Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2531

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201310005/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 september 2013 is de termijn van de aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden. Dit besluit (hierna: het verlengingsbesluit) is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310005/1/V3.

Datum uitspraak: 10 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling A], zich ook noemende [vreemdeling B],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 28 oktober 2013 in zaak nr. 13/26030 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2013 is de termijn van de aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden. Dit besluit (hierna: het verlengingsbesluit) is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 oktober 2013 heeft de rechtbank het met een kennisgeving vanwege de staatssecretaris daartegen aanhangig gemaakte beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de eerste grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit het verlengingsbesluit niet valt op te maken hoe de staatssecretaris de in de zienswijze naar voren gebrachte belangen heeft afgewogen, waardoor het verlengingsbesluit onrechtmatig moet worden geacht.

1.1. In de zienswijze van 10 september 2013 heeft de vreemdeling onder meer aangevoerd dat hij recent een zelfmoordpoging heeft ondernomen, waarbij hij zich heeft verwond. Hierbij heeft hij informatie gevoegd betreffende dit voorval en zijn medische situatie.

1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 september 2012 in zaak nr. 201205536/1/V3), dienen bij de belangenafweging omtrent het verlengen van de maatregel van bewaring alle van belang zijnde feiten en omstandigheden te worden betrokken.

Blijkens de bij de zienswijze meegezonden stukken was de staatssecretaris ten tijde van belang bekend met de medische situatie van de vreemdeling. Gelet op de inhoud van deze stukken had de staatssecretaris in ieder geval de medische situatie van de vreemdeling kenbaar in de belangenafweging omtrent het verlengen van de maatregel van bewaring moeten betrekken. Nu de staatssecretaris dit heeft nagelaten, heeft de rechtbank niet onderkend dat het verlengingsbesluit aldus onvoldoende gemotiveerd is.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op overweging 1.2, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 12 september 2013 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 14 september 2013, de datum met ingang waarvan de termijn van de bewaringsmaatregel is verlengd, tot 5 november 2013, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 28 oktober 2013 in zaak nr. 13/26030;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 4.160,00 (zegge: vierduizend honderdzestig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Dokkum

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013

480-665.