Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2456

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201301312/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, alsmede geweigerd om hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/45

Uitspraak

201301312/1/V2.

Datum uitspraak: 13 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 30 januari 2013 in zaak nr. 12/29362 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, alsmede geweigerd om hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 januari 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In de grieven 1 en 2, in onderlinge samenhang gelezen en samengevat weergegeven, betoogt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer een reëel risico te lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Door aldus te overwegen, heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris niet onderkend dat het ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 aan de vreemdeling is om met specifieke onderscheidende kenmerken aannemelijk te maken dat hij dit risico loopt en dat hij daarin, gelet op hetgeen hij heeft aangevoerd, niet is geslaagd.

2.1. Volgens het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 30 oktober 1991 in zaak nr. 13163/87, Vilvarajah tegen het Verenigd Koninkrijk (www.echr.coe.int) dient, wil aannemelijk zijn dat de desbetreffende vreemdeling bij uitzetting een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling, sprake te zijn van specifieke onderscheidende kenmerken ("special distinguishing features"), waaruit een reëel risico voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM valt af te leiden. De enkele mogelijkheid ("mere possibility") van schending is onvoldoende.

Volgens rechtsoverweging 116 van het arrest van het EHRM van 17 juli 2008 in zaak nr. 25904/1, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (www.echr.coe.int) zijn verdere specifieke onderscheidende kenmerken ("further special distinguishing features") niet vereist, indien de desbetreffende vreemdeling aannemelijk maakt dat hij deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen, zoals aan de orde was in het arrest van het EHRM van 11 januari 2007 in zaak nr. 1948/04, Salah Sheekh tegen Nederland (www.echr.coe.int).

2.2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit, en het daarin ingelaste voornemen daartoe, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling als minderjarig kind noch als Hazara in zijn land van herkomst behoort tot een groep die systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. De vreemdeling heeft dit standpunt als zodanig niet bestreden. Hij diende dus specifieke onderscheidende kenmerken aan te voeren waaruit is af te leiden dat hij een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.

2.3. Daarin is de vreemdeling niet geslaagd. De vreemdeling heeft aangevoerd dat uit het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van juli 2012 blijkt dat minderjarige kinderen, en met name Hazara's, in Afghanistan kwetsbaar zijn en hij, nu hij als kind zonder vader geen bescherming zal krijgen en in aanmerking genomen de algemene veiligheidssituatie, zal worden ontvoerd, mishandeld dan wel gerekruteerd door de Taliban. De vreemdeling heeft echter verklaard dat zijn moeder, zijn zus en zwager en zijn oom en tante in Afghanistan wonen. Aldus heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer geen bescherming kan krijgen. Gelet hierop en nu uit voormeld ambtsbericht niet blijkt dat ieder minderjarig kind van Hazara afkomst zal worden ontvoerd, mishandeld dan wel gerekruteerd door de Taliban, heeft de vreemdeling niet aannemelijk gemaakt dat juist hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De staatssecretaris klaagt dan ook terecht dat de rechtbank in hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd ten onrechte grond heeft gezien voor het oordeel dat hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico te lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

De grieven slagen.

3. De staatssecretaris betoogt in grief 3 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn standpunt dat voor de vreemdeling in Afghanistan adequate opvang voorhanden is onvoldoende heeft gemotiveerd. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat op de moeder van de vreemdeling, die in Afghanistan woont, een zorgplicht rust, en dat zij adequate opvang kan bieden.

3.1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012 in zaak nr. 201104976/1/V2) volgt dat de zorgplicht van ouders voor minderjarige kinderen met zich brengt dat zij er zorg voor dienen te dragen dat op enigerlei wijze opvang voor de betrokken vreemdeling in het land van herkomst aanwezig is. Dit is slechts anders indien de minderjarige vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het op voorhand onmogelijk moet worden geacht dat hij kan rekenen op de zorg van een ouder.

3.2. De rechtbank heeft niet onderkend dat de vreemdeling dat met de enkele, niet nader onderbouwde stelling dat zijn moeder uit nood is gevlucht naar haar familie en die familie weigert tevens voor hem te zorgen, niet heeft gedaan. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris zijn standpunt dat, nu de moeder van de vreemdeling in Afghanistan woont en het haar verantwoordelijkheid is voor adequate opvang te zorgen, de vreemdeling niet in aanmerking komt voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling onvoldoende heeft gemotiveerd dan wel dat hij zich niet in redelijkheid op dat standpunt heeft kunnen stellen.

De grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

5. Voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond is beslist, wordt aan deze beroepsgrond niet toegekomen. Over die beroepsgrond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die beroepsgrond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. De beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geschil.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 30 januari 2013 in zaak nr. 12/29362;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Klinkers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2013

549.