Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:247

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-07-2013
Datum publicatie
10-07-2013
Zaaknummer
201301469/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Camping de Sleng" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201301469/1/R1.

Datum uitspraak: 10 juli 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), allen wonend te [woonplaats], gemeente Horst aan de Maas,

en

de raad van de gemeente Horst aan de Maas,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Camping de Sleng" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2013, waar de raad, vertegenwoordigd door K.M. van Rijsewijk-Steeghs, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbenden] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. [appellant] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om in de nabijheid van zijn pluimveebedrijf een camping te realiseren, omdat hij hierdoor zal worden belemmerd in zijn bedrijfsvoering.

2.1. [appellant] voert hiertoe ten eerste aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat kippen ten gevolge van harde geluiden een schrikreflex kunnen krijgen waardoor ze kunnen sterven. In dit verband voert hij aan dat de afstand van 25 m tussen de voorziene camping en zijn pluimveestal onvoldoende is, nu volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) bij een camping, als bedrijf in categorie 3.1, een richtafstand van minimaal 50 m voor het aspect geluid dient te worden aangehouden.

Voorts betoogt [appellant] dat het akoestisch onderzoek onvolledig is omdat niet is onderzocht wat de gevolgen zijn van de geluidbelasting voor zijn kippen.

2.2. De raad stelt zich op het standpunt dat de VNG-brochure niet van toepassing is op de pluimveestal, nu dit geen gevoelige functie als bedoeld in de VNG-brochure is.

Ten aanzien van het akoestisch onderzoek stelt de raad dat onderzoek naar geluidbelasting op de pluimveestal achterwege is gebleven omdat dit geen geluidsgevoelig object als bedoeld in de Wet geluidhinder is.

2.3. [appellant] woont op het perceel [locatie a]. Tevens exploiteert hij op dat perceel een pluimveehouderij met twee stallen. Het perceel grenst ten noorden aan het plangebied. Het plan biedt Camping de Sleng, gevestigd op het perceel [locatie b], de mogelijkheid om uit te groeien van de huidige vijf standplaatsen naar een camping met 25 standplaatsen, twee recreatiewoningen, sanitairvoorzieningen en een bedrijfswoning. [belanghebbenden] zijn eigenaar van het perceel [locatie b] en zijn voornemens de camping te exploiteren.

Blijkens de verbeelding is aan de gronden waarop de camping is voorzien en die een oppervlakte hebben van ongeveer 2 ha, de bestemming "Recreatie" toegekend. Voorts heeft het zuidelijke gedeelte van het perceel de aanduidingen "recreatiewoning" en "wonen".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a en b, van de planregels zijn de voor "Recreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. verblijfsrecreatieve voorzieningen waarbij geldt dat uitsluitend kampeermiddelen zijn toegestaan;

b. twee recreatiewoningen en één woning uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning" onderscheidenlijk "wonen".

2.4. In de VNG-brochure zijn kampeerterreinen aangemerkt als bedrijf in milieucategorie 3.1, waarbij het maatgevende aspect geluid is. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 m.

De voorziene camping grenst aan het perceel van [appellant] waarop hij zijn pluimveebedrijf exploiteert en de afstand van de voorziene camping tot de woning van [appellant] bedraagt ongeveer 108 m.

In het kader van het plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van het realiseren van een bedrijfswoning op de camping die op een afstand van ongeveer 117 m van het perceel van [appellant] is voorzien.

2.5. Ten aanzien van het betoog dat volgens de VNG-brochure voor het aspect geluid een afstand van 50 m moet worden aangehouden tussen de voorziene camping en het pluimveebedrijf, overweegt de Afdeling dat de richtafstanden in de VNG-brochure zijn geschreven ten aanzien van gevoelige functies. De pluimveestallen zijn geen gevoelige functie in de zin van de VNG-brochure zodat de raad deze brochure reeds om die reden buiten beschouwing heeft kunnen laten. Met betrekking tot het akoestisch onderzoek overweegt de Afdeling dat dit is uitgevoerd in het kader van de Wet geluidhinder voor het realiseren van een bedrijfswoning op het perceel [locatie b]. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de pluimveestallen niet zijn aan te merken als geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in de Wet geluidhinder of het Activiteitenbesluit milieubeheer zodat in zoverre geen aanleiding bestond om de geluidbelasting van de camping op de kippen in de pluimveestallen in het onderzoek te betrekken. Verder heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het geluid van de camping zodanig nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor zijn kippen dat de raad hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

3. Verder betoogt [appellant] dat het onderzoek ten aanzien van de geurbelasting onvolledig is, nu de geurbelasting op de recreatiewoningen, de bedrijfswoning, het gebouw met sanitaire voorzieningen en de berging niet is berekend.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebouw met sanitaire voorzieningen en de berging geen geurgevoelige objecten zijn. Verder heeft de raad onderzoek laten uitvoeren naar de geurbelasting op de voorziene bedrijfswoning en de voorziene recreatiewoningen.

