Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2500

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201306053/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 mei 2013 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu het inpassingsplan "Rijksinpassingsplan Dijkverbetering Hagestein-Opheusden" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:13
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Algemene wet bestuursrecht 8:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/705

Uitspraak

201306053/1/R6.

Datum uitspraak: 18 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te Zoelmond, gemeente Buren (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2], wonend te Opheusden, gemeente Neder-Betuwe,

3. [appellant sub 3], wonend te Kesteren, gemeente Neder-Betuwe,

4. [appellanten sub 4], wonend te Culemborg,

5. [appellant sub 5], wonend te Laakdal (België),

6. [appellant sub 6], wonend te Beusichem, gemeente Buren,

appellanten,

en

de minister van Infrastructuur en Milieu en het college van burgemeester en wethouders van Culemborg,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2013 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu het inpassingsplan "Rijksinpassingsplan Dijkverbetering Hagestein-Opheusden" vastgesteld.

Ter uitvoering van het plan heeft, voor zover hier van belang, het college van burgemeester en wethouders van Culemborg omgevingsvergunningen verleend voor het bouwen van damwanden en het vellen van houtopstanden.

Het inpassingsplan en de uitvoeringsbesluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt op grond van artikel 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening.

Tegen het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan en/of tegen één of meer besluiten tot het verlenen van de omgevingsvergunningen hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] beroep ingesteld.

De minister en het college van burgemeester en wethouders van Culemborg hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en de minister hebben nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 20 september 2013 heeft de minister het inpassingsplan gewijzigd, voor zover het betreft de dwarsprofielen die op de verbeelding zijn aangeduid met de nummers 1 tot en met 10, 45 tot en met 53 en 55 tot en met 94.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2013, waar [appellanten sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 1], bijgestaan door drs. M.P.W. Brienissen-Sterkenburg, en de minister en het college van burgemeester en wethouders van Culemborg, vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Roelands-Fransen en mr. L. van der Meulen, advocaten te Den Haag, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord het waterschap Rivierenland, vertegenwoordigd door mr. D.S.P. Roelands-Fransen en mr. L. van der Meulen, advocaten te Den Haag, en ir. R. van den Berg, werkzaam bij het waterschap.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

Overwegingen

Het project

1. Het inpassingsplan voorziet in de versterking van de rivierdijken langs de Neder-Rijn en de Lek tussen Hagestein en Opheusden, in de gemeenten Vianen, Culemborg, Buren en Neder-Betuwe. Het inpassingsplan dient ter uitvoering van de op 19 december 2006 van rijkswege vastgestelde Planologische kernbeslissing "Ruimte voor de Rivier", die is gericht op het op het vereiste niveau brengen van de bescherming van het rivierengebied tegen overstromingen en op het leveren van een bijdrage aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het rivierengebied.

Het inpassingsplan maakt het mogelijk om over een totale lengte van ongeveer 31 km dijkversterkingsmaatregelen te treffen, verdeeld over drie deeltrajecten, te weten het traject Hagestein-Fort Everdingen (hierna: HAF), het traject Fort Everdingen-Ravenswaaij (hierna: FER) en het traject Rijswijk-Opheusden (hierna: ROP). De deeltrajecten zijn voorts verdeeld in dijksecties. Geen van de beroepen heeft betrekking op het traject HAF.

Per deeltraject is een milieueffectrapport (hierna: MER) gemaakt. In de milieueffectrapporten zijn per dijksectie verschillende alternatieven beschreven voor de dijkverbetering, waaronder een voorkeursalternatief voor de drie afzonderlijke trajecten. Het inpassingsplan is gebaseerd op de voorkeursalternatieven.

In het voor de drie trajecten opgestelde "Dijkverbeteringsplan Dijkverbetering Hagestein-Opheusden" (hierna: dijkverbeteringsplan), dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, zijn de voorkeursalternatieven voor de drie deeltrajecten uitgewerkt en is een beschrijving gegeven van de gekozen maatregelen.

