Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2516

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201307231/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Monnikenberg" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/710

Uitspraak

201307231/1/R6.

Datum uitspraak: 18 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B], beiden wonend te Hilversum, (hierna gezamenlijk in enkelvoud: [appellant]),

en

1. de raad van de gemeente Hilversum,

2. het college van burgemeester en wethouders van Hilversum,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Monnikenberg" vastgesteld.

Bij besluit van 13 juni 2013, kenmerk DD/1300307, heeft het college aan de stichting Stichting Tergooiziekenhuizen een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 1457 bomen op gronden binnen het plangebied die in

fase 1 zullen worden ontwikkeld.

Tegen deze besluiten heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben de Stichting Tergooiziekenhuizen en de Stichting Merem Behandelcentra een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2013, waar [appellant], in de persoon van [appellant A], en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door drs. S. Wiedemeijer, F.G. van Kooten en T. Böhm, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Stichting Tergooiziekenhuizen, vertegenwoordigd door mr. C.W. Kniestedt, advocaat te Amsterdam, mr. R.A. Fledderus, ir. S. Idema en ir. B.J. Grevink, en Stichting Merem Behandelcentra, vertegenwoordigd door mr. C.W. Kniestedt en mr. R.A. Fledderus voornoemd, als partij gehoord.

Overwegingen

1. De besluiten van 12 juni 2013 en 13 juni 2013 zijn op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.

Het bestemmingsplan

2. Het plangebied is gesitueerd aan de oostzijde van Hilversum. Het plan voorziet in de ontwikkeling van een zorgcentrum, bestaande uit een ziekenhuis en zorggerelateerde voorzieningen, parkeervoorzieningen en 600 woningen, waaronder zorgwoningen.

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

4. De raad betoogt dat [appellant] geen belanghebbende is bij het bestemmingsplan, omdat uit onderzoeken die verricht zijn in het kader van de voorbereiding van het plan volgt dat het plan niet zal leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het perceel van [appellant].

4.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

4.2. Het plangebied wordt ontsloten door de Soestdijkerstraatweg. De toegang tot het voorziene zorgcentrum loopt via het kruispunt Soestdijkerstraatweg/Surinamelaan. Dit kruispunt, dat deel uitmaakt van het plangebied, is gesitueerd op een afstand van ongeveer 100 m tot de woning van [appellant]. Gelet ook op de omvang van de door het plan voorziene ontwikkelingen acht de Afdeling het niet bij voorbaat uitgesloten dat het verkeer dat via de Soestdijkerstraatweg van en naar het zorgcentrum rijdt, gevolgen zal hebben voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van het perceel van [appellant]. Zo kan niet worden uitgesloten dat de voorziene ontsluiting gevolgen zal hebben voor het akoestisch klimaat ter plaatse van het perceel van [appellant], gelet ook op de omstandigheid dat ambulanceverkeer van en naar het zorgcentrum gebruik zal maken van het kruispunt. Ook kan de voorziene ontsluiting gevolgen hebben voor de bereikbaarheid van het perceel van [appellant].

Gelet op het vorengaande is [appellant] belanghebbende bij het besluit tot vaststelling van het plan.

5. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de mogelijke alternatieven voor de toegangsweg van en naar het zorgcentrum. Hij voert aan dat het voornemen tot ontwikkeling van een nieuw zorgcentrum ontstaan is in of omstreeks het jaar 2000. Vanaf dat moment heeft de raad als voorwaarde gesteld dat het zorgcentrum ontsloten dient te worden via het kruispunt Soestdijkerstraatweg/Surinamelaan. Volgens [appellant] bestaan alternatieven voor een meer evenwichtige verdeling van de verkeersstromen vanwege het nieuwe zorgcentrum. Zo kan de bestaande ontsluiting via de Van Riebeeckweg worden gehandhaafd. Andere mogelijkheden zijn een ontsluiting via het Oostereind of vanaf de bestaande rotonde op het kruispunt Oostereind/Soestdijkerstraatweg, aldus [appellant].

5.1. Volgens de raad is bij het voorbereiden van het "Integraal Bereikbaarheidsplan Hilversum en omstreken", vastgesteld door de raad op 7 december 2005 (hierna: Bereikbaarheidsplan), onderzoek verricht naar de mogelijke ontsluiting van het zorgcentrum, alsook naar de mogelijkheden om de verkeersstromen van het wegenstelsel te optimaliseren. Gebleken is dat de ontsluiting via het kruispunt Soestdijkerstraat/Surinamelaan de meest optimale variant is, aldus de raad.

