Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2530

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201310007/1/A1 en 201310007/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2012 heeft het college [appellant] onder het opleggen van dwangsommen gelast om binnen twee maanden na het van kracht worden van dit besluit de paardenbak, bestaande uit een paardrijbodem en omheining, twee lantaarnpalen en de hekwerken tussen de paardrijbak en de stal op het perceel aan de [locatie] te Lithoijen (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden en het gebruik van het perceel ten behoeve van het africhten, trainen of het berijden van paarden en pony’s of het anderszins beoefenen van de paardensport te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310007/1/A1 en 201310007/2/A1.

Datum uitspraak: 12 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Lithoijen, gemeente Lith,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 september 2013 in zaak nr. 13/1225 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oss.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2012 heeft het college [appellant] onder het opleggen van dwangsommen gelast om binnen twee maanden na het van kracht worden van dit besluit de paardenbak, bestaande uit een paardrijbodem en omheining, twee lantaarnpalen en de hekwerken tussen de paardrijbak en de stal op het perceel aan de [locatie] te Lithoijen (hierna: het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden en het gebruik van het perceel ten behoeve van het africhten, trainen of het berijden van paarden en pony’s of het anderszins beoefenen van de paardensport te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 29 januari 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 november 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.J. Haakmeester, en het college, vertegenwoordigd door J.F.A.C. Verbruggen-Pietjouw en ir. M.A. Rekswinkel, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Het geschil is beperkt tot de beantwoording van de vraag of het college in redelijkheid handhavend heeft kunnen optreden tegen de aanleg van de bodem van de paardenbak en het plaatsen van de omheining om de paardenbak.

3. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2008 in zaak nr. 200708305/1 is voor het plaatsen van het hekwerk en het aanbrengen van de bodem van de paardenbak een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist. Het college was - bij het ontbreken van die vergunning - bevoegd om handhavend op te treden tegen het plaatsen van het hekwerk en het aanbrengen van de bodem van de paardenbak.

4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat concreet zicht bestaat op legalisering van de paardenbak. Hij voert daartoe aan dat het college in het ten tijde van het besluit op bezwaar ter inzage gelegde ontwerp van het bestemmingsplan "Buitengebied Lith - 2013" de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid krijgt om omgevingsvergunning te verlenen voor de paardenbak. Onder verwijzing naar de bij dat bestemmingsplan behorende toelichting wordt volgens hem voldaan aan het daarvoor geldende vereiste dat een paardenbak moet zijn gesitueerd direct aansluitend op het bijbehorende bestemmingsvlak "Wonen".

5.1. Ten tijde van het besluit op bezwaar van 29 januari 2013 was het ontwerp van het bestemmingsplan "Buitengebied Lith - 2013" ter inzage gelegd. Ingevolge dit ontwerp rust op het perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap".

Ingevolge artikel 3.1, gelezen in samenhang met artikel 3.1.1, aanhef en onder a, van de regels van het ontwerpbestemmingsplan zijn de aldus aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor uitoefening van het agrarisch bedrijf, daaronder begrepen hobbymatig agrarisch grondgebruik;

Ingevolge artikel 3.5 kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.1 voor het toestaan van paardenbakken met inachtneming van onder meer de volgende voorwaarden:

- de paardenbak is gesitueerd direct aansluitend op het bijbehorend agrarisch bouwvlak dan wel het bijbehorende bestemmingsvlak "Wonen".

5.1. De paardenbak is gelegen buiten het op het perceel geprojecteerde bestemmingsvlak "Wonen". De paardenbak is verbonden met dat bestemmingsvlak door een verbindingspad met een lengte van ongeveer 22 m en een breedte van ongeveer 1,5 m. Dit pad vormt, naar [appellant] ter zitting in beroep heeft verklaard, de kortst mogelijke route tussen de op het perceel gelegen paardenstal en de paardenbak. Gelet op de niet geringe afstand tussen de paardenbak en het bestemmingsvlak "Wonen" heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de paardenbak niet direct aansluit op het bestemmingsvlak "Wonen" als bedoeld in artikel 3.5 van de regels van het ontwerpbestemmingsplan.

De verwijzing van [appellant] naar de toelichting behorende bij bestemmingsplan "Buitengebied Lith - 2013", kan niet leiden tot het ermee door hem beoogde doel, nu de tekst van artikel 3.5 voldoende duidelijk is.

Het college krijgt derhalve in het ontwerp van het bestemmingsplan "Buitengebied Lith - 2013" niet de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid om omgevingsvergunning te verlenen voor de paardenbak.

Gelet daarop kan in het aangevoerde geen grond worden gevonden voor het oordeel dat concreet zicht bestond op legalisering, nog daargelaten dat de aanleg van de paardenbak in strijd is met het ontwerpbestemmingsplan.

Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de paardenbak is voorzien van een goede ruimtelijke inpassing als bedoeld in artikel 3.5 van de regels van het ontwerpbestemmingsplan behoeft daarom geen bespreking meer. Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Gelet hierop zal het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2013

543.