Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2458

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201301790/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 8 november 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel aanvragen van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van aan haar onderscheidenlijk haar minderjarig kind verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd afgewezen en deze verblijfsvergunningen ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201301790/1/V1.

Datum uitspraak: 10 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling], mede voor haar minderjarig kind,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 25 januari 2013 in zaak nr. 12/4597 in het geding tussen:

de vreemdeling, mede voor haar minderjarig kind,

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (lees: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 8 november 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel aanvragen van de vreemdeling om verlenging van de geldigheidsduur van aan haar onderscheidenlijk haar minderjarig kind verleende verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd afgewezen en deze verblijfsvergunningen ingetrokken.

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel de daartegen door de vreemdeling, mede voor haar minderjarig kind, gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 25 januari 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling, mede voor haar minderjarig kind, ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, mede voor haar minderjarig kind, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 3 (lees: 5) april 2013 heeft de staatssecretaris de bezwaren, voor zover daarop opnieuw diende te worden beslist, wederom ongegrond verklaard.

Het tegen het besluit van 5 april 2013 door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep heeft de rechtbank doorgezonden aan de Afdeling.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Het besluit van 5 april 2013 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om dat beroep met toepassing van artikel 6:19, vijfde lid, van de Awb, ter behandeling en beslissing naar de rechtbank te verwijzen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verwijst het beroep tegen het besluit van 5 april 2013 ter behandeling en beslissing naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, ambtenaar van staat.

w.g. Verheij w.g. De Groot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2013

210.