Ter uitvoering van het plan zijn, voor zover hier van belang, omgevingsvergunningen verleend voor het bouwen van damwanden en het vellen van houtopstanden.

Planregels

2. Ingevolge artikel 7, lid 7.1, van de planregels zijn de voor "Waterstaat-Waterkering" aangewezen gronden - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor:

a. het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering;

b. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals kunstwerken, dijksloten en andere waterstaatswerken.

Ingevolge lid 7.4 geschiedt het aanleggen en instandhouden van de waterkering ter plaatse van de aanduiding "dwarsprofiel" overeenkomstig de met de aanduiding "dwarsprofiel" opgenomen dwarsprofielen.

Wijzigingsbesluit

3. Bij besluit van 20 september 2013 heeft de minister het besluit van 22 mei 2013 gewijzigd. De wijziging betreft een vervanging van dwarsprofielen met de nummers 1 tot en met 10, 45 tot en met 53 en 55 tot en met 94 in het traject HAF en het traject ROP. Het nieuwe besluit is genomen omdat het bij het besluit van 22 mei 2013 elektronisch vastgestelde inpassingsplan wat betreft deze dwarsprofielen afwijkt van de papieren versie.

4. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

5. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben belang bij de beoordeling van het besluit van 20 september 2013, aangezien de dwarsprofielen nabij hun percelen in het traject ROP bij dat besluit zijn gewijzigd. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb hebben de beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] dan ook mede betrekking op het besluit van 20 september 2013.

[appellant sub 3] heeft zijn beroep tegen het besluit van 20 september 2013 bij brief van 7 oktober 2013 ingetrokken. Het besluit van 20 september 2013 ligt daarom slechts ter beoordeling voor, voor zover het het beroep van [appellant sub 2] betreft.

Toetsingskader inpassingsplan

6. Bij de vaststelling van een inpassingsplan heeft de minister beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de minister uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

TRAJECT FER

Het beroep van [appellanten sub 4]

7. [appellanten sub 4] wonen aan de [locatie A] onderscheidenlijk [locatie B] te Culemborg. Zij kunnen zich niet verenigen met de beoogde ontsluiting van hun percelen. Zij betogen dat de ontsluiting via de bestaande halfverharde toegangsweg dient te worden behouden dan wel dat moet worden voorzien in een oprit naar de dijk met een vlak gedeelte van 2 m vanaf de zuidwestelijke erfgrens van het perceel [locatie A]. Het onderhoud van de oprit dient daarbij niet voor hun rekening te komen.

8. De percelen van [appellanten sub 4] zijn gesitueerd in het deeltraject FER, sectie C.

In de thans bestaande situatie worden de percelen van [appellanten sub 4] ontsloten via een half verharde toegangsweg onderlangs de dijk, aansluitend op het naburige Palumbusparkeerterrein. De minister heeft toegelicht dat in verband met de wijzigingen van de inrichting van het Palumbusparkeerterrein ten gevolge van de dijkverbetering de gemeente Culemborg het uit verkeerskundig oogpunt niet gewenst acht om de percelen van [appellanten sub 4] daarop aan te sluiten. Om de percelen van [appellanten sub 4] te ontsluiten zal daarom een op- en afrit worden aangelegd ter hoogte van het perceel van Benschop.

9. De wijziging van de ontsluiting van de percelen van [appellanten sub 4], die daaruit bestaat dat [appellanten sub 4] geen gebruik meer kunnen maken van de bestaande ontsluitingsweg, is niet het gevolg van het plan en de daarbij behorende dwarsprofielen, maar betreft een gevolg van door de gemeente Culemborg in verband met de herinrichting van het Palumbusterrein gewenste verkeersmaatregelen. Deze verkeersmaatregelen staan thans niet ter beoordeling. De door [appellanten sub 4] gestelde omstandigheid dat op de bestaande ontsluitingsweg een erfdienstbaarheid rust en de eventuele ten gevolge van het opheffen van die erfdienstbaarheid te lijden schade in de vorm van voor hun rekening komende kosten in de nieuwe situatie, zijn aspecten die daarom thans evenmin aan de orde kunnen komen. Het betoog over de door [appellanten sub 4] in dat verband te maken kosten voor het onderhoud van de op- en afrit slaagt daarom niet.