Wat betreft de recreatiewoningen en de bedrijfswoning stelt de raad dat op geen enkel punt op de camping de normwaarde van 14 odour units per kubieke meter lucht (hierna: OU/m3) wordt overschreden en dat de bedrijfswoning en de recreatiewoningen op ruime afstand van de pluimveestallen zullen worden gerealiseerd. Voorts stelt de raad dat op de camping een redelijk tot goed leefklimaat kan worden gegarandeerd, nu het gaat om een camping in een agrarisch buitengebied.

3.2. In het kader van het plan is wegens de aanwezigheid van het pluimveebedrijf van [appellant] onderzoek gedaan naar de geurbelasting van dit bedrijf op het terrein van de camping. Dit heeft geleid tot het rapport "Geurbelasting op grond van pluimveehouderij [locatie a] America", opgesteld door BOR Advies op 9 januari 2012 en aangevuld op 3 oktober 2012 (hierna: rapport geurbelasting). Hierin staat dat bij de huidige situering van de pluimveestallen van [appellant] de maximale geurbelasting op de camping 5,3 OU/m3 bedraagt. Voorts is berekend dat bij wijziging van de pluimveestallen, waarbij deze beide op 1 m afstand van de erfgrens worden opgericht - als worstcase scenario -, de geurbelasting op de camping als gevolg van de pluimveestallen ten hoogste 9,4 OU/m3 bedraagt.

Voorts wordt vermeld dat aan de linker- en rechterzijde van de intensieve veehouderij op [locatie a] verscheidene burgerwoningen zijn gelegen. Deze woningen van derden bevinden zich in alle gevallen dichterbij de intensieve veehouderij dan de nieuw te realiseren bedrijfswoning of geurgevoelige objecten op de camping. Daardoor zal de intensieve veehouderij niet extra beperkt worden in haar uitbreidingsmogelijkheden door de aanwezigheid van de camping. De bestaande burgerwoning aan de [locatie c] belemmert als eerste deze uitbreidingsmogelijkheden, aldus het rapport geurbelasting.

3.3. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) wordt als een concentratiegebied aangemerkt het concentratiegebied Zuid of het concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een als zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, dient een vergunning voor een veehouderij te worden geweigerd indien de geurbelasting voor een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied en buiten de bebouwde kom, meer dan 14 OU/m3 bedraagt.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder b, bedraagt, onverminderd artikel 3, de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object ten minste 25 m indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 1 wordt als een geurgevoelig object aangemerkt een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

3.4. De Afdeling stelt vast dat het plangebied binnen een concentratiegebied ligt als bedoeld in artikel 1 van de Wgv en dat het niet behoort tot de bebouwde kom. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat ter plaatse de maximale normwaarde ingevolge de Wgv van 14 OU/m3 bedraagt. Voor zover [appellant] betoogt dat in het kader van het onderzoek ook de geurbelasting op het gebouw met sanitaire voorzieningen en de berging had moeten worden berekend, overweegt de Afdeling dat deze niet worden aangemerkt als geurgevoelig objecten in de zin van de Wgv omdat geen sprake is van permanente bewoning of verblijf. Voorts is in het rapport geurbelasting de geurbelasting op het gehele terrein van de voorziene camping berekend. Anders dan [appellant] betoogt zijn dus de voorziene bedrijfswoning en de voorziene recreatiewoningen in het onderzoek betrokken.

Uit het rapport geurbelasting volgt dat de geurbelasting op de camping als gevolg van de pluimveehouderij van [appellant], zowel in de huidige situatie als in de situatie dat beide pluimveestallen tot op de perceelgrens van de camping worden geplaatst, op geen enkel punt deze normwaarde van 14 OU/m3 overschrijdt. Verder zijn de bedrijfswoning en de recreatiewoningen op een grotere afstand dan 25 m van de pluimveestallen voorzien. Gelet hierop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan in overeenstemming is met de Wgv.

3.5. Verder heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse van de recreatiewoningen een goed leefklimaat en ter plaatse van de bedrijfswoning een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd omdat deze op ruime afstand van de perceelgrens van [appellant] zijn voorzien en derhalve de geurbelasting aanzienlijk lager zal zijn dan de op de perceelgrens berekende 9,4 OU/m3. Voorts heeft de raad wat betreft het leefklimaat van de campinggasten van belang mogen achten dat het een camping betreft in een agrarisch buitengebied waar enige geurhinder ten gevolge van het houden van dieren gebruikelijk is.