5.2. In het noordwestelijke deel van het plangebied is het bestaande ziekenhuis gesitueerd. Het bestaande ziekenhuis wordt ontsloten via de Van Riebeeckweg. Het plan voorziet onder meer in het verplaatsen van het ziekenhuis naar het zuidwestelijke deel van het plangebied. Het verplaatsen van het ziekenhuis gaat gepaard met een nieuwe ontsluiting van het voorziene zorgcentrum. De nieuwe ontsluiting loopt via het kruispunt Soestdijkerstraatweg/Surinamelaan in het zuidwesten van het plangebied.

5.3. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

5.4. In het kader van de voorbereiding van het Bereikbaarheidsplan is een groot aantal aanbevelingen geformuleerd voor het optimaliseren van de verkeersstromen in Hilversum en omgeving. Deze aanbevelingen zijn opgenomen in de notitie "Integraal Bereikbaarheidsplan Hilversum en omstreken, Reactienota op de aanbevelingen" vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders op 13 september 2005 (hierna: Reactienota). Van iedere aanbevolen voorziening is de ruimtelijke inpasbaarheid en het effect in relatie tot de kosten beoordeeld. De beoordeling leidt telkens tot een advies aan de raad om een aanbeveling al dan niet over te nemen.

Uit de Reactienota volgt dat bij het voorbereiden van het Bereikbaarheidsplan onder meer onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid om het ziekenhuis te ontsluiten via een rotonde op het kruispunt Oostereind/Soestdijkerstraatweg. Het betreft hier aanbeveling 6.7 op pagina 46 van de Reactienota. Deze aanbeveling is als niet adequaat beoordeeld omdat het toevoegen van een vijfde poot een zeer grote rotonde zou vereisen. Het verkeersmodel heeft verder uitgewezen dat een rotonde met vijf poten onvoldoende capaciteit heeft. Bovendien is de voorziening als financieel inefficiënt aangemerkt.

Verder is de aanbeveling gedaan om de ontsluiting van het bestaande ziekenhuis via de Van Riebeeckweg ook na verplaatsing van het ziekenhuis in stand te houden als subsidiaire ontsluiting van het zorgcentrum. Het betreft hier aanbeveling 6.10. Deze aanbeveling heeft de raad overgenomen.

In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad alternatieven onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken.

6. [appellant] voert aan dat de voorziene ontsluiting van het zorgcentrum via het kruispunt Soestdijkerstraatweg/Surinamelaan zal leiden tot ernstige problemen met de verkeersafwikkeling ter plaatse. Volgens hem zijn de in het verleden verrichte onderzoeken naar de gevolgen voor de verkeersgeneratie en -doorstroming gedateerd. Bij de onderzoeken is geen rekening gehouden met de omvang van de ontwikkelingen als voorzien in het bestemmingsplan. Reeds uit het verrichte onderzoek volgt dat ter plaatse van de beoogde ontsluiting in 2020 problemen zullen ontstaan met de doorstroming van het verkeer. De verkeersbewegingen van ambulances zijn niet betrokken bij het verrichte onderzoek. De capaciteit van de in 2013 gerealiseerde rotonde op de kruising Oostereind/Soestdijkerstraatweg is onvoldoende voor het verwerken van de verkeersstromen vanwege het zorgcentrum.

[appellant] voert aan dat de ontsluiting via het kruispunt Soestdijkerstraatweg met de noodweg tegenover de Surinamelaan vanaf 2013 feitelijk in gebruik is, voor onder meer het ambulanceverkeer. Gebleken is dat ter plaatse een verkeersonveilige situatie is ontstaan. Na realisatie van het voorziene zorgcentrum zullen de verkeersstromen ter plaatse aanzienlijk toenemen, hetgeen de verkeersveiligheid op het kruispunt nog verder zal aantasten, aldus [appellant].