Ter zitting hebben de minister en het waterschap overigens toegezegd dat zal worden voorzien in het door [appellanten sub 4] gewenste vlakke gedeelte van 2 m gerekend vanaf de zuidwestelijke erfgrens van het perceel [locatie A] en een daarop aansluitende op- en afrit.

10. Het betoog van [appellanten sub 4] geeft geen grond voor de conclusie dat de minister na afweging van de betrokken belangen het inpassingsplan wat betreft het traject FER niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

De beroepen van [appellant sub 5] en [appellant sub 6]

11. [appellant sub 5] heeft een perceel, kadastraal bekend gemeente Culemborg, sectie […], in eigendom. Zijn beroep is gericht tegen het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan en tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Culemborg waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor de kap van 2 hoogstamappelbomen op zijn perceel.

[appellant sub 6] heeft een perceel, kadastraal bekend gemeente Culemborg, sectie […], in eigendom. Zijn beroep is gericht tegen het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan en tegen twee besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Culemborg waarbij omgevingsvergunningen zijn verleend voor het plaatsen van damwanden nabij zijn perceel.

12. De minister en het college van burgemeester en wethouders van Culemborg betogen dat de beroepen van [appellant sub 5] en [appellant sub 6] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat zij geen zienswijzen over de ontwerpbesluiten naar voren hebben gebracht.

13. [appellant sub 5] en [appellant sub 6] stellen zich op het standpunt dat het niet indienen van zienswijzen verschoonbaar is. Zij betogen dat zij er op basis van een in maart 2012 met het waterschap Rivierenland gevoerd gesprek vanuit mochten gaan dat een gedeelte van hun percelen zou worden verworven door het waterschap. Volgens hen volgt dat ook uit het ontwerpinpassingsplan. [appellant sub 5] voert aan dat op de aanvraag om omgevingsvergunning voor de kap van de bomen het waterschap Rivierenland als eigenaar en huurder is aangeduid.

14. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een rijksinpassingsplan en de uitvoeringsbesluiten door een belanghebbende die over de ontwerpbesluiten niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

15. In paragraaf 7.1.3 van de plantoelichting bij het ontwerpinpassingsplan staat dat de aan te kopen gronden zijn weergegeven op de grondverwervingskaarten. De grondverwervingskaarten zijn opgenomen in het dijkverbeteringsplan, dat als bijlage bij de plantoelichting van het ontwerpinpassingsplan ter inzage is gelegd. Op de grondverwervingskaarten is het perceel […] van [appellant sub 5] noch het perceel […] van [appellant sub 6] aangeduid als aan te kopen grond. [appellant sub 5] en [appellant sub 6] hadden daaruit kunnen opmaken dat hun percelen niet ten behoeve van de dijkversterking zouden worden aangekocht. De kaarten zijn bij de vaststelling niet gewijzigd. De plangrenzen van het inpassingsplan en de dijkverbeteringsmaatregelen in het dijkverbeteringsplan zijn, voor zover het de percelen [appellant sub 5] en [appellant sub 6] betreft, evenmin gewijzigd. Ook in de tot de omgevingsvergunningen voor het kappen van de twee bomen en het bouwen van de damwanden behorende stukken zijn bij de besluiten tot het verlenen ervan geen wijzigingen aangebracht ten opzichte van de stukken die tot de ontwerpbesluiten behoren, voor zover het de betrokken percelen betreft.

Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van betrokkenen om zich deugdelijk op de hoogte te stellen omtrent de inhoud van de ter inzage gelegde ontwerpbesluiten. De namens het waterschap Rivierenland met [appellant sub 5] en [appellant sub 6] gevoerde gesprekken maken dat in dit geval niet anders. Van overeenkomsten of andere documenten waaraan [appellant sub 5] en [appellant sub 6] de gerechtvaardigde verwachting konden ontlenen dat hun gronden zouden worden aangekocht, is niet gebleken. De door [appellant sub 5] bedoelde aanvraag om een omgevingsvergunning, waar het waterschap Rivierenland als eigenaar dan wel huurder is aangeduid, is daartoe onvoldoende.

16. De door [appellant sub 5] en [appellant sub 6] aangevoerde omstandigheden geven daarom geen grond voor het oordeel dat hun redelijkerwijs niet kan worden verweten geen zienswijzen over de ontwerpbesluiten te hebben ingediend.

De beroepen zijn niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 1]

17. De Afdeling begrijpt het beroep van [appellant sub 1] aldus dat het is gericht tegen het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan.

[appellant sub 1] betoogt dat ter plaatse van zijn perceel aan de [locatie C] te Zoelmond ten onrechte wordt volstaan met het aanbrengen van een kleilaag buitendijks. Hij voert aan dat had moeten worden voorzien in een damwandconstructie, zoals bij het perceel Lekdijk Oost 38, en dat daar onvoldoende onderzoek naar is gedaan. Tevens brengt hij naar voren dat niet duidelijk is waarom niet is gekozen voor een taludverandering. Hij vreest voorts voor schade ten gevolge van de dijkverzwaring in de vorm van een toename van vochtproblemen aan zijn woning en de bijbehorende opstallen ten gevolge van de met de dijkverzwaring gepaard gaande werkzaamheden, waaronder het plaatsen van een damwand bij de woning aan de Lekdijk Oost 38.

[appellant sub 1] betoogt dat moet worden getwijfeld aan de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan, omdat niet duidelijk is of de te vergoeden schade aan woningen bij de besluitvorming is betrokken en financiële gegevens over de ter plaatse afgewogen alternatieven ontbreken.

[appellant sub 1] wenst vergoeding van immateriële schade, die volgens hem is veroorzaakt door het schenden van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) wegens overschrijding van de redelijke termijn, het onzorgvuldig uitvoeren van besluitvorming inzake dijkverbetering en het nalaten van handelen door het waterschap Rivierenland. [appellant sub 1] voert daartoe aan dat namens het waterschap Rivierenland meerdere toezeggingen zijn gedaan in verband met de vochtproblemen in zijn woning. Hij brengt verder naar voren dat sprake is van vooringenomenheid. Tevens verzoekt [appellant sub 1] om vergoeding van schade in het kader van reeds afgeronde procedures in het kader van dijkversterkingsprojecten.

18. Het perceel van [appellant sub 1] is gesitueerd in het deeltraject FER, sectie L. In het MER zijn de effecten van verschillende realistische alternatieven voor dijkverbetering beschreven en met elkaar vergeleken. Daarbij zijn ook de kosten van de verschillende alternatieven betrokken. Voor sectie L betekent dit dat is gekozen voor een binnenwaartse oplossing in grond en waar nodig een constructie, hetgeen is uitgewerkt in het dijkverbeteringsplan. Voorts zal bij sectie L aan de buitenzijde van de dijk klei worden ingegraven om het probleem van piping op te lossen.

Uit het dijkverbeteringsplan volgt dat bij de woning van [appellant sub 1] voldoende ruimte is voor de aanleg van een berm. De minister heeft in het verweerschrift aan de hand van de dwarsprofielen, die op de verbeelding zijn aangeduid, toegelicht dat het daarom niet nodig is om bij het perceel van [appellant sub 1] een binnenwaartse constructie in de vorm van een damwand te plaatsen. De naastgelegen woning aan de Lekdijk Oost 38 is 1 m dichter bij de dijk gesitueerd dan de woning van [appellant sub 1] en ligt lager dan de woning van [appellant sub 1]. Anders dan bij de woning van [appellant sub 1], is een damwand ter plaatse van die woning nodig om die woning te kunnen handhaven. Het betoog van [appellant sub 1] geeft gelet daarop geen aanleiding voor de conclusie dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het voorzien in een damwand ter hoogte van de woning van [appellant sub 1]. Het standpunt van de minister dat een damwand verhoudingsgewijs kostbaarder is dan de aanberming waar ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] in is voorzien, acht de Afdeling niet onredelijk. Het betoog dat bij de besluitvorming geen inzicht is gegeven in de kosten van een damwand en een aanberming leidt daarom niet tot een andere conclusie.

