Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2455

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201301345/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2012:2471, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2011 heeft het college geweigerd aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het vervangen van twee windturbines aan de Schuddingsteeg te Lemmer (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:3
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/657

Uitspraak

201301345/1/A1.

Datum uitspraak: 18 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A] en [appellante B], beide gevestigd te [plaats] (hierna in enkelvoud: [appellante]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 21 december 2012 in zaak nr. 12/1430 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lemsterland.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2011 heeft het college geweigerd aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het vervangen van twee windturbines aan de Schuddingsteeg te Lemmer (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 mei 2012 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. Hiemstra, advocaat te Delft, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Daan, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door ir. T.D. Brill, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over haar betoog dat het college heeft gehandeld in strijd met het in artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde verbod van détournement de pouvoir. Het college heeft de omgevingsvergunning voor de bouw van twee windturbines geweigerd, omdat het de windturbines ruimtelijk onwenselijk acht en zijn beleid heeft ingezet op clustering van windturbines elders, terwijl het oneigenlijk redelijke eisen van welstand aan de weigering van de omgevingsvergunning ten grondslag heeft gelegd, aldus [appellante].

1.1. Volgens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen louter in geschil is of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand, hetgeen [appellante] volgens dat proces-verbaal niet heeft weersproken. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht geen oordeel gegeven over het door haar eerst ter zitting gestelde dat het college via een restrictief welstandsbeleid ruimtelijke ordening bedrijft. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank, er geen reden is waarom [appellante] dit betoog niet eerder dan ter zitting van de rechtbank heeft kunnen aanvoeren en [appellante] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de zekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient dit betoog verder buiten beschouwing te blijven.

2. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld over zijn beroepsgrond dat de objectgerichte criteria voor solitaire windturbines uit de welstandsnota 2010 van de gemeente Lemsterland (hierna: de welstandsnota) niet van toepassing zijn op het cluster van de twee voorziene windturbines. De rechtbank heeft tevens ten onrechte overwogen dat zij niet heeft gesteld dat het welstandsadvies van 9 november 2011 van welstandscommissie Hûs en Hiem gebreken vertoont, nu zij heeft betoogd dat de welstandscommissie ten onrechte de objectgerichte criteria voor solitaire windturbines heeft toegepast op het bouwplan, aldus [appellante].

Voor zover de objectgerichte criteria voor solitaire windturbines wel van toepassing zijn op het bouwplan, heeft de rechtbank volgens [appellante] miskend dat het bouwplan daaraan voldoet. Zij wijst op de door haar in beroep overgelegde adviezen van 15 augustus 2008 van BügelHajema Adviseurs b.v. en 7 september 2012 van de welstandscommissie van Zeewolde, waarin het standpunt is ingenomen dat de welstandscommissie Hûs en Hiem ten onrechte als invulling van de evenwichtige verhouding tussen masthoogte en wiekdiameter slechts heeft gekeken of de wieklengte niet meer dan 2/3 van de masthoogte bedraagt. Volgens [appellante] is dit verhoudingsgetal slechts een richtlijn en geen criterium. [appellante] voert aan dat de voorziene wieklengte volgens deze richtlijn slechts 1,17 m te lang is. Gelet hierop heeft de welstandscommissie Hûs en Hiem zich volgens [appellante] ten onrechte op het standpunt gesteld dat de wieklengte beduidend meer is dan 2/3 van de masthoogte. Voorts voert zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat strikte hantering van voormeld verhoudingsgetal de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan op onaanvaardbare wijze doorkruist en de feitelijke realisering van een windturbine met een masthoogte van 35 m onmogelijk maakt, nu windturbines die aan het verhoudingsgetal voldoen niet leverbaar zijn.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 oktober 2012 in zaak nr. 201200142/1/A1), mag het college aan een welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college het niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders, indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundige, dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota in acht te nemen criteria.

2.2. In het advies van 9 november 2011 van de welstandscommissie Hûs en Hiem is vermeld dat de wieklengte beduidend meer is dan 2/3 van de mastlengte en daarmee in strijd is met de objectcriteria uit de welstandsnota. In het nadere advies van 2 december 2011 heeft de welstandscommissie Hûs en Hiem uiteengezet dat de voorziene windturbines kunnen worden getoetst aan de objectgerichte criteria voor solitaire windturbines. In dit advies is vermeld dat in de voorheen geldende welstandsnota ook criteria voor een cluster windturbines waren opgenomen en dat voor clusters ook het maximale verhoudingsgetal 2/3 gold. Dit verhoudingsgetal is gericht op het object van de windturbine zelf, waardoor het niet uitmaakt of het bouwplan twee solitaire windturbines omvat of één cluster van twee windturbines, aldus de welstandscommissie Hûs en Hiem.