6.1. De raad stelt dat Goudappel Coffeng bij de voorbereiding van het bestemmingsplan onderzoek heeft verricht naar de verkeerskundige gevolgen van het voorziene zorgcentrum. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport "Verkeersprognose omgeving Monnikenberg" van 20 januari 2012 (hierna: Verkeersrapport). Voor het berekenen van de verkeersstromen is een geavanceerd verkeersmodel gebruikt waarin Hilversum en omgeving in detail zijn gemodelleerd. Het betreft een geactualiseerde versie van het oorspronkelijke verkeersmodel, waarin de voorziene ontwikkelingen tot 2020 zo optimaal mogelijk zijn verdisconteerd. Volgens de raad volgt uit het Verkeersrapport dat de beoogde ontsluiting van het plangebied via het kruispunt Soestdijkerstraatweg/Surinamelaan ter plaatse niet zal leiden tot ernstige problemen met de doorstroming van het verkeer of tot een verkeersonveilige situatie. Het kruispunt Soestdijkerstraatweg/Surinamelaan is in verkeerskundig opzicht feitelijk nog niet gereed, zodat de bestaande situatie in zoverre niet representatief is voor de doorstroming en de verkeersveiligheid op het kruispunt na realisatie van het zorgcentrum, aldus de raad.

6.2. Aan de gronden ter plaatse van de beoogde toegangsweg is in het plan de bestemming "Verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor (weg)verkeer met de daarbij behorende voorzieningen.

6.3. Uit tabel 2.1 op pagina 3 van het Verkeersrapport volgt dat voor het berekenen van de verkeersintensiteit op wegen binnen en in de nabijheid van het plangebied gebruik is gemaakt van verkeerscijfers uit 2006. Deze cijfers berusten voornamelijk op tellingen. Voor een aantal wegvlakken is gebruik gemaakt van schattingen. In hoofdstuk 3 van het Verkeersrapport staat dat de ontwikkeling van de verkeersintensiteit berekend is door middel van het verkeersmodel van de gemeente, waarin alle voorziene ontwikkelingen zijn opgenomen, die rond 2020 gerealiseerd zullen zijn. In tabel 3.1 op pagina 6 van het Verkeersrapport is de prognose van de autonome ontwikkeling van het verkeer op de relevante wegvakken in 2020 weergegeven. In tabel 4.1 zijn de verwachte verkeersintensiteiten weergegeven na ontwikkeling van het plan Monnikenberg.

In het Verkeersrapport staat dat de verkeersgeneratie vanwege het zorgcentrum in de toekomst zal toenemen als gevolg van de beoogde vergroting van het ziekenhuis en de daarmee gepaard gaande groei van het aantal arbeidsplaatsen en het aantal bezoekers. Het aantal verkeersbewegingen vanwege het voorziene zorgcentrum is berekend door de bestaande verkeerscijfers te verhogen met een factor die gelijk is aan de voorziene toename van de vloeroppervlakte van het ziekenhuis. Het plan voorziet in een vergroting van de vloeroppervlakte van 84.750 m² naar 133.950 m². De groeifactor bedraagt 1,58. In het Verkeersrapport staat dat de gemaakte prognose van de verkeerstoename voor de toekomstige situatie als het "meest nadelige scenario" gezien moet worden. Dit is het gevolg van de omstandigheid dat het geprognosticeerde aantal arbeidsplaatsen (3.635 fte) hoger ligt dan het aantal waarvan initiatiefnemers uitgaan (maximaal 3.200 fte). Bovendien is bij het berekenen van de verkeersgeneratie ervan uitgegaan dat het gehele zorgprogramma wordt ingevuld met een ziekenhuis. In werkelijkheid wordt het programma mede ingevuld met zorggerelateerde voorzieningen. De verkeersgeneratie hiervan is minder groot dan van een ziekenhuis. In het Verkeersrapport is tevens rekening gehouden met de verkeersgeneratie vanwege de in het plan voorziene bouw van 600 woningen.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek naar de gevolgen van de voorziene ontsluiting van het zorgcentrum voor de verkeersafwikkeling is achterhaald en dat bij het berekenen van de verkeersintensiteiten op wegen binnen en in de nabijheid van het plangebied gebruik is gemaakt van gedateerde uitgangspunten.

