Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:253

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2013
Datum publicatie
10-07-2013
Zaaknummer
201302782/2/R1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2013, nr. RWSCD BJV 2013/474, heeft de minister aan de in dit besluit vermelde rechthebbenden ingevolge de Belemmeringenwet Privaatrecht een plicht opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van de aardgastransportleiding Beverwijk-Wijngaarden, met bijkomende werken, tracé A-803, in de gemeenten Zuidplas, Rijnwoude en Kaag en Braassem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302782/2/R1.

Datum uitspraak: 1 juli 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[de maatschap], gevestigd te Rijpwetering, gemeente Kaag en Braassem, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B], [maat C] en [maat D], en [maat A], wonend te Rijpwetering, gemeente Kaag en Braassem, (hierna tezamen in enkelvoud: [verzoeker])

verzoekers,

en

de minister van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2013, nr. RWSCD BJV 2013/474, heeft de minister aan de in dit besluit vermelde rechthebbenden ingevolge de Belemmeringenwet Privaatrecht een plicht opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van de aardgastransportleiding Beverwijk-Wijngaarden, met bijkomende werken, tracé A-803, in de gemeenten Zuidplas, Rijnwoude en Kaag en Braassem.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 juni 2013, waar [verzoeker], bij monde van [maat A], en de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Divis-Stein, advocaat te Utrecht, en mr. L.A.G. Verduijn Lunel en S.Y. Lee, beiden werkzaam bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Gasunie, vertegenwoordigd door mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te Amsterdam, A.B. Nolles, ir. H. Hiddink en mr. H. Pauw, als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn door [verzoeker] ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. De minister en Gasunie betogen dat met het verzoek van [verzoeker] geen spoedeisend belang is gemoeid, nu [verzoeker] heeft gewacht met het indienen van zijn verzoek tot enkele dagen voorafgaande aan het begin van de werkzaamheden, terwijl het bestreden besluit toen reeds ongeveer drie maanden eerder was genomen.

2.1. Niet in geschil is dat Gasunie een aanvang heeft gemaakt met de werkzaamheden op de gronden van [verzoeker] en dat naar verwachting vanaf 22 juli 2013 zijn gronden gedeeltelijk worden ontgraven. Gelet hierop acht de voorzitter spoedeisend belang aanwezig. Dat [verzoeker] bijna drie maanden heeft gewacht met zijn verzoek maakt niet dat geen spoedeisend belang aanwezig is.

3. Ingevolge artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht kan, wanneer ten behoeve van openbare werken, die ingevolge een door het openbaar gezag verleende concessie worden of zijn tot stand gebracht, terwijl het openbaar belang is erkend, of waarvan het algemeen nut uitdrukkelijk bij de wet is erkend, een werk nodig is, waarvoor duurzaam of tijdelijk gebruik moet worden gemaakt van onroerende zaken, ieder die enig recht heeft ten aanzien van die zaken, behoudens recht op schadevergoeding, worden verplicht te gedogen dat zodanig werk wordt aangelegd en in stand gehouden, indien de belangen van de rechthebbenden naar het oordeel van de minister redelijkerwijs onteigening niet vorderen en in het gebruik van de zaken niet meer belemmering wordt gebracht, dan redelijkerwijs voor de aanleg en de instandhouding van het werk nodig is.

Ingevolge artikel 2, vijfde lid, kan, indien geen overeenstemming is verkregen, een verplichting, als bedoeld in artikel 1, bij met redenen omklede beslissing van de minister, gehoord het college van gedeputeerde staten van de provincie, waarin de zaak is gelegen, zo nodig onder voorwaarden te stellen aan de verzoeker, worden opgelegd.

4. Gasunie heeft het voornemen om een aardgastransportleiding vanaf het compressorstation Beverwijk naar het compressorstation Wijngaarden te realiseren. Deze aardgastransportleiding is planologisch mogelijk gemaakt in het inpassingsplan "Aardgastransportleiding Beverwijk - Wijngaarden" dat bij besluit van 15 oktober 2012 is vastgesteld (hierna: het inpassingsplan).

5. Gasunie heeft de minister verzocht om oplegging van plichten tot het gedogen van de aanleg en de instandhouding van de aardgastransportleiding, met bijkomende werken, aan verschillende rechthebbenden in de gemeenten Zuidplas, Rijnwoude en Kaag en Braassem. Bij het bestreden besluit heeft de minister het verzoek van Gasunie toegewezen en heeft hij ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht de verzochte gedoogplichten opgelegd aan de in het besluit vermelde rechthebbenden, waaronder [verzoeker].

6. [verzoeker] betoogt dat de minister geen gedoogplicht heeft mogen opleggen, omdat Gasunie zich onvoldoende heeft ingespannen om met hem tot overeenstemming te komen over een adequate schadeloosstelling. Gasunie heeft weliswaar een aanbod gedaan, maar nader overleg over de inhoud van een eventuele overeenkomst en de hoogte van de vergoeding was uitgesloten. [verzoeker] stelt dat hij recht heeft op een volledige schadeloosstelling en een jaarlijkse vergoeding voor de omstandigheid dat Gasunie voor de instandhouding van de aardgastransportleiding gebruik maakt van zijn gronden. Gasunie heeft ten onrechte geweigerd om een jaarlijkse vergoeding aan te bieden voor voornoemd gebruik, aldus [verzoeker].

6.1. De minister stelt dat uit de door Gasunie overgelegde logboeken volgt dat Gasunie zich voldoende heeft ingespannen om tot overeenstemming te komen met [verzoeker]. De minister toetst de hoogte van de aangeboden schadevergoeding terughoudend. De vraag naar de aard van de schade en de hoogte van het schadebedrag is geen criterium bij het beslissen op een aanvraag om het opleggen van een gedoogplicht. Hiervoor kan [verzoeker] zich wenden tot de burgerlijke rechter, aldus de minister.

