Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2486

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201304058/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ8749, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2012 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304058/1/V3

Datum uitspraak: 10 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 april 2013 in zaak nr. 12/39194 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2012 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 3 april 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 7 december 2012, gelet op de inhoud en systematiek, niet anders gelezen kan worden dan dat het inreisverbod gebaseerd is op artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

Hiertoe betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank aldus heeft miskend dat het inreisverbod is gebaseerd op artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, aangezien de vreemdeling Nederland niet heeft verlaten binnen de hem bij besluit van 20 juli 2011 gestelde vertrektermijn.

2.1. Bij besluit van 20 juli 2011 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Bij uitspraak van 19 januari 2012 in zaak nr. 11/26681 heeft de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 2 mei 2012 in zaak nr. 201201736/1/V1 heeft de Afdeling die uitspraak bevestigd.

2.2. Onder verwijzing naar de uitspraak van 15 juni 2012 in zaak nr. 201203301/1/V3 overweegt de Afdeling dat de staatssecretaris het inreisverbod bij separaat besluit van 7 december 2012 heeft uitgevaardigd. Het inreisverbod is in dit geval dan ook niet verbonden aan de tevens in het besluit van 7 december 2012 vervatte opdracht de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, maar aan het terugkeerbesluit dat is vervat in het in voormelde procedure in zaak nr. 201201736/1/V1 voorliggende besluit van 20 juli 2011. Dit leidt tot de conclusie dat het inreisverbod is gebaseerd op artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en dat er derhalve een wettelijke grondslag voor het opleggen van het inreisverbod was. De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inreisverbod beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

4. De vreemdeling heeft betoogd dat het inreisverbod een inmenging oplevert in zijn gezinsleven met zijn rechtmatig in Noorwegen woonachtige verloofde en de staatssecretaris niet voldoende heeft gemotiveerd waarom deze inmenging gerechtvaardigd is.

4.1. Blijkens het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van gehoor van 7 december 2012, waarnaar in het besluit van 7 december 2012 is verwezen, heeft de vreemdeling reeds bij de besluitvorming gewezen op zijn rechtmatig in Noorwegen verblijvende verloofde. Voor zover het kort verblijf bij haar betreft, heeft de staatssecretaris hier opgemerkt dat het uitoefenen van het recht op gezinsleven op andere wijze niet onmogelijk is gebleken, omdat de vreemdeling haar in zijn land van herkomst of enig ander land kan ontmoeten. Voor zover het lang verblijf bij haar betreft, heeft de staatssecretaris betoogd dat de vreemdeling een daartoe strekkende aanvraag kan indienen die bij inwilliging tot ambtshalve opheffing van het inreisverbod zal leiden.

Gelet op het vorenstaande en nu de vreemdeling niet heeft onderbouwd waarom hij in zijn land van herkomst of elders het gezinsleven met zijn verloofde niet kan uitoefenen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris zich ten onrechte op voormeld standpunt heeft gesteld. De beroepsgrond faalt derhalve.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 april 2013 in zaak nr. 12/39194;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van staat.

De voorzitter w.g. Snijders

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013

279