing van de bepalingen in deze keur als legger aangemerkt.

Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, van de Waterwet draagt de beheerder zorg voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. Van de legger maakt deel uit een overzichtskaart, waarop de ligging van waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones staat aangegeven.

Besluit tot handhavend optreden

2. Bij besluit van 14 juni 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland aan [appellant sub 1] een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en uitbreiden van zijn woning op het perceel [locatie A] te Kortgene. Het bouwplan voorziet onder meer in het realiseren van een aanbouw.

Bij besluit van 26 september 2011 heeft het dagelijks bestuur geweigerd aan [appellant sub 1] een vergunning te verlenen als bedoeld in artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a, van de Keur 2009 voor het uitbreiden en verbouwen van zijn woning. Op 5 oktober 2011 is geconstateerd dat [appellant sub 1] bouwwerkzaamheden verrichtte. Bij het besluit van diezelfde datum heeft het dagelijks bestuur [appellant sub 1] gelast de bouwwerkzaamheden te staken, omdat volgens het dagelijks bestuur de aanbouw deels is voorzien op een waterstaatswerk en voor het bouwen daarop ingevolge artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a, van de Keur 2009 een vergunning is vereist.

Oordeel rechtbank

3. Niet in geschil is dat achter de woning van [appellant sub 1] een dijk is gelegen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur terecht heeft overwogen dat deze dijk een waterkering is en op de Legger primaire waterkeringen van het waterschap Zeeuwse Eilanden van 20 oktober 2005 (hierna: de Legger) is weergegeven en daarom ingevolge artikel 1, aanhef en onder u, van de Keur 2009 een waterstaatswerk is. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het waterstaatswerk begint bij de helling dan wel de teen van de waterkering en dat niet blijkt dat [appellant sub 1] op de helling heeft gebouwd. De marge van 2 m, waar het dagelijks bestuur naar heeft verwezen, is volgens de rechtbank niet op de Legger weergegeven. Die marge staat wel op de Keurkaart (blad 05) behorende bij de Keur 2009. Het dagelijks bestuur heeft weliswaar gesteld dat de kaarten behorende bij de Keur 2009 worden geacht de kaarten van de Legger te hebben vervangen, maar dit is niet geformaliseerd door middel van een besluit of bekendmaking, aldus de rechtbank. Nu voor de toepassing van artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder u, van de Keur 2009 naar de Legger wordt verwezen, kan volgens de rechtbank aan de Keurkaart (blad 05) geen juridische betekenis worden toegekend. Derhalve houdt het waterstaatswerk op bij de helling dan wel de teen van de waterkering, is niet gebouwd op een waterstaatswerk en was het college niet bevoegd tot handhavend optreden, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep van [appellant sub 1]

4. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de dijk achter zijn woning geen waterstaatswerk is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder u, van de Keur 2009, zodat reeds daarom geen vergunning als bedoeld in artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a, van die Keur vereist is. Hiertoe stelt hij dat het dagelijks bestuur ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom niet beschikte over een legger als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder g, van de Keur 2009. Volgens hem behoort de Legger, waarnaar het dagelijks bestuur heeft verwezen en waarop de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd, niet bij de Keur 2009, omdat daarin artikel 13 van de Wet op de waterkering als wettelijke grondslag is vermeld. Die wet is vervallen en in de Keur 2009 wordt uitgegaan van een legger als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet. Voorts stelt [appellant sub 1] in dit verband dat in de toelichting bij de Keur 2009 is vermeld dat die in de plaats is gekomen van de Keur waterschap Zeeuwse Eilanden 2007. Ervan uitgaande dat de Legger al behoort bij een Keur, dan is dat die uit 2007, aldus [appellant sub 1]. Die keur is vervallen, zodat een daarbij behorende legger eveneens is vervallen. Hij betoogt verder dat uit artikel 29, eerste lid, van de Keur 2009 is af te leiden dat de omstandigheid dat het dagelijks bestuur Keurkaart (blad 05) bij de Keur 2009 heeft vastgesteld betekent dat er geen legger was als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder g, van de Keur 2009.

