Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2446

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201211839/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2012:BY2975, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2011 heeft het college onder meer besloten om in de bebouwde kom van Ilpendam een aslastbeperking van zeven ton en een lengtebeperking van twaalf meter in te stellen (hierna: het verkeersbesluit).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/652

Uitspraak

201211839/1/A3.

Datum uitspraak: 18 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ilpendam, gemeente Waterland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 november 2012 in zaak nr. 12/2120 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Waterland.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2011 heeft het college onder meer besloten om in de bebouwde kom van Ilpendam een aslastbeperking van zeven ton en een lengtebeperking van twaalf meter in te stellen (hierna: het verkeersbesluit).

Bij besluit van 19 maart 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 maart 2012 vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, en mr. J.A.K. van den Berg, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.S. Haakmeester, advocaat te Baarn, en N. Zwaag, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B], als belanghebbenden, verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens en onderborden, voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge artikel 20 kan een belanghebbende tegen een verkeersbesluit tot plaatsing of verwijdering van verkeerstekens en onderborden of tot het treffen van maatregelen op of aan de weg ter regeling van het verkeer beroep instellen bij de rechtbank.

Ingevolge artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2,

eerste en tweede lid, van de Wvw genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2. Bij besluit van 6 november 2007 heeft het college een verbod voor zwaar verkeer door de Dorpsstraat ingesteld. Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het college dit besluit ingetrokken en de Dorpsstraat gesloten verklaard voor zwaar verkeer behoudens bestemmingsverkeer. Het thans aan de orde zijnde verkeersbesluit voorziet in het weren van het verkeer met een aslast van meer dan zeven ton per as en langer dan twaalf meter. [appellant] is woonachtig aan de Dorpsstraat. Deze straat valt binnen de bebouwde kom van Ilpendam.

De adviescommissie voor de bezwaarschriften (hierna: commissie) heeft geadviseerd het door [appellant] gemaakte bezwaar gegrond te verklaren. Volgens haar heeft het college onvoldoende blijk gegeven van het meewegen van het belang van de verkeersveiligheid en de belangen van de bezwaarmakers en andere bewoners. De commissie is niet ervan overtuigd dat een tussenoplossing niet mogelijk is, bijvoorbeeld door het instellen van een aslastbeperking van tien ton en eventueel een lengtebeperking. Het college heeft het bezwaar van [appellant] evenwel in afwijking van het advies van de commissie ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het besluit van 19 maart 2012 vernietigd, omdat het college niet heeft gemotiveerd waarom de reeds geldende beperking van het zware verkeer door de Dorpsstraat wordt verlicht. De rechtbank heeft evenwel de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten, nu het college door het geven van een aanvullende motivering ter zitting het geconstateerde motiveringsgebrek naar haar oordeel heeft hersteld.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het advies van de commissie niet ziet op een aslastbeperking. Hij voert aan dat de commissie heeft geconstateerd dat een aslastbeperking slechts zin heeft, indien het aantal assen eveneens wordt beperkt. Volgens de commissie zou het product van het aantal assen en de belasting per as nooit meer dan tien ton mogen bedragen. Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] miskend dat handhaving niet pas bij de door het college vastgestelde beperkingen van zeven ton per as en twaalf meter lengte mogelijk is. Daartoe voert hij aan dat in de omliggende gemeente Edam met ingang van 1 januari 2013 een aslastbeperking van zevenenhalf ton en een lengtebeperking van acht meter is ingesteld. Verder voert [appellant] aan dat de rechtbank heeft miskend dat een beperking, zoals deze thans geldt in Edam, eenvoudig voor de gehele bebouwde kom in Ilpendam kan worden ingevoerd. Bovendien hoeft een verdergaande beperking in de Dorpsstraat niet tot gevaarlijke situaties te leiden. [appellant] betoogt voorts dat hij eerst op het moment van de ontvangst van de uitspraak van de rechtbank kennis heeft genomen van de ter zitting door het college gegeven aanvullende motivering, zodat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Ten slotte heeft de rechtbank miskend dat de door het college genoemde categorieën voertuigen niet altijd zullen worden getroffen door de beperkingen, nu onder deze categorieën ook varianten bestaan met een lengte van minder dan twaalf meter. De aanvullende motivering berust op onjuiste feiten en is daardoor ondeugdelijk, aldus [appellant].