3.6. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan wat betreft het aspect geur geen belemmering in de bedrijfsvoering van [appellant] met zich zal brengen en dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie b] is gewaarborgd.

4. Ten slotte voert [appellant] aan dat onvoldoende is onderbouwd dat voldoende vraag zal zijn naar een camping op korte afstand van een pluimveebedrijf en dat de toegevoegde waarde van een zwembad bij de camping gering is. In dit verband vreest hij dat bij het wegblijven van reguliere gasten, de camping gebruikt zal worden voor de opvang van arbeidsmigranten en dat hiertegen, zoals in het verleden is gebleken, niet zal worden opgetreden.

4.1. De raad stelt dat de vrees voor permanente huisvesting onterecht is, nu in de planregels is neergelegd dat permanente verblijfsobjecten op de gronden niet zijn toegestaan.

Voorts stelt de raad dat de eigenaar van de gronden een projectplan heeft ingediend waaruit de haalbaarheid van een camping blijkt. Daarbij verwacht de raad, dat indien de bezettingsgraad lager zal uitvallen, dit geen negatieve ruimtelijke gevolgen zal hebben. Voorts verwijst de raad naar zijn beleid om het aantal overnachtingen en bestedingen in de gemeente te laten toenemen door onder meer bestaande recreatiebedrijven verantwoord te laten doorontwikkelen. De voorziene camping past binnen dit beleid, aldus de raad.

4.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.21, van de planregels wordt onder een kampeermiddel verstaan (toer)caravans, vouwwagens, campers en tenten, niet zijnde stacaravans, die gebruikt worden als recreatief nachtverblijf voor een periode van maximaal 30 aaneengesloten dagen.

Ingevolge lid 1.25 wordt onder een stacaravan verstaan een zomerhuis in de vorm van een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat periodiek dient als woning voor recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben en mede gelet op de afmetingen kennelijk niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen ook over grotere afstanden als aanhangsel van een auto te worden voortbewogen. Ingevolge lid 3.4, onder d, e en f, wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, in ieder geval verstaan het gebruik voor:

d. permanente bewoning, met uitzondering van de toegestane woning;

e. andere doeleinden dan de in lid 3.1 vastgelegde en als zodanig op de verbeelding aangeduide activiteit;

f. recreatief nachtverblijf, met uitzondering van recreatief nachtverblijf in de kampeermiddelen en de recreatiewoningen.

4.3. In de visie "(Verblijfs)recreatie Horst aan de Maas", vastgesteld door de raad op 8 februari 2011, staat dat een van de uitgangspunten is het verantwoord doorontwikkelen van bestaande recreatiebedrijven. Er wordt volgens deze visie gestreefd naar kwalitatief sterke toeristische (verblijfs)recreatie met een hoog onderscheidend karakter. Verder staat in deze visie dat het plangebied ligt in een verwevingsgebied en dat daarin het uitbreiden van een kleine camping is toegestaan.

In de plantoelichting staat dat de camping zich zal onderscheiden van andere kleine campings in de omgeving omdat deze laatste in het algemeen niet in bezit zijn van een openlucht zwembad. De aanwezigheid van een zwembad zal veel jonge gezinnen trekken en eventueel de sportieve ouderen; dit zijn doelgroepen die de rust van de kleinere camping zoeken, gecombineerd met ontspanning als een zwembad en voor de jeugd enkele speeltoestellen en een speelveldje, aldus de plantoelichting.

4.4. De Afdeling overweegt dat de raad zich, gelet op artikel 3, lid 3.1 en lid 3.4, onder f, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.21 en lid 1.25, terecht op het standpunt heeft gesteld dat permanente bewoning, met uitzondering van de voorziene bedrijfswoning, op grond van het plan niet is toegestaan. Voor zover [appellant] vreest voor verblijf op de camping in strijd met het bestemmingsplan, betreft het een handhavingskwestie die in deze procedure niet aan de orde kan komen.

Ten aanzien van het betoog dat een camping op de gronden niet economisch uitvoerbaar zal zijn, overweegt de Afdeling dat de raad de economische uitvoerbaarheid van het plan heeft onderzocht. In het projectplan, dat als bijlage bij de toelichting op het plan is gevoegd, is uiteengezet dat in America ruimte bestaat voor het uitbreiden van de camping en dat Camping de Sleng zich op meerdere punten zal onderscheiden van andere vormen van kleinschalige verblijfsrecreatie. [appellant] heeft het projectplan niet inhoudelijk bestreden. De enkele stellingen van [appellant] dat het plan geen toegevoegde waarde heeft voor het landschap en de omgeving en dat een zwembad geen onderscheidend vermogen heeft, zijn hiertoe niet voldoende. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan economisch uitvoerbaar is.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Huszar

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2013

533-763.