Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2481

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201304017/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 maart 2013 heeft het college het wijzigingsplan "Scheerman ongenummerd" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/674

Uitspraak

201304017/1/R3.

Datum uitspraak: 18 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Moergestel, gemeente Oisterwijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oisterwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2013 heeft het college het wijzigingsplan "Scheerman ongenummerd" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2013, waar [appellant A], bijgestaan door mr. E. Beele, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.A. van Mier, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voors is ter zitting [initiatiefnemer], gehoord.

Overwegingen

Het wijzigingsplan

1. In het bestemmingsplan "Kom Moergestel" (hierna: het bestemmingsplan) hebben de gronden waarop het wijzigingsplan betrekking heeft de bestemming "Woondoeleinden (W)" en de subbestemming "Woondoeleinden - tevens agrarisch gebruik (Wa)".

Ingevolge artikel 26, lid 4a, van de voorschriften van het bestemmingsplan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de subbestemming "Woondoeleinden - tevens agrarisch gebruik (Wa)" te wijzigen in de bestemming "Woondoeleinden (W)", teneinde ter plaatse woningbouw mogelijk te maken, met inachtneming van het bepaalde in artikel 27.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, mag bij toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid het aantal woningen uitsluitend toenemen indien het woningbouw betreft die past in het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid.

Ingevolge het bepaalde onder c dienen nieuwe woningen te passen in het bestaande bebouwingspatroon en mogen deze de aanwezige samenhang niet verstoren. Hieronder wordt ingevolge het bepaalde sub 1 in ieder geval verstaan dat vrijstaande woningen dienen te worden gebouwd binnen een afstand van ten hoogste 2 meter uit de voorste bouwgrens.

2. Bij besluit van 13 maart 2012 heeft het college het wijzigingsplan "Scheerman ongenummerd" vastgesteld. In de uitspraak van 13 februari 2013, in zaak nr. 201204693/1/R3, heeft de Afdeling dit plan vernietigd wegens strijd met een van de wijzigingsvoorwaarden die bepaalt dat vrijstaande woningen ten hoogste 2 m uit de voorste bouwgrens dienen te worden gebouwd.

2.1. Met het voorliggende wijzigingsplan beoogt het college het in deze uitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. Het wijzigingsplan voorziet in een wijziging van de subbestemming "Woondoeleinden - tevens agrarisch gebruik (Wa)" ten behoeve van de bouw van twee vrijstaande woningen op het perceel, kadastraal bekend Moergestel, sectie B, nr. 2567. Hiertoe is aan de betreffende gronden de bestemming "Woondoeleinden (W)" met de aanduidingen "v" en "(2)" toegekend.

In het wijzigingsplan is bepaald dat de voorschriften van het bestemmingsplan onveranderd van toepassing blijven, met uitzondering van artikel 6, derde lid, aanhef en onder i. In plaats daarvan dienen woningen te worden gebouwd binnen een afstand van ten hoogste 2 m uit de voorste bouwgrens, overeenkomstig artikel 27, eerste lid, aanhef en onder c, sub 1, van de voorschriften van het bestemmingsplan.

Formeel bezwaar

3. [appellant] betoogt dat het college bij het voorbereiden van het besluit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ten onrechte niet heeft gevolgd. Hij stelt dat het het college vanwege de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden niet vrij stond om terug te vallen op de procedure die is gevolgd voor de totstandkoming van het besluit van 13 maart 2012. Hij voert in dit verband aan dat het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid sindsdien ingrijpend is gewijzigd. Daarnaast zijn derdebelanghebbenden mogelijk benadeeld door deze handelwijze.

3.1. In geval van vernietiging van een besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, door de bestuursrechter staat het in beginsel aan het bevoegd gezag vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen.

Het college heeft de voorschriften ten opzichte van het ontwerpbesluit aangepast, in die zin dat de woningen op een afstand van maximaal 2 m van de voorste bouwgrens dienen te worden gebouwd in plaats van 4 m. Naar het oordeel van de Afdeling behelst het besluit, gelet op de aard van de wijziging, ten opzichte van het ontwerpbesluit geen wezenlijk ander besluit, waarvoor het college de procedure in afdeling 3.4 van de Awb opnieuw had moeten volgen. De door [appellant] aangevoerde omstandigheid dat het volkshuisvestingsbeleid intussen is gewijzigd en dat de voorheen van toepassing zijnde Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011) inmiddels is vervangen door de Verordening ruimte 2012 (hierna: Verordening 2012), is naar het oordeel van de Afdeling evenmin een omstandigheid waarin het college aanleiding had moeten zien het ontwerp van het wijzigingsplan opnieuw ter inzage te leggen. De Afdeling ziet niet dat derdebelanghebbenden door deze handelwijze in een nadeliger positie zijn geraakt.