Uit het dijkverbeteringsplan volgt dat het buitentalud ter hoogte van de woning van [appellant sub 1] niet wordt aangepast. De minister heeft ter zitting nader toegelicht dat, omdat zich ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] geen stabiliteitsproblemen voordoen, geen aanvullende maatregelen, zoals een wijziging van het talud, zijn vereist. [appellant sub 1] heeft dit niet inhoudelijk betwist.

Gelet op het voorgaande heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat de minister zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is te verwachten dat een toename van wateroverlast zal optreden ten gevolge van het plan.

19. In het onderzoeksrapport "Schadekwalificatiekaarten RIP-vak" van Movares Nederland B.V. van 20 juni 2012 zijn de resultaten neergelegd van onderzoek dat is gedaan naar de kans op schade ten gevolge van het intrillen van damwanden. Ook de gevolgen van het intrillen van de damwand ter plaatse van de woning aan de Lekdijk Oost 38 zijn daarin betrokken. De woning van [appellant sub 1] aan de [locatie C] komt niet voor in de lijst met panden waar kans is op schade of schade wordt verwacht. [appellant sub 1] heeft zijn standpunt dat niettemin schade is te verwachten, niet nader onderbouwd. De minister heeft zich daarom onder verwijzing naar dit rapport in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten gevolge van de maatregel ter plaatse van het perceel Lekdijk Oost 38 geen schade is te verwachten ter plaatse van de woning van [appellant sub 1].

In de plantoelichting staat bovendien dat uitgangspunt bij de uitvoering van de maatregelen is dat schade aan opstallen wordt voorkomen. Bij de uitvoering van de maatregel worden redelijkerwijs te treffen voorzorgsmaatregelen in acht genomen ter voorkoming dan wel beperking van schade. Daartoe zullen bouwkundige opnames worden verricht en trillingsmetingen uitgevoerd. Eventuele schade die niettemin optreedt, zal worden vergoed, zo staat in de plantoelichting. Niet aannemelijk is dat de omvang van die eventuele schade zodanig zal zijn dat de minister het inpassingsplan niet dan wel anders had moeten vaststellen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de minister volgens de plantoelichting het risico dat en de mate waarin schade zal worden toegebracht heeft betrokken bij de keuze voor het ontwerp van de maatregelen.

20. In het kader van een beroep tegen een inpassingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de minister op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. Het enkele betoog van [appellant sub 1] dat twijfel bestaat over de uitvoerbaarheid van het inpassingsplan vanwege de hoogte van de te ondervinden schade en het ontbreken van inzicht in de kosten van de ter plaatse van zijn perceel afgewogen maatregelen leidt, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, niet tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

21. Van eventuele aan de minister toe te rekenen concrete toezeggingen waaraan [appellant sub 1] het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat in het kader van het inpassingsplan een oplossing zou worden geboden voor de reeds bestaande in de woning voorkomende vochtproblemen is niet gebleken. Uit de door [appellant sub 1] overgelegde documenten kan een dergelijke concrete toezegging niet worden afgeleid. Voorts liggen in deze procedure alleen het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan door de minister en de besluiten ter uitvoering van het inpassingsplan, die niet zijn genomen door het waterschap Rivierenland, ter beoordeling voor. Reeds afgeronde procedures of gesteld nalatend handelen van het waterschap Rivierenland zijn nu derhalve niet aan de orde. Het daarop betrekking hebbende betoog faalt reeds daarom.

22. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 7 juli 2010 in zaak nr. 200903026/1/R1 is met de vaststelling van het bestemmingsplan tevens een beslissing genomen omtrent de burgerlijke rechten en verplichtingen van appellanten. Hiervan uitgaande begint de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn in een bestemmingsplanzaak die is voorbereid krachtens de Wro te lopen bij het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan door betrokkenen. Dat geldt ook voor een rijksinpassingsplan.

De tijdsduur die is gemoeid met de voorbereiding en vaststelling van het inpassingsplan blijft voor het bepalen van de ingangsdatum van de in artikel 6 van het EVRM bedoelde termijn derhalve buiten beschouwing. Het betoog over artikel 6 EVRM faalt derhalve.

23. Het betoog van [appellant sub 1] geeft gezien het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in strijd heeft gehandeld met het in artikel 3:2 van de Awb opgenomen zorgvuldigheidsbeginsel, het in artikel 2:4, eerste lid, van die wet opgenomen verbod van vooringenomenheid of het vertrouwensbeginsel.

24. Het betoog van [appellant sub 1] geeft geen grond voor de conclusie dat de minister na afweging van de betrokken belangen het inpassingsplan wat betreft het traject FER niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Conclusie traject FER

25. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellanten sub 4] en [appellant sub 1] ongegrond. De beroepen van [appellant sub 5] en [appellant sub 6] zijn niet-ontvankelijk.

TRAJECT ROP

26. De Afdeling zal voor wat betreft het traject ROP eerst het inpassingsplan, zoals vastgesteld bij het besluit van 22 mei 2013, beoordelen.

Het beroep van [appellant sub 3]

27. [appellant sub 3] oefent een detailhandelsbedrijf uit en heeft daarvoor de panden aan de locatie D] en [locatie E] te Opheusden in gebruik. Hij kan zich niet verenigen met het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan omdat dit negatieve gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering. Hij voert daartoe aan dat de bereikbaarheid van zijn panden aan de Rijnbandijk door het ophogen van de dijk wordt belemmerd. Verder brengt hij in dit verband naar voren dat het inpassingsplan ten koste gaat van het aantal parkeerplaatsen bij zijn bedrijf. Daarnaast vreest hij voor hydrologische gevolgen van de maatregelen die het inpassingsplan mogelijk maakt. Hij betoogt dat daar onvoldoende onderzoek naar is gedaan.

28. Het perceel van [appellant sub 3] is gesitueerd in het deeltraject ROP, dijksectie 1a, deelsectie 6. In het dijkverbeteringsplan staat dat in deelsectie 6 een binnenwaartse versterking van de dijk wordt uitgevoerd. Naar aanleiding van de door [appellant sub 3] over het ontwerpinpassingsplan naar voren gebrachte zienswijze is ten behoeve van de toegang tot zijn panden voorzien in keerwanden en in een op- en afrit onder afschot, om de bevoorrading van zijn panden mogelijk te maken. Het aantal parkeerplaatsen neemt ten gevolge van deze maatregelen met de helft af. Volgens de minister resteren echter nog voldoende parkeerplaatsen zodat de bedrijfsvoering van [appellant sub 3] kan worden voortgezet. Bovendien is het pand bereikbaar voor bezoekers.

[appellant sub 3] heeft dit niet betwist.

29. De minister heeft aangegeven dat het ontwerp van de maatregel in de vorm van het plaatsen van een keerwand ter plaatse van het perceel van [appellant sub 3] zodanig zal worden uitgevoerd dat eventuele wateroverlast ten gevolge van deze maatregel zoveel als mogelijk zal worden beperkt. Voor zover onverhoopt toch schade zal optreden ten gevolge van de maatregel, zullen volgens de minister op grond van het dijkverbeteringsplan aanvullende maatregelen worden getroffen.

Gelet daarop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de minister vanwege de hydrologische gevolgen van de maatregelen niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in een oplossing voor de bereikbaarheid van de panden van [appellant sub 3] in de vorm van keerwanden met een op- en afrit onder afschot.