4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Legger moet worden beschouwd als een legger in de zin van artikel 1, aanhef en onder g, van de Keur 2009. [appellant sub 1] heeft in dit verband tevergeefs gesteld dat in de Legger artikel 13 van de Wet op de waterkering als wettelijke grondslag is genoemd, dat die wet per 22 december 2009 is vervallen en de Legger daarom ook is vervallen. In artikel 2.14, derde lid, van de Invoeringswet Waterwet is bepaald dat een legger, overzichtskaart of beheersregister met betrekking tot een primaire waterkering, vastgesteld overeenkomstig artikel 13 van de Wet op de waterkering, wordt gelijkgesteld met een legger, overzichtskaart of beheersregister als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet, zodat voldaan wordt aan artikel 1, aanhef en onder g, van de Keur 2009.

Wat betreft de stelling van [appellant sub 1] dat de Legger zou zijn vervallen met het vervallen van de Keur 2007 geldt dat ingevolge artikel 10 van de Verordening op de waterkering provincie Zeeland (oud) een legger op een ander tijdstip kan worden vastgesteld dan de keur. In de legger worden de zones aangegeven waarop de verbodsbepalingen van de op dat moment geldende keur van toepassing zijn. Het is dan ook, zoals het dagelijks bestuur terecht naar voren heeft gebracht, mogelijk dat een keur wordt gewijzigd terwijl een legger ongewijzigd gehandhaafd blijft.

De rechtbank is [appellant sub 1] voorts terecht niet gevolgd in zijn betoog dat ten tijde van de vaststelling van de Keur 2009 geen legger bestond als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder g, van de Waterwet, omdat de bij die keur behorende Keurkaart (blad 05) niets anders kan zijn dan de kaart als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Keur 2009. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat die bepaling uitsluitend van toepassing is wanneer vaststelling van een legger, als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet nog niet heeft plaatsgehad. Nu de Legger ingevolge artikel 2.14, derde lid, van de Invoeringswet Waterwet moet worden aangemerkt als een legger in de zin van artikel 5.1 van de Waterwet en deze ten tijde van de vaststelling en inwerkingtreding van de Keur 2009 reeds gold, is toepassing van artikel 29, eerste lid, van de Keur 2009 niet aan de orde.

Het betoog faalt.

5. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de rechtbank, ervan uitgaande dat het dagelijks bestuur ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom beschikte over een Legger, ten onrechte heeft geoordeeld dat op basis daarvan kan worden bepaald dat de zwarte lijn achter zijn woning op de Leggerkaart de dijk achter zijn woning is en dat dit een waterkering is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder s, van de Keur 2009. Uit de Legger volgt daarom ook niet dat de dijk een waterstaatswerk is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder u, van de Keur 2009, aldus [appellant sub 1].

5.1. De dijk achter de woning van [appellant sub 1] is een kunstmatige of natuurlijke hoogte die een waterkerende functie heeft. Zij is dan ook een waterkering als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder s, van de Keur 2009. In de Legger is vermeld dat de belijning van de keurzonering van de regionale waterkeringen op de leggerkaart indicatief is weergegeven. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, hoewel de kaart van de Legger, vanwege de schaal, enigszins onduidelijk is, daaruit wel kan worden afgeleid dat de dijk achter de woning van [appellant sub 1] met een zwarte lijn op de Legger is weergegeven als waterkering. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de dijk een waterstaatswerk is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder u, van de Keur 2009.

Het betoog faalt.

Het hoger beroep van het dagelijks bestuur

6. Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bouwwerkzaamheden van [appellant sub 1] niet op het waterstaatswerk zijn verricht. Het dagelijks bestuur stelt daartoe dat de rechtbank, door te overwegen dat de grens van het waterstaatswerk ligt op de teen dan wel helling van de waterkering en niet op 2 m afstand daarvan, is voorbij gegaan aan de beleids- en beoordelingsvrijheid van een bestuursorgaan. Het dagelijks bestuur betoogt tevens dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, zelfs indien wordt geoordeeld dat de grens van het waterstaatswerk begint bij de teen dan wel de helling van de waterkering, de bouwwerkzaamheden zijn verricht op het waterstaatswerk. Hiertoe verwijst het dagelijks bestuur naar de uitvergrotingen van de leggerkaart en van de Keurkaart (blad 05). Volgens het dagelijks bestuur blijkt daaruit en uit de in het dossier aanwezige bouwtekeningen dat de perceelsgrens 2 m ligt in de teen dan wel de helling van het waterstaatwerk. Nu wordt gebouwd tot op 0,5 m uit de perceelsgrens, wordt 1,5 m in de teen dan wel helling van het waterstaatswerk gebouwd. Het dagelijks bestuur stelt in dit verband dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de keurkaarten behorende bij de Keur 2009, die meer gedetailleerd zijn dan de kaarten van de Legger, geen juridische betekenis hebben. Hiertoe voert het dagelijks bestuur aan dat deze kaarten wel zijn geformaliseerd. De algemene vergadering van het waterschap Zeeuwse Eilanden heeft op 15 december 2009 tegelijk met de Keur de keurkaarten vastgesteld. Deze kaarten dienden, hoewel niet expliciet in het besluit vermeld, ter vervanging van de leggerkaarten die als bijlage 2 bij de Legger uit 2005 waren opgenomen, aldus het dagelijks bestuur. Het besluit en de aangepaste keurkaarten hebben samen met de Keur 2009 ter inzage gelegen van 22 december 2009 tot en met 15 maart 2010.

