Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2472

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201303401/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2013 heeft het college vastgesteld dat zich op de locatie Amsteleiland 1 - 4 te Amstelveen een geval van ernstige bodemverontreiniging voordoet, waarvan spoedige sanering voor het huidige gebruik niet noodzakelijk is, maar voor het toekomstige gebruik wel. Tevens heeft het college bij het besluit van 27 februari 2013 ingestemd met het voor de betrokken locatie ingediende saneringsplan.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/49
JM 2014/18 met annotatie van Y. Flietstra
JBO 2014/44 met annotatie van Y. Flietstra
Milieurecht Totaal 2014/474

Uitspraak

201303401/1/A4.

Datum uitspraak: 18 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A], [appellante sub 1B] en [appellant sub 1C] (hierna: [appellant sub 1] en anderen), wonend te Amstelveen,

2. [appellante sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Amstelveen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2013 heeft het college vastgesteld dat zich op de locatie Amsteleiland 1 - 4 te Amstelveen een geval van ernstige bodemverontreiniging voordoet, waarvan spoedige sanering voor het huidige gebruik niet noodzakelijk is, maar voor het toekomstige gebruik wel. Tevens heeft het college bij het besluit van 27 februari 2013 ingestemd met het voor de betrokken locatie ingediende saneringsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eiland in de Amstel B.V. heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2013, waar [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Lee, [appellant sub 1] en anderen, van wie [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.E.A.M. Grapperhaus en ir. J.V.J.M. Kuyper, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Eiland in de Amstel B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. Geelhoed, advocaat te Naaldwijk, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. De bodemverontreiniging op de locatie Amsteleiland 1 - 4 betreft een verontreiniging met asbest, minerale olie, PAK en diverse zware metalen als gevolg van het vroegere gebruik van de locatie als scheepswerf.

Wettelijk kader

2. Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming voert degene die de bodem saneert de sanering zodanig uit dat:

a. de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt waarbij het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging zoveel mogelijk wordt beperkt;

b. het risico van de verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt;

c. de noodzaak tot het nemen van maatregelen en beperkingen in het gebruik van de bodem als bedoeld in artikel 39d zoveel mogelijk wordt beperkt.

Ingevolge artikel 39, eerste lid, moet indien een geval van ernstige verontreiniging wordt vermoed en het voornemen bestaat de bodem te saneren, de melding van het geval van bodemverontreiniging vergezeld gaan van een saneringsplan.

Ingevolge artikel 39, tweede lid, behoeft het saneringsplan de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde.

Belanghebbendheid

3. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtsreeks bij een besluit is betrokken.

3.1. Het college en Eiland in de Amstel B.V. stellen zich op het standpunt dat [appellanten sub 2] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit, omdat het met name immobiele verontreinigingen betreft, het perceel van [appellante sub 2A] op circa 70 m afstand is gelegen van die verontreinigingen en zich hiertussen een meander bevindt waarin de woonboot van [appellant sub 2B] is gelegen.

[appellanten sub 2] betwisten dat zij geen belanghebbenden zijn. Zij stellen in dit verband onder meer dat zij geluidhinder zullen ondervinden van de te verrichten saneringswerkzaamheden.

3.2. Het beroep van [appellanten sub 2] tegen het bestreden besluit ziet uitsluitend op de instemming met het saneringsplan. Wanneer op grond van de Wet bodembescherming een besluit tot instemming met een saneringsplan wordt genomen, zijn onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop gevolgen kunnen worden ondervonden van de bodemverontreiniging waarop de sanering betrekking heeft dan wel de eigenaren en bewoners van percelen waarop gevolgen kunnen worden ondervonden van de wijze waarop zal worden gesaneerd, belanghebbenden.