30. Het betoog van [appellant sub 3] geeft geen grond voor de conclusie dat het inpassingsplan zodanige gevolgen heeft voor [appellant sub 3] dat de minister na afweging van de betrokken belangen het inpassingsplan wat betreft het traject ROP niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Het beroep van [appellant sub 2]

31. [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan voor zover daarin niet is voorzien in de mogelijkheid om een woning op dan wel nabij zijn perceel aan de [locatie F] te Opheusden op te richten.

32. Aan het perceel van [appellant sub 2] zijn de dubbelbestemming "Waterstaat-Waterkering" en de bestemmingen "Agrarisch met waarden-landschap en natuur" en "Verkeer" toegekend. Het perceel is gesitueerd in het deeltraject ROP, dijksectie 1a, deelsectie 5. Uit het MER volgt dat ter hoogte van onder meer deelsectie 5 is gekozen voor een buitenwaartse dijkversterking, die tot gevolg heeft dat drie bestaande buitendijkse woningen, waaronder de woning van [appellant sub 2], niet kunnen worden gehandhaafd. Er zijn vier varianten van buitenwaartse dijkversterking van de dijk ter plaatse onderzocht, waaronder varianten om woningen te herbouwen. Gekozen is voor de variant van een asverschuiving van 6 tot 10 m en het amoveren van de woningen en niet voor een herbouw van de woningen.

33. In de "Nota van beantwoording zienswijzen MER, ontwerprijksinpassingsplan en overige ontwerpbesluitennotitie" wordt verwezen naar de notitie "Hydraulische effecten terp Rijnbandijk 4" van Witteveen+Bos van 27 februari 2013, die is opgesteld naar aanleiding van de zienswijzen die [appellant sub 2] over het ontwerpinpassingsplan naar voren heeft gebracht. In die notitie is een rivierkundige beoordeling op basis van "expert judgement" van de door [appellant sub 2] voorgestelde maatregel om een woning te herbouwen op een terp opgenomen. Volgens de notitie zal een aanvulling met één terp met daarop een woning leiden tot een extra vernauwing van het lokale doorstroomprofiel. Daardoor kan een significant effect op de maatgevende waterstand bij hoogwater niet worden uitgesloten. Volgens de minister is het bouwen van een terp daarom niet in overeenstemming met het rijksbeleid voor ruimtelijke ontwikkelingen in het rivierbed, zoals neergelegd in de Beleidsregels grote rivieren.

34. [appellant sub 2] heeft de notitie inhoudelijk niet bestreden. Het betoog van [appellant sub 2] bevat ook overigens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister zich voor zijn standpunt dat het voorzien in de bouw van een woning op een terp, zoals door [appellant sub 2] gewenst, in strijd is met de Beleidsregels grote rivieren, niet op de notitie van Witteveen en Bos heeft mogen baseren.

35. Het betoog van [appellant sub 2] geeft geen grond voor de conclusie dat de minister na afweging van de betrokken belangen het inpassingsplan wat betreft het traject ROP niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Wijzigingsbesluit

36. Het wijzigingsbesluit van 20 september 2013 betreft een vervanging van dwarsprofielen met de nummers 1 tot en met 10, 45 tot en met 53 en 55 tot en met 94 in het traject HAF en het traject ROP. De wijziging van de dwarsprofielen nabij het perceel van [appellant sub 2] betreft een toevoeging van een legenda. De beroepsgronden van [appellant sub 2] zien niet op aspecten die daarbij zijn betrokken.

Er is daarom in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de minister het wijzigingsbesluit niet heeft mogen nemen.

Conclusie traject ROP

37. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3] tegen het besluit van 22 mei 2013 ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] tegen de besluiten van 22 mei en 20 september 2013 is eveneens ongegrond.

Proceskostenveroordeling

38. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 5] en [appellant sub 6] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Duursma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013

378.