Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2483

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201303978/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juli 2012, kenmerk 284154, heeft de staatssecretaris aan Rijkswaterstaat Noord-Nederland een vergunning krachtens artikel 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het verwijderen van drempels in de vaarweg 'Boontjes' tussen Harlingen en Kornwerderzand, die zich bevinden in het Natura 2000-gebied "Waddenzee" en eventueel noodzakelijk onderhoud daarna tot 31 december 2015.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 16
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/673
Milieurecht Totaal 2014/6030

Uitspraak

201303978/1/R2.

Datum uitspraak: 18 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats], en anderen,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (thans: van Economische Zaken),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2012, kenmerk 284154, heeft de staatssecretaris aan Rijkswaterstaat Noord-Nederland een vergunning krachtens artikel 16 en 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het verwijderen van drempels in de vaarweg 'Boontjes' tussen Harlingen en Kornwerderzand, die zich bevinden in het Natura 2000-gebied "Waddenzee" en eventueel noodzakelijk onderhoud daarna tot 31 december 2015.

Bij besluit van 19 maart 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellante] en anderen hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellante] en anderen beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellante] en anderen en de staatssecretaris hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2013, waar [appellante] en anderen, vertegenwoordigd door mr. P.W.H.M. Haans, advocaat te Bergen op Zoom, bijgestaan door [gemachtigden], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.E. de Groot-Valenteijn, werkzaam bij het ministerie, bijgestaan door K. Laros, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten in een beschermd natuurmonument handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren, dan wel in strijd met de bij een vergunning gestelde voorschriften of beperkingen handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen.

2. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

3. [appellante] en anderen betogen dat de vergunde baggeractiviteiten kunnen leiden tot verstikking van de mosselen op vier kweekpercelen die zij huren nabij de vaargeul 'Boontjes', waardoor die niet meer kunnen dienen als voedselbron voor duikeenden zoals de topper en de eider. Omdat voor deze vogelsoorten instandhoudingsdoelstellingen zijn opgenomen in het aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied "Waddenzee" kan het project tot significante gevolgen leiden, aldus [appellante] en anderen.

3.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de betrokken vier kweekpercelen van [appellante] en anderen geen bijdrage leveren aan de instandhoudingsdoelstellingen van de Waddenzee, gelet op het commerciële gebruik daarvan en de omstandigheid dat slechts incidenteel mosselzaad op die kweekpercelen valt. Daarnaast is volgens de staatssecretaris de Nbw 1998 niet bedoeld om de kwaliteit van kweekpercelen ten behoeve van commercieel gebruik te waarborgen.

3.2. De Afdeling volgt [appellante] en anderen niet in hun stelling dat hun vier kweekpercelen - die in het Natura 2000-gebied "Waddenzee" liggen - een bijdrage leveren aan de instandhoudingsdoelstellingen van dit natuurgebied.

Hierbij betrekt de Afdeling dat volgens het deskundigenbericht in de huidige situatie geen mosselbanken aanwezig zijn op die kweekpercelen van [appellante] en anderen, hetgeen niet is weersproken. Voorts komt volgens het deskundigenbericht slechts incidenteel - in de orde van grootte van één of twee keer per tien jaar - mosselzaad op die kweekpercelen terecht. Door [appellante] en anderen is niet gesteld noch is gebleken dat dit vaker plaatsvindt. Bovendien is niet in geschil dat in het incidentele geval dat in de zomerperiode mosselzaad op hun vier percelen terecht komt, dit mosselzaad in het najaar en het voorjaar dat volgt op de mosselzaadval wordt opgevist en dit vervolgens elders in de Waddenzee en Voordelta wordt uitgezet om het daar op te kweken tot volwassen mosselen. Ter zitting is daar namens de staatssecretaris aan toegevoegd dat bij inventarisaties in het gebied geen foeragerende duikeenden zijn waargenomen ter plaatse van de vier bewuste kweekpercelen.

Nu niet is gebleken dat de vier kweekpercelen noemenswaardige aantallen mosselen bevatten en dat schelpdieretende vogelsoorten daar foerageren, hebben [appellante] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat die kweekpercelen een functie vervullen als foerageergebied van de toppereenden en de eidereenden. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vergunde baggeractiviteiten geen nadelige gevolgen hebben voor de functie van de kweekpercelen van [appellante] en anderen als foerageergebied voor schelpdieretende vogels en dat die activiteiten derhalve in zoverre de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen aantasten.