6.2. Gasunie heeft een logboek bijgehouden van haar contacten met [verzoeker]. Uit dit logboek volgt dat Gasunie vanaf 2010 [verzoeker] met enige regelmaat heeft benaderd teneinde tot overeenstemming te komen over de vestiging van een recht van opstal ten behoeve van de aanleg van de aardgastransportleiding op de percelen van [verzoeker]. Gasunie heeft in juli en november 2011 en in januari en maart 2012 overeenkomsten aan [verzoeker] voorgelegd, die [verzoeker] niet heeft willen ondertekenen, omdat hij zich niet kon vinden in de aard en hoogte van de aangeboden vergoeding.

6.3. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2012 in zaak nr. 201104115/1/R4, overweegt de voorzitter dat de minister de hoogte van de aangeboden schadevergoeding niet behoeft te toetsen. Op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht dient de minister zich ervan te vergewissen dat een serieuze en redelijke poging is ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen. In dit kader dient hij te onderzoeken of de voorstellen tot schadevergoeding niet op voorhand als onwerkelijk en onredelijk moeten worden aangemerkt. Doet die situatie zich voor, dan is immers geen sprake van een serieuze en redelijke poging als hiervoor bedoeld en is dus niet aan de uit artikel 2, vijfde lid, voortvloeiende overlegverplichting voldaan.

Naar het oordeel van de voorzitter is de door Gasunie aangeboden vergoeding niet van dien aard dat deze bij voorbaat als onwerkelijk en onredelijk dient te worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat Gasunie gestandaardiseerde voorwaarden en bedragen heeft gehanteerd in haar aanbod aan [verzoeker], waarvan zij niet, althans niet in aanmerkelijke mate wenst af te wijken, is onvoldoende voor het oordeel dat van een redelijke inspanning geen sprake is geweest. Bij dit oordeel betrekt de voorzitter de omstandigheid dat Gasunie veelvuldig contracteert met grondeigenaren over de vestiging van zakelijke rechten. Gasunie heeft verder ter zitting onweersproken gesteld dat de door haar gehanteerde bedragen en voorwaarden tot stand zijn gekomen en jaarlijks worden gewijzigd na overleg met en instemming van LTO-Nederland. Daarbij maakt ook het niet toekennen van een jaarlijkse gebruiksvergoeding niet dat in dit geval geen serieuze en redelijke poging als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht is ondernomen, nog daargelaten de vraag of een dergelijke vergoeding schade betreft in de zin van deze wet.

7. [verzoeker] voert aan dat de open ontgraving van zijn gronden een oxidatieproces in gang zet waardoor de compositie van de bodem verandert en de kwaliteit van de grond voor agrarisch gebruik blijvend devalueert. Er ontstaat zogeheten katteklei. Dit kan worden voorkomen door de transportleiding aan te leggen door middel van een gestuurde boring, aldus [verzoeker].

7.1. De minister stelt dat de aanleg van de aardgastransportleiding op de percelen van [verzoeker] over een lengte van ongeveer 275 m plaatsvindt door een gestuurde boring. Over een lengte van ongeveer 416 m vindt een open ontgraving plaats. Het is technisch bezien niet mogelijk aan het verzoek van [verzoeker] tegemoet te komen, althans dat zou mogelijk alleen kunnen als het vastgestelde tracé wordt verlaten. Voorts houdt Gasunie zich bij de uitvoering van de werkzaamheden aan vastgelegde werkvoorschriften teneinde de schade aan de bodem zo beperkt mogelijk te houden. Voor zover [verzoeker] schade lijdt, is Gasunie verplicht deze te vergoeden, aldus de minister.

7.2. De gronden van [verzoeker] zijn direct ten noorden van de Wijde Aa gesitueerd. De aanleg van de aardgastransportleiding onder de Wijde Aa vindt plaats door een gestuurde boring. Na deze gestuurde boring maakt het tracé - op de gronden van [verzoeker] - een knik richting het noorden. De minister heeft ter zitting toegelicht dat het technisch bezien niet mogelijk is om deze "abrupte" verandering van de richting van de aardgastransportleiding binnen het in het inpassingsplan vastgelegde tracé te realiseren door een (tweede) gestuurde boring. [verzoeker] heeft dit niet weersproken.

7.3. Het tracé van de aardgastransportleiding is vastgelegd in het inpassingsplan. [verzoeker] heeft hiertegen geen beroep ingesteld. De minister is derhalve terecht van het vastgestelde tracé uitgegaan. Omdat een gestuurde boring ter plaatse van de gronden van [verzoeker] technisch bezien niet uitgevoerd kan worden zonder het vastgelegde tracé te verlaten, is de voorzitter van oordeel dat de keuze om de aardgastransportleiding op de gronden van [verzoeker] gedeeltelijk aan te leggen door middel van een open ontgraving besloten ligt in het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan. De beroepsgrond van [verzoeker] dat Gasunie de aardgastransportleiding dient aan te leggen door middel van een gestuurde boring had dan ook tegen het inpassingsplan moeten worden ingebracht. De minister behoefde hiermee geen rekening te houden bij zijn afweging om een gedoogplicht op te leggen. Dit laat onverlet dat op Gasunie de verplichting rust om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar gevergd kunnen worden teneinde de schade aan de bodem zo beperkt mogelijk te houden. Tevens rust op Gasunie de wettelijke plicht om de veroorzaakte schade te vergoeden.

8. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Bechinka

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2013

371-739.