3.3. De te saneren locatie omvat het gehele Amsteleiland. Het perceel van [appellante sub 2A] en de woonboot van [appellant sub 2B] zijn op korte afstand van het Amsteleiland gelegen. Gelet hierop is niet op voorhand uitgesloten dat, zoals overigens ook vermeld in het saneringsplan, zij gevolgen, zoals geluidhinder, kunnen ondervinden van de wijze waarop zal worden gesaneerd. Reeds om die reden is de Afdeling van oordeel dat de belangen van [appellanten sub 2] rechtstreeks bij het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de instemming met het saneringsplan, zijn betrokken, zodat zij belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb zijn. Derhalve is hun beroep ontvankelijk.

Goede procesorde

4. [appellanten sub 2] hebben eerst ter zitting betoogd dat de stoffen waarmee de bodem op de locatie Amsteleiland 1 - 4 is verontreinigd moeten worden aangemerkt als afvalstoffen, zodat de sanering is gericht op het verwijderen van afvalstoffen, en daarom toepassing had moeten worden gegeven aan het in artikel 4 van de Richtlijn 75/442/EEG neergelegde preventiebeginsel.

Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe gronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde.

Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde in geding is, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

[appellanten sub 2] hebben geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het voor hen redelijkerwijs niet mogelijk was om eerder aan te voeren dat de stoffen waarmee de betrokken locatie is verontreinigd als afvalstoffen moeten worden aangemerkt. In aanmerking genomen dat het college hierop niet op passende wijze heeft kunnen reageren, is het ter zitting aanvoeren van deze beroepsgrond in strijd met de goede procesorde, zodat de Afdeling deze grond buiten beschouwing zal laten bij de beoordeling.

Beroep [appellanten sub 2]

5. [appellanten sub 2] voeren aan dat in het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met de toekomstige ecologische functie van de oostoever. Zij voeren aan dat de bodem van de verontreinigde locatie wordt ontgraven en de ecologische waarde daardoor geheel verloren gaat.

5.1. Het saneringsplan vermeldt dat aan de oostoever van de saneringslocatie een voor de natuur waardevolle rietkraag aanwezig is. Door het aanbrengen van een damwand en vanwege de ligging van de rietkraag in het water zijn de effecten van de te treffen saneringsmaatregelen op de rietkraag volgens het saneringsplan zeer beperkt. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit onjuist is.

Het saneringsplan vermeldt verder dat de ontgraving na de sanering zal worden aangevuld met nieuwe grond die geschikt is voor de betreffende toekomstige functie van de bodem. [appellanten sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de bodem van de oostoever na die aanvullingen niet geschikt is voor een ecologische functie.

Hetgeen [appellanten sub 2] aanvoeren geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet op grond van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming heeft kunnen instemmen met het saneringsplan.

De beroepsgrond faalt.

6. [appellanten sub 2] betogen dat het college alvorens met het saneringsplan in te stemmen eerst had moet toetsen aan de bepalingen van de Flora- en faunawet om te bezien of op grond van die wet ontheffing kon worden verleend. Zij voeren aan dat door de te treffen saneringsmaatregelen het foerageergebied van de ter plaatse aanwezige ransuil wordt aangetast. Verder voeren zij aan dat de saneringswijze zo had moeten worden gekozen dat die aantasting tot een minimum beperkt blijft. Ook de saneringstermijn had hierop moeten worden afgestemd, aldus [appellanten sub 2].

6.1. Bij een besluit over de instemming met een saneringsplan staat slechts ter beoordeling of de voorgestelde sanering voldoet aan de bij of krachtens artikel 38 van de Wet bodembescherming gestelde regels. In het eerste lid van dit artikel zijn de criteria genoemd waaraan de (uitvoering van de) sanering moet voldoen. De toetsing beperkt zich daarmee tot aspecten die de bodemkwaliteit betreffen.

Hetgeen [appellanten sub 2] aanvoeren over de aantasting van het foerageergebied van de ransuil heeft geen betrekking op deze criteria. De Wet bodembescherming geeft geen grondslag voor de stelling dat pas met een saneringsplan kan worden ingestemd nadat aan de Flora- en faunawet is getoetst en eventueel een ontheffing is verleend.