4. Voorts betogen [appellante] en anderen dat hun vier kweekpercelen nabij de vaargeul 'Boontjes' minder geschikt worden voor het oogsten van mosselzaad door slibafzetting op hun percelen als gevolg van de baggerwerkzaamheden, waardoor zij eventueel schade zullen leiden. De wijze van monitoring van de mogelijke slibafzetting die in voorschriften 22 en 23 van de vergunning is voorgeschreven is volgens hen onvoldoende om de eventuele schade op juiste wijze te kunnen vaststellen. Daarbij wijzen zij in het bijzonder op het feit dat volgens hen ten onrechte de delen van hun kweekpercelen die ondieper zijn dan 3,0 meter onder N.A.P. niet in het monitoringsplan zijn betrokken.

4.1. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de mogelijke effecten op de natuurwaarden van de Waddenzee zijn beschreven in de passende beoordeling die is verricht voor dit project en geen verdere monitoring van die effecten nodig is. Op basis van die passende beoordeling is geconcludeerd dat significante negatieve effecten van de vergunde baggeractiviteiten op de instandhoudingsdoelstellingen van kwalificerende soorten en habitattypen in de Waddenzee kunnen worden uitgesloten. Ter zitting is namens de staatssecretaris toegelicht dat met het opnemen van de monitoringsvoorschriften is aangesloten bij de procedure ingevolge de Waterwet en dat de monitoringsvoorschriften zijn bedoeld om eventuele economische schade voor [appellante] en anderen, als gevolg van mogelijke slibafzetting op hun kweekpercelen, te kunnen vaststellen. In het geval dat schade ontstaat, kunnen [appellante] en anderen een verzoek om een vergoeding indienen ingevolge artikel 7.14 van de Waterwet, aldus de staatssecretaris.

4.2. In voorschrift 23 van de onderhavige Nbw-vergunning is bepaald dat het monitoringsplan volledig en juist dient te worden uitgevoerd en dat dit monitoringsplan is opgenomen in het projectplan. Het projectplan waarop in voorschrift 23 wordt gedoeld is het 'Projectplan Drempelverwijdering Boontjes' dat op 12 juli 2012, kenmerk DNN 2012/2371, is vastgesteld ingevolge artikel 5.4 van de Waterwet.

In het Projectplan is de wijze van monitoring beschreven, die bestaat uit 'multibeam echosounding' (hierna: MBES) om de sedimentatie te meten en een 'side scan sonar' (hierna: SSS) om de bodemstructuur te meten. De metingen met deze technieken zullen voorafgaand aan de baggeractiviteiten worden verricht en op een aantal momenten na afloop van de werkzaamheden. Volgens het deskundigenbericht is de combinatie van MBES en SSS de best beschikbare techniek om eventuele veranderingen in de bodem te kunnen monitoren. In hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan hetgeen op dit punt is vermeld in het deskundigenbericht.

4.3. Met betrekking tot het betoog dat de ondiepere delen van de kweekpercelen van [appellante] en anderen ten onrechte niet worden gemonitord, is in het deskundigenbericht vermeld dat dit komt doordat de monitoring wordt verricht vanaf een schip, die als gevolg van de diepgang die ondiepere delen niet kan bevaren.

Op basis van de argumenten die zowel [appellante] en anderen als de staatssecretaris op dit aspect naar voren hebben gebracht in hun zienswijzen naar aanleiding van het deskundigenbericht, ziet de Afdeling geen reden om het monitoringsplan onvolledig te achten. Daarbij betrekt de Afdeling dat - anders dan in het deskundigenbericht is vermeld - weliswaar niet in geschil is dat door de geringe diepgang van de mosselkotters van [appellante] en anderen ook de ondiepere delen van hun kweekpercelen effectief kunnen worden bevist, maar dat dit niet betekent dat deze ondiepere delen van de vier bewuste kweekpercelen ook dienen te worden gemonitord. De staatssecretaris wijst in zijn zienswijze op het onderzoek dat is verricht in het kader van het Projectplan. Uit berekeningen met een speciaal voor dit project gemaakte stroommodel blijkt dat slibafzettingen op de ondiepere delen verwaarloosbaar zijn, omdat de stroom die het slib vervoert voornamelijk in de richting van de hoofdgeul loopt. In hun beroepschrift noch in hun zienswijze hebben [appellante] en anderen deze stelling van de staatssecretaris met een nadere onderbouwing weerlegd.

4.4. Gelet op het voorgaande hebben [appellante] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat de wijze van monitoring zoals beschreven in het Projectplan, ondeugdelijk is en dat de monitoringsvoorschriften van de onderhavige Nbw-vergunning dienen te worden aangepast.

5. In hetgeen [appellante] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 of anderszins in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Gelet hierop wordt niet toegekomen aan de vraag of artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht in dit geval aan de vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Vreugdenhil

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013

571.