Het betoog faalt.

Inhoudelijke bezwaren

4. [appellant] betoogt dat het plan in strijd met de Verordening 2012 is vastgesteld, omdat met het plan nieuwbouw van woningen in de groenblauwe mantel wordt mogelijk gemaakt, hetgeen ingevolge artikel 11.1 van de Verordening 2012 niet is toegestaan.

4.1. Het college stelt dat het beroep van [appellant] in zoverre niet-ontvankelijk is, omdat [appellant] met betrekking tot de Verordening 2012 geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Voorts heeft hij deze beroepsgrond niet aangevoerd tegen het vernietigde besluit van 13 maart 2012.

4.2. Ten tijde van het besluit van 13 maart 2012, waarbij het oorspronkelijke wijzigingsplan is vastgesteld, was de Verordening 2011 van kracht. Op 1 juni 2012 is de Verordening 2012 in werking getreden. Ten tijde van het bestreden besluit gold derhalve de Verordening 2012. Dit betreft dan ook een nieuw rechtskader, zodat hetgeen in zoverre is aangevoerd niet reeds tegen het oorspronkelijke vaststellingsbesluit naar voren had kunnen worden gebracht. Voor niet-ontvankelijkverklaring ziet de Afdeling in zoverre dan ook geen aanleiding.

4.3. Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012 stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, regels ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen.

4.4. In de kaartbijlage bij de Verordening 2012 is een gedeelte van het desbetreffende perceel aangewezen als bestaand stedelijk gebied en een gedeelte als groenblauwe mantel. Nu het plan ter plaatse voorziet in een bouwperceel dat de bouw van twee woningen mogelijk maakt, en dit bouwperceel in ieder geval voor een gedeelte in de groenblauwe mantel ligt, is het plan in zoverre in strijd met artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012. De door het college gestelde omstandigheid dat het college van gedeputeerde staten zal worden verzocht om de begrenzing van de groenblauwe mantel in de Verordening 2012 aan te passen en dat van de zijde van het provinciebestuur te kennen is gegeven dat het betreffende perceelsgedeelte bij het bestaand stedelijk gebied zal worden betrokken, maakt dit niet anders. Het betoog slaagt.

5. [appellant] betoogt voorts dat het plan in strijd is met de wijzigingsvoorwaarde in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan. De bouw van twee vrijstaande woningen op het perceel is volgens hem niet in overeenstemming met het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid, omdat het beleid, mede in verband met de economische crisis, is veranderd. Hij verwijst daarbij naar de Regionale Agenda Wonen Deel A van 19 december 2012, waaruit volgens hem blijkt dat de woningbouwcapaciteit in de gemeente Oisterwijk reeds is benut in bestemmingsplannen, zodat het toevoegen van twee woningen niet meer past binnen het beleid.

5.1. Het college stelt dat het woningbeleid onverminderd is gebaseerd op de pilot "Bouwen binnen strakke contouren" van de provincie Noord-Brabant. Het college verwijst hierbij naar de Woonvisie Oisterwijk, vastgesteld op 24 november 2011, en de raadsinformatiebrief van 6 juni 2012, waaruit blijkt dat de bouw van twee woningen op het desbetreffende perceel nog steeds doorgang kan vinden.

5.2. In voornoemde uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het wijzigingsplan van 13 maart 2012 niet in strijd is met het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid als bedoeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan. Dit oordeel berustte mede op de aan het besluit van 13 maart 2012 ten grondslag gelegde pilot "Bouwen binnen strakke contouren" en de voortgangsrapportage Wonen van 11 februari 2010 waarmee de bouw van twee woningen op het betreffende perceel niet in strijd is. In aanvulling op voornoemd beleid, heeft het college aan het thans bestreden besluit de Woonvisie en de raadsinformatiebrief ten grondslag gelegd. Op grond van dit beleid kan niet staande worden gehouden dat het wijzigingsplan hiermee in strijd is. Weliswaar is de situatie op de woningmarkt verslechterd, maar niet is aannemelijk gemaakt dat geen behoefte bestaat aan de twee voorziene woningen op het betreffende perceel. Het betoog faalt.

6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2012. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

7. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk van 19 maart 2013 waarbij het wijzigingsplan "Scheerman ongenummerd" is vastgesteld;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 979,08 (zegge: negenhonderdnegenenzeventig euro en acht cent), waarvan € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk aan [appellant A] en [appellante B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013

177-662.