6.1. Het dagelijks bestuur kan niet worden gevolgd in het standpunt dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de beleids- en beoordelingsvrijheid van een bestuursorgaan door vast te stellen waar de grens van het waterstaatswerk ligt, daargelaten of de rechtbank de ligging daarvan juist heeft vastgesteld. Om te kunnen beoordelen of het dagelijks bestuur bevoegd was tot handhavend optreden was het noodzakelijk dat de rechtbank beoordeelde of de bouwwerkzaamheden zijn voorzien op een waterstaatswerk. Daarvoor diende ook te worden beoordeeld waar de grens van het waterstaatswerk ligt. Het dagelijks bestuur heeft ook geen beleids- of beoordelingsvrijheid om te bepalen waar de grens zou liggen, nu dit om een feitelijke vaststelling gaat.

Het dagelijks bestuur stelt voorts tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de keurkaarten behorende bij de Keur 2009 dienen ter vervanging van de leggerkaarten die als bijlage 2 bij de Legger uit 2005 waren opgenomen. Hoewel die kaarten wel tezamen met het besluit van 15 december 2009 tot vaststelling van die Keur ter inzage hebben gelegen, is in dat besluit niet vermeld dat die kaarten dienden ter vervanging van de leggerkaarten die als bijlage 2 bij de Legger waren opgenomen.

Anders dan de rechtbank, is de Afdeling echter van oordeel dat het dagelijks bestuur de overgelegde keurkaarten, waaronder met name begrepen Keurkaart (blad 05), wel heeft mogen gebruiken ter verduidelijking van en als toelichting op de Legger. Daartoe wordt in aanmerking genomen dat de Legger dient om vast te stellen of de dijk achter de woning van [appellant sub 1] een waterstaatswerk is als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder u, van de Keur 2009. Dit laat onverlet dat het dagelijks bestuur voor de feitelijke vaststelling of de bouwwerkzaamheden daadwerkelijk in, op, boven of onder het waterstaatswerk zijn voorzien zich mede heeft mogen baseren op andere kaarten die kunnen dienen ter verduidelijking van de Legger, zoals de Keurkaart (blad 05), die ook voor iedereen bekend kan worden geacht.

Uit de Keurkaart (blad 05), in samenhang bezien met de Legger, blijkt dat de aanbouw, zoals die ten tijde van het besluit van 5 oktober 2011 was gerealiseerd, op het waterstaatswerk is gebouwd. Derhalve was het dagelijks bestuur ten tijde van dat besluit bevoegd tot handhavend optreden wegens strijd met artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a, van de Keur 2009, nu voor het realiseren van het bouwplan geen vergunning was verleend als bedoeld in die bepaling. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

Tussenoverweging

7. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het hoger beroep van het dagelijks bestuur is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige hoger beroepsgronden van het dagelijks bestuur behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog de bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen, nu zij daaraan niet is toegekomen.

Het beroep van [appellant sub 1]

8. [appellant sub 1] stelt dat geen werkzaamheden zijn verricht als bedoeld in artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a, van de Keur 2009, zodat het dagelijks bestuur niet bevoegd was tot handhavend optreden. Hiertoe voert hij aan dat het begrip werkzaamheden in de Keur 2009 niet is gedefinieerd en dat in de toelichting daarop is vermeld dat daaronder zowel werkzaamheden die tot doel hebben veranderingen te brengen in de staat van waterstaatswerken als werkzaamheden die dat onbedoeld tot gevolg hebben, worden begrepen. Volgens [appellant sub 1] hebben de door hem uitgevoerde bouwwerkzaamheden niet tot doel verandering te brengen in de staat van het waterstaatswerk en evenmin onbedoeld dat gevolg. In dit verband stelt hij dat geen nulsituatieonderzoek heeft plaatsgevonden, zodat de gevolgen voor de staat van het waterstaatswerk niet kunnen worden vastgesteld.

