Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2540

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
201209049/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2011 heeft het college een verzoek van [wederpartij] om vergoeding van planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/730

Uitspraak

201209049/1/A2.

Datum uitspraak: 24 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 augustus 2012 in zaak nr. 11/3218 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2011 heeft het college een verzoek van [wederpartij] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 12 juli 2011 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 augustus 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. Brink, werkzaam bij de gemeente, vergezeld door mr. T.A.P. Langhout, werkzaam bij Langhout en Wiarda Juristen en Rentmeesters (hierna: Langhout), en [wederpartij], vertegenwoordigd door [zijn zoon], zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 12 juni 2013 in zaak nr. 201209049/1/T1/A2 heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen dertien weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van de overwegingen ervan de gebreken in het besluit van 12 juli 2011 te herstellen en een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 10 september 2013 heeft het college het door [wederpartij] tegen het besluit van 18 maart 2011 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij brief van 14 oktober 2013 heeft [wederpartij] een zienswijze over dat besluit naar voren gebracht.

Het college heeft een reactie op de zienswijze van [wederpartij] ingediend.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 49, eerste en zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals deze bepaling ten tijde van belang luidde, heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de tussenuitspraak is overwogen dat de rechtbank het besluit van 12 juli 2011 terecht, zij het deels op onjuiste gronden, heeft vernietigd. Uit de tussenuitspraak volgt dat het hoger beroep ongegrond is en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2. [wederpartij] heeft verzocht om vergoeding van de planschade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de inwerkingtreding van verscheidene bestemmingsplannen. [wederpartij] was ten tijde van de inwerkingtreding van de bestemmingsplannen eigenaar van de woning op het perceel [locatie A]. De bestemmingsplannen zien niet slechts op de planologische situatie op dat perceel, maar ook op de percelen hoek Nieuwe Markt 23/Thorbeckelaan 1, 3 en 5, het perceel Thorbeckelaan 20 en de percelen Groen van Prinstererlaan 23, 25 en 27.

3. Het college heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak een nader advies gevraagd aan Langhout en Wiarda Juristen en Rentmeesters (hierna: Langhout). In een nader advies van 21 augustus 2013 heeft Langhout opnieuw de conclusie getrokken dat de planologische veranderingen voor [wederpartij] per saldo niet tot een planologische verslechtering hebben geleid. Het college heeft het nader advies aan het besluit van 10 september 2013 ten grondslag gelegd. Dat besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19 van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

4. In zijn schriftelijke reactie van 14 oktober 2013 betoogt [wederpartij] dat het college, door het nader advies van Langhout te volgen, heeft miskend dat dit advies berust op de onjuiste veronderstelling dat de bouwhoogte van bebouwing op de percelen hoek Nieuwe Markt 23/Thorbeckelaan 1, 3 en 5 onder het oude planologische regime, gelet op de aanvullende werking van artikel 2.5.29 van de gemeentelijke bouwverordening, niet was gelimiteerd. Daartoe voert hij aan dat uit het samenstel van de bij het oude bestemmingsplan behorende voorschriften kan worden afgeleid dat de nokhoogte van bebouwing op de voor horecabebouwing en garagebedrijven bestemde gronden van de percelen hoek Nieuwe Markt 23/Thorbeckelaan 1, 3 en 5 onder het oude planologische regime uitputtend was geregeld. Voorts voert hij aan dat voor dit onderdeel van het nader advies gebruik is gemaakt van de gemeentelijke bouwverordening van 1993, terwijl deze bouwverordening in 1975, ten tijde van de aankoop van de woning aan de [locatie A], uiteraard nog niet van kracht was. Verder voert hij aan dat het krachtens artikel 2.5.29 van de bouwverordening van 1993 slechts mogelijk was ontheffing van de maximale nokhoogte te verlenen voor het bouwen in overeenstemming met in voorbereiding zijnd ruimtelijk beleid.

4.1. In de bij het oude bestemmingsplan behorende voorschriften was slechts de goothoogte en niet tevens de nokhoogte van gebouwen op de voor horecabebouwing en garagebedrijven bestemde gronden geregeld. Uit dit bestemmingsplan blijkt niet van voorschriften die onder het oude planologische regime geen ruimte zouden laten voor de aanvullende werking van de bouwverordening ter zake van de nokhoogte van gebouwen op die gronden. Het eerste onderdeel van het betoog faalt.

4.2. Op 20 september 1991, de dag van inwerkingtreding van de voor de percelen hoek Nieuwe Markt 23/Thorbeckelaan 1, 3 en 5 relevante planologische wijziging, was niet de bouwverordening van 1993, maar de bouwverordening van 1968 van kracht. Het tweede onderdeel van het betoog is terecht voorgedragen. Dit leidt echter, gelet op het volgende, niet tot het door [wederpartij] ermee beoogde resultaat.

4.3. Ingevolge artikel 57 van de bouwverordening van 1968 mag de hoogte van een bouwwerk niet meer bedragen van 15 m. In artikel 60 zijn de toegelaten afwijkingen van de maximale bouwhoogte geregeld en in artikel 61 de vrijstellingen voor de overschrijding van de maximale bouwhoogte. Uit die bepalingen valt af te leiden dat de met deze afwijkingen en vrijstellingen toegelaten bouwhoogte niet is gelimiteerd. Nu toepassing van de bouwverordening van 1968 voor wat betreft de hoogte tot dezelfde conclusie als toepassing van de bouwverordening van 1993, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college, door het nader advies van Langhout te volgen, is uitgegaan van onjuiste bebouwingsmogelijkheden op de gronden waarvoor de bouwverordening van toepassing was.