6.4. In het Verkeersrapport wordt geconcludeerd dat het plan tot gevolg heeft dat de verkeersintensiteit bij de bestaande toegang tot het ziekenhuis, via de Van Riebeeckweg, afneemt. Het zwaartepunt van de verkeersstromen verplaatst zich naar de Soestdijkerstraatweg. De verkeersintensiteit op het westelijke deel van de Soestdijkerstraatweg, tussen de rotonde Soestdijkerstraatweg/Oostereind en het kruispunt Soestdijkerstraatweg/Surinamelaan, neemt toe met 55 procent. Deze toename is inclusief de autonome groei van het wegverkeer. Omdat dit gedeelte van de Soestdijkerstraatweg grotendeels voorzien is van twee rijstroken per rijrichting, zal een toename van het aantal verkeersbewegingen niet leiden tot problemen met de verkeersafwikkeling. In het oostelijke gedeelte van de Soestdijkerstraatweg stijgt het aantal verkeersbewegingen vanwege de autonome ontwikkeling van het verkeer van 9.790 naar 12.780 per etmaal. Het aantal geprognosticeerde verkeersbewegingen op dit wegvak, inclusief het plan Monnikenberg, bedraagt 13.240 per etmaal. Hoewel dit gedeelte van de Soestdijkerstraatweg voorzien is van één rijstrook per rijrichting, is ook hier voldoende capaciteit beschikbaar om de toekomstige verkeersstromen op te vangen. De verhouding tussen de toekomstige intensiteit en de capaciteit van het oostelijke deel van de Soestdijkerstraatweg bedraagt 0,71. Dit betekent dat het wegvlak voldoende restcapaciteit overhoudt.

In hoofdstuk 5 van het Verkeersrapport staat dat bij de feitelijke inrichting van het kruispunt Soestdijkerstraatweg/Surinamelaan voorzieningen getroffen worden voor een optimalisatie van de verkeersstromen en ter borging van de verkeersveiligheid. De belangrijkste verkeersstroom richting het zorgcentrum wordt veroorzaakt door het verkeer dat vanaf de Soestdijkerstraatweg op het kruispunt links afslaat. Om deze verkeersstroom optimaal te faciliteren dient op het kruispunt voorzien te worden in twee rijstroken voor het links afslaande verkeer. Ook wordt het kruispunt voorzien van verkeerslichten. De maximale cyclustijd voor het kruispunt blijft ruim binnen de maximale norm van 120 seconden. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door de raad voorgestane verkeerskundige voorzieningen als toegelicht in het Verkeersrapport niet effectief zullen zijn. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het plan deze voorzieningen toelaat.

Wat de gevolgen van het ambulanceverkeer voor de verkeersafwikkeling en de -veiligheid op het kruispunt betreft overweegt de Afdeling dat het aantal verkeersbewegingen per etmaal vanwege ambulances gering zal zijn in verhouding tot het totaal aantal verkeersbewegingen op het kruispunt. De raad heeft ter zitting toegelicht dat ambulances voorzien worden van een systeem dat verkeerslichten kan beïnvloeden, zodat ook in die situaties een veilige verkeersafwikkeling is gewaarborgd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene ontsluitingsweg naar het zorgcentrum via het kruispunt Soestdijkerstraatweg/Surinamelaan niet zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid ter plaatse.

7. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] dat onduidelijk is of de exploitant van het ziekenhuis in staat zal zijn om het project te realiseren, gelet op zijn financiële positie in relatie tot de hoogte van de investering, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan uitvoerbaar is. De Afdeling betrekt hierbij de omstandigheid dat het plan wordt gerealiseerd door de eigenaren van de gronden binnen het plangebied en dat de Stichting Tergooiziekenhuizen verklaard heeft dat zij verwacht dat de financiering voor het project medio 2014 gereed zal zijn.

8. Het beroepvoor zover gericht tegen het plan is ongegrond.

De omgevingsvergunning

9. Het college betoogt dat [appellant] geen belanghebbende is bij het beroep tegen de omgevingsvergunning. De afstand tussen zijn woning en de meest nabijgelegen boom bedraagt minimaal 125 m. [appellant] heeft vanuit zijn woning geen zicht op deze boom, aldus het college.

9.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 17 september 2003 in zaak nr. 200300594/1) dient een appellant om belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb te zijn bij een besluit tot verlening van een omgevingsvergunning voor het kappen een hem persoonlijk aangaand belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen. In de regel kan slechts als belanghebbende worden aangemerkt degene die op geringe afstand van de bomen woont, of vanuit zijn woning daarop zicht heeft. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan dat anders liggen.

9.2. De bestreden omgevingsvergunning ziet op het kappen van 1457 bomen. De afstand tussen de grens van het gebied waarin deze bomen staan en de woning van [appellant] bedraagt ongeveer 120 m. Gelet hierop is [appellant] aan te merken als belanghebbende bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning en is het beroep tegen dat besluit ontvankelijk.

10. Ter zitting heeft [appellant] zijn beroepsgrond dat de privaatrechtelijke overeenkomst van 5 juni 2013 inzake het kappen van bomen en herplanting ten onrechte niet is opgenomen als onderdeel van de omgevingsvergunning, ingetrokken.