8.1. Zoals overwogen onder 6.1 is het bouwplan deels voorzien op een waterstaatswerk. Artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a, van de Keur 2009 bepaalt dat het zonder vergunning verboden is werkzaamheden uit te voeren op een waterstaatswerk. Daarbij is niet vereist dat de werkzaamheden al dan niet onbedoeld veranderingen in de staat van het waterstaatswerk tot gevolg hebben. De door [appellant sub 1] verrichte bouwwerkzaamheden op het waterstaatswerk zijn dan ook werkzaamheden als bedoeld in voormeld artikel. Derhalve heeft hij gehandeld in strijd met artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a, van de Keur 2009 en was het dagelijks bestuur bevoegd tot handhavend optreden.

Het betoog faalt.

9. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

10. [appellant sub 1] betoogt dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, zodat het dagelijks bestuur daarvan behoorde af te zien. Hiertoe stelt hij dat hij niet wist dat vergunning als bedoeld in artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a, van de Keur 2009 voor de bouwwerkzaamheden was vereist. In dit verband voert hij aan dat het dagelijks bestuur geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aan hem door het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland verleende omgevingsvergunning voor het ver- en uitbouwen van zijn woning, terwijl het college het dagelijks bestuur wel advies heeft gevraagd via het Omgevingsloket Online.

10.1. Uit de stukken blijkt dat [appellant sub 1], naar aanleiding van een door zijn architect op 12 mei 2011 naar het dagelijks bestuur verzonden e-mailbericht, bij brief van het dagelijks bestuur van 9 juni 2011 een ontvangstbevestiging heeft ontvangen. Daarin is uitdrukkelijk vermeld dat het verboden is zonder een vergunning als bedoeld in artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a, van de Keur 2009 over te gaan tot de bouwwerkzaamheden. Ook blijkt uit de stukken dat op 5 september 2011 een ambtenaar van het waterschap aan [appellant sub 1] heeft meegedeeld dat de inmiddels door hem uitgevoerde bouwwerkzaamheden in strijd zijn met de Keur 2009. Bij besluit van 26 september 2011 heeft het dagelijks bestuur geweigerd vergunning als bedoeld in artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a, van de Keur 2009 te verlenen. Derhalve heeft [appellant sub 1] op eigen risico op het waterstaatswerk gebouwd, terwijl hij wist dat daarvoor ingevolge voornoemd artikel vergunning was vereist. Het dagelijks bestuur heeft reeds daarom terecht geoordeeld dat handhavend optreden in dit geval niet zodanig onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het daarvan behoorde af te zien.

Het betoog faalt.

11. Ten slotte betoogt [appellant sub 1] dat het besluit tot handhavend optreden in strijd met het gelijkheidsbeginsel is genomen. Hij stelt dat het aan de Botterlaan gebruikelijk is dat woningen worden uitgebouwd of dat achter de woningen andere bouwwerken worden gerealiseerd. Onder verwijzing naar door hem overgelegde foto’s stelt [appellant sub 1] dat zijn buren een schuur hebben gerealiseerd op de perceelsgrens en vervolgens beplanting hebben aangebracht tot de top van de dijk. Daartegen is niet handhavend opgetreden, aldus [appellant sub 1].

11.1. Uit de stukken blijkt dat ten behoeve van het realiseren van de aanbouw is geheid in het waterstaatswerk. Dit wordt zeer ongewenst geacht in verband met de waterkerende functie die het waterstaatswerk heeft. Of in het door [appellant sub 1] gestelde gelijke geval ook in de grond is geheid, is gesteld noch gebleken. Reeds daarom is niet aannemelijk gemaakt dat het gaat om gelijke gevallen. Voorts stelt het dagelijks bestuur dat, indien blijkt dat op andere percelen vergelijkbare bouwwerkzaamheden op het waterstaatswerk hebben plaatsgevonden, zonder dat daarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 17, vierde lid, aanhef en onder a, van de Keur 2009 is verleend, ook daartegen handhavend zal worden opgetreden.

Het betoog faalt.

12. Het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 28 februari 2012 is ongegrond.

Slotoverweging

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van het dagelijks bestuur van het waterschap Scheldestromen gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 oktober 2012 in zaak nr. 12/1780;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van het dagelijks bestuur van het waterschap Scheldestromen van 28 februari 2012 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Heijninck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

552.