[appellante] heeft in beroep een advies van 7 september 2012 van de welstandscommissie van Zeewolde overgelegd. In dit advies is vermeld dat de voorziene wieken weliswaar langer zijn dan 2/3 van de masthoogte, maar de afwijking dusdanig klein is dat dit geen wezenlijk ander aanzicht oplevert dan wanneer de wieklengte zou worden teruggebracht tot 2/3 van de masthoogte. De welstandscommissie van Zeewolde is van mening dat de welstandsnota deze geringe afwijking van het verhoudingsgetal ook toestaat, omdat het objectcriterium inzake het verhoudingsgetal door de toevoeging "in de regel" meer als richtlijn dan als harde eis moet worden gezien. Voorts heeft [appellante] een advies van 15 augustus 2012 overgelegd van BügelHajema Adviseurs b.v., waarin erop is gewezen dat achter het objectgerichte criterium over een evenwichtige verhouding tussen de masthoogte en wiekdiameter slechts tussen haken het volgende is vermeld: "(in de regel wieklengte niet meer dan 2/3 van de masthoogte)". BügelHajema Adviseurs b.v. stelt dat, gelet op de plaatsing tussen haakjes, het verhoudingsgetal beoordelingsruimte overlaat voor het college of er een evenwichtige verhouding is tussen de wiek- en mastlengte indien het verhoudingsgetal van 2/3 is overschreden. BügelHajema Adviseurs b.v. stelt dat de overschrijding van de wieklengte niet "beduidend meer" is, zoals de welstandscommissie Hûs en Hiem in het advies van 9 november 2011 vermeldt, nu de voorgestelde wieken slechts 1,17 m langer zijn dan het verhoudingsgetal toestaat.

2.3. [appellante] heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over haar betoog dat voor het bouwplan de objectgerichte criteria voor solitaire windturbines niet van toepassing zijn. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu het bouwplan kon worden getoetst aan de objectgerichte criteria voor solitaire windturbines uit de welstandsnota. In de welstandsnota zijn geen objectgerichte criteria voor clusters windturbines opgenomen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de voorziene twee windturbines kunnen worden aangemerkt als twee solitaire windturbines. Dat op pagina 59 van de welstandsnota wordt verwezen naar het streekplan "Windstreek 2000", waarin wordt gesproken over opschalingsclusters van twee à tien windturbines, maakt dat, anders dan [appellante] betoogt, niet anders. Hieruit volgt niet dat de voorziene twee windturbines niet als solitaire windturbines als bedoeld in de welstandsnota aangemerkt kunnen worden. Het gaat om de interne verhoudingen van de windturbines zelf en niet om de plaatsing in de omgeving.

Uit de door [appellante] in beroep overgelegde adviezen van de welstandscommissie van Zeewolde en BügelHajema Adviseurs b.v. volgt niet dat de welstandsadviezen van de welstandscommissie Hûs en Hiem in strijd zijn met de volgens de welstandsnota in acht te nemen objectcriteria voor solitaire windturbines. In de overgelegde adviezen is onderkend dat de wieklengte 1,17 m langer is dan op grond van het verhoudingsgetal is toegestaan. Zoals Brill, lid van de welstandscommissie Hûs en Hiem, ter zitting heeft toegelicht, past de welstandscommissie het verhoudingsgetal strikt toe. Dat de welstandscommissie Hûs en Hiem dit verhoudingsgetal ook in dit geval strikt heeft toegepast, maakt niet dat haar adviezen naar de inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen, dat het college die niet aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 maart 2010 in zaak nr. 200905735/1/H1), dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Uit het algemeen karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd. Brill heeft ter zitting toegelicht dat aan de negatieve adviezen van de welstandscommissie Hûs en Hiem ten grondslag ligt dat de bewegende wieken van de voorziene windturbines door de te grote wieklengte optisch topzware bollen lijken, die, gelet op de korte afstand tot het maaiveld, een onevenwichtig geheel vormen in de omgeving. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de adviezen van welstandcommissie Hûs en Hiem niet leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat geen windturbines leverbaar zijn die zowel aan het verhoudingsgetal voor wiek- en mastlengte als aan de maximaal toegestane bouwhoogte als bedoeld in het bestemmingsplan voldoen.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013

531-761.