4.1. Allereerst wordt overwogen dat uit de dossierstukken blijkt dat de rechtbank het verzoek van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] om als belanghebbenden bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn, heeft gehonoreerd. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van de rechtbank dat [belanghebbende A] en [belanghebbende B] ter zitting het woord hebben gevoerd. Zij zijn evenwel ten onrechte niet in het procesverloop van de aangevallen uitspraak opgenomen. [belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben zich voorafgaand aan de zitting bij de Afdeling als belanghebbenden aangemeld. Anders dan [appellant] ter zitting van de Afdeling heeft betoogd, zijn [belanghebbende A] en [belanghebbende B] terecht en overeenkomstig de geldende procedureregels als belanghebbenden aangemerkt.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 26 juni 2013 in zaak nr. 201209693/1/A3), komt aan het college bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de begrippen 'veiligheid op de weg', 'bruikbaarheid (van de weg)' en 'vrijheid van het verkeer'. Voorts is het aan het college om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een dergelijk besluit tegen elkaar af te wegen om te beoordelen wanneer de in artikel 2 van de Wvw 1994 vermelde belangen het nemen van een verkeersmaatregel vergen. De rechter dient zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend op te stellen en te toetsen of de uitleg die het bestuur aan voormelde begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften en of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat het college niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

Voorts heeft de Afdeling in haar uitspraak van 12 december 2012 in zaak nr. 201110918/1/A3 overwogen dat het college niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit behoeft aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw, worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

4.3. Met de enkele stelling dat hij eerst met de ontvangst van de uitspraak van de rechtbank bekend is geworden met de ter zitting door het college gegeven aanvullende motivering, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het college de motivering niet, zoals weergegeven in de uitspraak, in aanwezigheid van [appellant] en zijn gemachtigde heeft aangevuld. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. Met het oog op een finale geschilbeslechting, heeft de rechtbank voorts terecht beoordeeld of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden worden gelaten.

Aan het verkeersbesluit heeft het college ten grondslag gelegd dat daarmee wordt beoogd het voorkomen van, dan wel het beperken van door zwaar verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade aan de directe omgeving en aantasting van het karakter van de oude kern van Ilpendam. Het college heeft toegelicht dat de verlichting van de beperking van het zware verkeer in de Dorpsstraat voornamelijk voortkomt uit de omstandigheid dat de algehele geslotenverklaring voor zwaar verkeer, behoudens bestemmingsverkeer in de praktijk niet handhaafbaar bleek te zijn. Dit probleem is overigens door de politie geconstateerd, hetgeen destijds tot een negatief advies heeft geleid. Voorts heeft het college uiteengezet dat een algehele geslotenverklaring als voorheen op bezwaren stuit van ondernemers, zodat een tussenoplossing nodig is waarbij een beperking wordt gevonden die zowel handhaafbaar is als ruimte laat voor zwaar bestemmingsverkeer. Het als gevolg daarvan ontstane ongewenste neveneffect dat bepaalde categorieën voertuigen door het centrum kunnen blijven rijden, is niet zodanig onevenredig dat het college blijk heeft gegeven van een onevenwichtige belangenafweging. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de bij het verkeersbesluit betrokken belangen zeer tegenstrijdig zijn, hetgeen meebrengt dat het college niet volledig aan al deze belangen tegemoet kan komen. Het college heeft verder toegelicht dat de beperking wordt ingesteld voor de gehele bebouwde kom, zodat daarin een eenduidig handhaafbaar systeem geldt. Als gevolg daarvan hoeft het zwaar verkeer bovendien niet te keren, zodat gevaarlijke situaties worden vermeden. Bovendien sluit de beperking aan bij de standaard verkeersbeperking op vergelijkbare wegen die zowel in het eigen buitengebied van de gemeente Waterland als in het daaraan grenzende buitengebied van de gemeente Edam-Volendam geldt. De Afdeling volgt [appellant] voorts niet in de door hem voorgestane lezing van het advies van de commissie. De commissie geeft als voorbeeld een aslastbeperking van tien ton en eventueel een lengtebeperking. Hoewel niet duidelijk is hoe deze tussenoplossing zich verhoudt tot de in geding zijnde beperking, kan uit het advies niet worden afgeleid dat de commissie heeft beoogd te zeggen dat het totale gewicht van een voertuig maximaal tien ton mag bedragen. Dat in de door het college genoemde categorieën voertuigen varianten bestaan met een lengte van minder dan twaalf meter, brengt niet met zich dat het verkeersbesluit niet is genomen met het oog op de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw genoemde belangen. Evenmin brengt de omstandigheid dat in het centrum van Edam thans een aslastbeperking van zevenenhalf ton en een lengtebeperking van acht meter geldt en in de gemeente Amsterdam een verdergaande beperking in voorbereiding is met zich dat het besluit van 19 maart 2012 in strijd is genomen met de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw genoemde belangen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat voor een minder vergaande beperking in Ilpendam is gekozen, nu de omgeving en omvang daarvan verschilt van die van de stedelijke gebieden Edam en Amsterdam. Voornoemde in Edam ingestelde beperking dateert bovendien van na het tijdstip van het nemen van het bij de rechtbank bestreden besluit. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, gelet op de alsnog door het college gegeven motivering en de hem bij het nemen van een verkeersbesluit toekomende beoordelingsruimte, geen grond bestaat voor het oordeel dat de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat het college niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Gezien het voorgaande, heeft de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 19 maart 2012 in stand gelaten.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013

97-697.