De Wet bodembescherming geeft evenmin grondslag voor de in dit verband door [appellanten sub 2] voorgestane vaststelling van de saneringstermijn en keuze voor de saneringsvariant.

Verder dient het college al dan niet dient in te stemmen met het saneringsplan zoals dat is ingediend. Bij die beoordeling is het niet aan het college om te onderzoeken of dan wel te bepalen dat, in afwijking van het ingediende saneringsplan, met een beperktere saneringsvariant kan worden volstaan.

De beroepsgrond faalt.

7. [appellanten sub 2] betogen dat de in het saneringsplan voorziene damwand in strijd is met het bestemmingsplan "Amsteleiland". Zij voeren aan dat het bestemmingsplan vermeldt dat het zonder nader onderzoek ingrijpen in de moeraszone en de oostoever vanwege mogelijke gevolgen voor de waterspitsmuis niet is toegestaan.

7.1. Zoals hiervoor overwogen staat bij een besluit over de instemming met een saneringsplan slechts ter beoordeling of de voorgestelde sanering voldoet aan de bij of krachtens artikel 38 van de Wet bodembescherming gestelde regels. De gestelde strijd met het bestemmingsplan is geen aspect dat bij die beoordeling kan worden betrokken.

De beroepsgrond faalt.

8. [appellanten sub 2] betogen dat het college niet heeft voldaan aan de in artikel 3:20 van de Awb voorgeschreven verplichting om Eiland in de Amstel B.V. er in het bestreden besluit op te wijzen dat voor de te verrichten sanering ook nog andere op aanvraag te nemen besluiten nodig zijn.

8.1. Ingevolge artikel 3:20, eerste lid, van de Awb bevordert het bestuursorgaan dat een aanvrager in kennis wordt gesteld van andere op aanvraag te nemen besluiten waarvan het redelijkerwijs kan aannemen dat deze nodig zijn voor de door de aanvrager te verrichten activiteit.

Ingevolge het tweede lid wordt bij de kennisgeving per besluit in ieder geval vermeld:

(a) naam en adres van het bestuursorgaan, bevoegd tot het nemen van het besluit;

(b) krachtens welk wettelijk voorschrift het besluit wordt genomen.

8.2. De in artikel 3:20 van de Awb bedoelde kennisgeving behoeft niet in het bestreden besluit plaats te vinden. Het betoog van [appellanten sub 2] dat er in het bestreden besluit niet op is gewezen dat voor de te verrichten sanering ook nog andere op aanvraag te nemen besluiten nodig zijn, kan daarom de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet aantasten.

De beroepsgrond faalt.

Beroep [appellant sub 1] en anderen

9. [appellant sub 1] en anderen vrezen dat, anders dan in het saneringsplan is vermeld, niet zal worden gewacht met uitvoering van de sanering totdat zij hun woning hebben verlaten en dat zij door blootstelling aan de verontreiniging gezondheidschade zullen oplopen. Zij voeren in dit verband aan dat de vermelding in het bestreden besluit dat het gaat om ‘braakliggend terrein’, terwijl zij daar woonachtig zijn, ervan getuigt dat met hen geen rekening wordt gehouden.

9.1. Het saneringsplan vermeldt dat eerst met de sanering wordt aangevangen als de woningen op het Amsteleind, waaronder die van [appellant sub 1] en anderen, zijn verlaten en gesloopt. Ingevolge artikel 39a van de Wet bodembescherming dient degene die de bodem saneert, alsmede degene die de sanering feitelijk uitvoert, de sanering overeenkomstig het saneringsplan waarmee is ingestemd, en overeenkomstig de voorschriften die aan de instemming zijn verbonden, uit te voeren. Gelet hierop mag pas met de sanering worden aangevangen wanneer [appellant sub 1] en anderen hun woning hebben verlaten. Het bevoegd gezag kan op grond van artikel 39a van de Wet bodembescherming optreden indien de bodemsanering niet overeenkomstig het saneringsplan wordt uitgevoerd.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

10. De beroepen zijn ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Grinsven

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013

584.