5. [wederpartij] betoogt voorts dat het college, door het nader advies van Langhout te volgen, bij de vergelijking voor de percelen hoek Nieuwe Markt 23/Thorbeckelaan 1, 3 en 5 heeft miskend dat in dat advies geen rekening is gehouden met het samenvoegen van twee bouwvlakken, zodat onder het nieuwe planologische regime over een bredere strook aaneengesloten bebouwing is te realiseren.

5.1. In het aanvullend nader advies van 5 november 2013 is inzichtelijk gemaakt dat dit betoog op een ondergeschikt onderdeel van de vergelijking betrekking heeft en dat [wederpartij] als gevolg van de planologische veranderingen ten aanzien van die percelen per saldo niet in een nadeliger positie is komen te verkeren. [wederpartij] heeft niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door het inbrengen van een deskundigenbericht, dat deze conclusie niet juist is.

Het betoog faalt.

6. [wederpartij] betoogt verder dat het college, door het nader advies van Langhout te volgen, heeft miskend dat in dat advies onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd dat het perceel [locatie A] zijn hoogste waarde aan de woonfunctie ontleent en de beperking van de maximale oppervlakte van een praktijkruimte op dat perceel, als gebouw bij een woning, van 70 m² tot 45 m² geen nadeel is.

6.1. In het nader advies is inzichtelijk gemaakt dat het perceel ten tijde van de relevante peildatum een hoogste waarde bij gebruik als woning had. [wederpartij] heeft niet aannemelijk gemaakt, bijvoorbeeld door het inbrengen van een deskundigenbericht, dat deze conclusie niet juist is.

In het nader advies, gelezen in samenhang met het aanvullend nader advies van 5 november 2013, is uiteengezet dat de beperking van de maximale oppervlakte van een praktijkruimte van 70 m² tot 45 m² voor [wederpartij] een beperkt nadeel ter hoogte van ƒ 15.000,00 oplevert, maar dat dit nadeel geheel wordt opgeheven door het voordeel dat hij heeft bij een vergelijkbare beperking van de maximale oppervlakte van een praktijkruimte op het belendende perceel, waardoor de overlast als gevolg van de bedrijfsactiviteiten op dat perceel wordt beperkt. Dat [wederpartij] hierbij in de zienswijze kritische kanttekeningen heeft geplaatst, betekent niet dat het onderzoek op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden of onvolledig is. In die kanttekeningen is geen grond te vinden voor het oordeel dat concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dit onderdeel van het nader advies bestaan. Het antwoord op de vraag of [wederpartij] het risico van de nadelige planologische verandering heeft aanvaard en de schade die hij daardoor heeft geleden voor zijn rekening blijft, zoals het college heeft aangevoerd, maar [wederpartij] heeft bestreden, is bij deze stand van zaken niet meer relevant.

Het betoog faalt.

7. [wederpartij] betoogt voorts dat het college, door het nader advies van Langhout te volgen, bij de vergelijking ten aanzien van de percelen Groen van Prinstererlaan 23, 25 en 27 heeft miskend dat bij de onder het nieuwe planologische regime als erf bij maatschappelijke voorzieningen bestemde gronden geen rekening is gehouden met de verhoging van de maximale goothoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van 3 naar 5 m, dat bij de onder dat regime voor maatschappelijke voorzieningen bestemde gronden geen rekening is gehouden met het verschuiven van het bouwvlak met ongeveer 10 m in zijn richting en dat de overlast als gevolg van de gebruiksmogelijkheden van die bestemming is onderschat.

7.1. In het nader advies is uiteengezet dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op de onder het nieuwe planologische regime als erf bij maatschappelijke voorzieningen bestemde gronden onder dat regime maximaal 5 m is, terwijl die bouwhoogte onder het oude planologische regime niet was gelimiteerd. Het eerste onderdeel van het betoog berust op een verkeerde lezing van het advies.

Voorts is in het nader advies vermeld dat het bouwvlak op de onder het nieuwe planologische regime voor maatschappelijke voorzieningen bestemde gronden ongeveer 5 m dichter bij de woning van [wederpartij] is komen te liggen. [wederpartij] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het advies op dit punt niet juist is. Het tweede onderdeel van het betoog faalt.

Verder is in het nader advies uiteengezet dat de overlast als gevolg van de gebruiksmogelijkheden van die bestemming niet wezenlijk verschilt van de overlast ten tijde van het oude planologische regime. [wederpartij] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat het advies ook op dit onderdeel mocht worden gevolgd. Het derde onderdeel van het betoog faalt evenzeer.

8. [wederpartij] betoogt ten slotte dat het college heeft miskend dat als gevolg van het bestemmingsplan ‘Vliegersveld-Thorbeckelaan 1994’ de omvang van het bouwvlak van de voor wonen bestemde gronden op het perceel [locatie A] is gehalveerd.

8.1. Dit betoogt vormt een nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgrond. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de wederpartij, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [wederpartij] in dit opzicht aanvoert, wat daar verder van zij, buiten bespreking blijft.

9. Het beroep van rechtswege van [wederpartij] tegen het besluit van 10 september 2013 is ongegrond.

10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 10 september 2013 ongegrond;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Barneveld tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 346,74 (zegge: driehonderdzesenveertig euro en vierenzeventig cent);

IV. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Barneveld een griffierecht van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013

452.