11. [appellant] kan zich niet verenigen met het voorschrift dat aan de omgevingsvergunning is verbonden dat vergunninghouder uiterlijk gelijktijdig met de aanvraag om een benodigde omgevingsvergunning het college dient te informeren over de financiële risico’s van het onderdeel waarop die vergunning betrekking heeft. Volgens [appellant] is het voorschrift te vrijblijvend. Aan de verleende omgevingsvergunning had het college het voorschrift moeten verbinden dat pas een aanvang genomen mag worden met het kappen van bomen nadat onomstotelijk vaststaat dat de bouw van (delen van) het zorgcentrum gefinancierd kan worden.

11.1. Volgens het college bieden de gestelde voorschriften voldoende waarborgen tegen het voorbarig kappen van bomen. Daarnaast heeft de gemeente op 5 juni 2013 met de ontwikkelaars van de gronden binnen het plangebied een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten inzake het kappen van bomen en herplanting. De privaatrechtelijke overeenkomst maakt deel uit van de omgevingsvergunning, aldus het college.

11.2. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling als een verbod om een project, voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, zonder omgevingsvergunning uit te voeren.

Ingevolge artikel 2.3, onder c, is het verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.

Ingevolge artikel 4.5.2, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van Hilversum (hierna: APV) is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag bomen te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 4.5.4, eerste lid, kan het bevoegd gezag de vergunning onder verwijzing naar door het bevoegd gezag vast te stellen beleidsregels weigeren dan wel onder voorschriften verlenen […].

Ingevolge artikel 1.6 kan een vergunning of ontheffing worden ingetrokken of gewijzigd:

a. indien de houder of zijn rechtsverkrijger dit verzoekt;

b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;

e. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt.

11.3. Het college heeft aan de omgevingsvergunning een aantal voorschriften verbonden. Het gaat onder meer om de volgende voorschriften:

- aanvrager dient het college per planonderdeel uiterlijk op het moment van het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning voor het betreffende planonderdeel te informeren over de financiële en realisatierisico’s van dat planonderdeel;

- aanvrager dient daarbij het college te overtuigen van een voldoende beperking van deze risico’s, alvorens met de kap van de bomen te beginnen. Het college heeft het recht gebruik te maken van artikel 1.6 van de APV om de vergunning voor de kap ten behoeve van het betreffende planonderdeel eventueel in te trekken.

11.4. In de omgevingsvergunning staat dat de als bijlage gevoegde stukken deel uitmaken van de vergunning. Als bijlage 7 is de overeenkomst van 5 juni 2013 tussen de gemeente en de ontwikkelaars van het plangebied gevoegd. In artikel 3.5 van deze overeenkomst staat dat de ontwikkelaars de gemeente per planonderdeel uiterlijk op het moment van indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het betreffende planonderdeel dienen te informeren over de financiële en realisatierisico’s van dat planonderdeel. Ontwikkelaars dienen daarbij te specificeren welke bomen gekapt dienen te worden ten behoeve van dat planonderdeel. Daarbij dienen de ontwikkelaars aan te tonen dat de risico’s voldoende beperkt zijn, alvorens zij met de kap van de bomen kunnen beginnen. Voor het aantonen dat de risico’s beperkt zijn kunnen bijvoorbeeld bewijsstukken van de financiering, de opdrachtverstrekking aan de aannemer, realisatiebesluiten van de Raden van Bestuur, en dergelijke, worden overgelegd, aldus de overeenkomst.

11.5. Uit de hiervoor weergegeven voorschriften bij de omgevingsvergunning volgt dat vergunninghouder daarvan pas gebruik kan maken na toestemming van het college. Die toestemming is afhankelijk van de door het college te verrichten beoordeling van de haalbaarheid van de uitvoering van het project waarvoor de benodigde omgevingsvergunning wordt aangevraagd. De omgevingsvergunning voor het vellen kan worden ingetrokken wanneer de vergunningvoorschriften niet worden nagekomen. Gelet ook op artikel 3.5 van de overeenkomst van 5 juni 2013, die deel uitmaakt van de vergunning, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften bij de omgevingsvergunning een voldoende waarborg zijn ter voorkoming van het voorbarig kappen van bomen.

11.6. Het beroep voor zover gericht tegen de omgevingsvergunning is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Zwemstra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013

91-739.