Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2441

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201211407/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBASS:2012:1919, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 mei 2011 heeft de burgemeester krachtens artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet aan [appellant] het bevel gegeven om zijn hond, een rottweiler (hierna: de hond), af te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/248

Uitspraak

201211407/1/A3.

Datum uitspraak: 18 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 30 oktober 2012 in zaak nr. 11/797 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Assen.

Procesverloop

Bij besluit van 17 mei 2011 heeft de burgemeester krachtens artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet aan [appellant] het bevel gegeven om zijn hond, een rottweiler (hierna: de hond), af te staan.

Bij besluit van 27 mei 2011 heeft de burgemeester het bevel gegeven dat de hond moet worden beoordeeld door een door hem aangewezen gedragsdeskundige.

Bij besluit van 7 oktober 2011 heeft de burgemeester de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de burgemeester hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Biemond, advocaat te Den Haag, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. W.J. Reinders en A.F. Knol, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde.

Ingevolge het derde lid is de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

Ingevolge artikel 2:59, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Assen (hierna: de APV) is het de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander:

a. anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;

b. anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.

Volgens artikel 1, eerste lid, van het Protocol bijtincidenten honden (hierna: het Protocol) wordt bij weging van de ernst van bijtincidenten onderscheid gemaakt tussen honden die zijn betrokken bij (zeer) ernstige bijtincidenten en overige honden die zijn betrokken bij een licht bijtincident.

Volgens het tweede lid bijt een hond bij (zeer) ernstige bijtincidenten een persoon of brengt de hond ernstig letsel toe aan een ander dier, veelal een hond.

Volgens artikel 2, eerste lid, wordt de houder van een hond die een (zeer) ernstig bijtincident heeft begaan gevraagd om afstand te doen van zijn hond.

Volgens het tweede lid geeft de burgemeester bevel tot het onvrijwillig in beslag nemen van de hond indien de houder niet vrijwillig afstand doet van de hond en de burgemeester vreest dat de kans op bijtrecidive aanwezig is, of als de hond al eerder een bijtincident heeft veroorzaakt.

Volgens het derde lid kan bij het onvrijwillig in beslag nemen in opdracht van de houder de hond aan een risicoassessment worden onderworpen dat de burgemeester betrouwbaar acht. De test zal moeten uitwijzen of de hond resocialiseerbaar of elders herplaatsbaar is, of dat het risico bij terugplaatsing bij de houder als te groot moet worden ingeschat.

Volgens het vierde lid komen de kosten van vervoer, verblijf, test en eventueel laten doden van de hond voor rekening van de houder van de hond.

2. Aan de handhaving van het aan [appellant] gegeven bevel om de hond af te staan heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat de hond op 22 april 2011 een kind van negen jaar in de openbare buitenruimte bij het bosje voor het [locatie] te Assen heeft gebeten. Volgens de burgemeester heeft dit incident onrust veroorzaakt in de buurt waardoor de openbare orde is verstoord en bestaat vrees voor herhaling daarvan, nu de hond tweemaal eerder een bijtincident heeft veroorzaakt. Gelet op de omstandigheden waaronder de eerdere bijtincidenten hebben plaatsgevonden zou oplegging van een aanlijn- en muilkorfgebod op de voet van artikel 2:59, eerste lid, van de APV ontoereikend zijn, zodat aanleiding bestond om krachtens artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet aan [appellant] voormeld bevel te geven. De burgemeester heeft vervolgens bevolen om de hond te laten beoordelen door een door hem aangewezen gedragsdeskundige. Naar aanleiding van de bevindingen van de deskundige heeft de burgemeester de hond aan [appellant] teruggegeven.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat op 22 april 2011 een bijtincident heeft plaatsgevonden. Volgens [appellant] zijn hij en zijn vrouw de enige volwassen getuigen van het incident en is hun verklaring door de rechtbank ten onrechte als niet aannemelijk aangemerkt. Het dossier bevat geen medische stukken waaruit volgt dat de wond aan de hand van het kind veroorzaakt is door een hondenbeet. Dat het kind naar de huisartsenpost is geweest, is onvoldoende om aan te nemen dat een bijtincident heeft plaatsgevonden, aldus [appellant].

3.1. Uit een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 27 april 2011 volgt dat [de moeder van het kind] heeft verklaard dat haar kind huilend thuis kwam en haar vertelde dat hij was gebeten door een hond. Zij is met hem naar de huisartsenpost geweest, waar een wond aan zijn hand is verzorgd. Volgens de moeder was een tetanusinjectie niet nodig, omdat het kind in de week voorafgaande aan het incident al was ingeënt. Uit de verklaring volgt verder dat [appellant] later die dag bij haar aan de deur is geweest en toen heeft gezegd dat hij het vervelend vond dat het incident was voorgevallen. In het dossier bevindt zich voorts een verklaring van I. Hummelen van de huisartsenpraktijk van het gezondheidscentrum ‘Assen-Noord’ van 15 december 2011, waarin deze verklaart dat het kind op 22 april 2011 op de praktijk is geweest, te kennen heeft gegeven dat hij door een hond was gebeten en dat een wond op de rug van de rechterhand is schoongemaakt. [appellant] heeft niet bestreden dat het kind een wond aan zijn hand had. Ter zake van de oorzaak daarvan heeft hij, blijkens een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 4 mei 2011, verklaard dat toen hij en zijn vrouw de hond aan het uitlaten waren, het kind ineens met een grote stok in zijn hand in volle snelheid kwam aanrennen en tegen de hond is gebotst. Volgens [appellant] heeft de hond het kind niet gebeten, maar is het kind vermoedelijk tegen de bek van de hond aangelopen en is daardoor de wond aan zijn hand ontstaan. De rechtbank is op basis van alle beschikbare informatie, in onderlinge samenhang bezien, terecht de burgemeester in zijn standpunt gevolgd en heeft de verklaring van [appellant] terecht niet aannemelijk geacht.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester bevoegd was om krachtens artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet het bevel te geven om de hond af te staan. Volgens hem was de openbare orde door het incident op 22 april 2011 niet verstoord en is de omstandigheid dat zich mogelijk opnieuw een bijtincident voordoet onvoldoende om een ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde aan te nemen. Daarbij hadden ook maatregelen tegen de hond kunnen worden genomen op de voet van artikel 2:59 van de APV. Ook om die reden is ten onrechte de bevoegdheid van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet aangewend, aldus [appellant].

4.1. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet heeft deze bepaling betrekking op situaties waarin enerzijds geen overtreding van wettelijke openbare orde voorschriften plaatsvindt, terwijl anderzijds sprake is van een zodanige inbreuk op orde en rust dat niet meer van een aanvaardbaar niveau daarvan gesproken kan worden. Daartegen moet kunnen worden opgetreden. De bepaling dient er toe de burgemeester ook in dergelijke gevallen bevoegd te verklaren tot handelen. De burgemeester kan echter op basis van deze bepaling niet naar willekeur openbare orde-maatregelen nemen. Er moet sprake zijn van een verstoring van de openbare orde of van ernstige vrees daarvoor en de bevelen moeten noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. Voorts mogen de bevelen niet van wettelijke voorschriften afwijken en moeten ze proportioneel en subsidiair zijn (Kamerstukken I 1990/91, 19 403, nr. 64b, blz. 16/17).

Aan de handhaving van het aan [appellant] gegeven bevel om de hond af te staan heeft de burgemeester niet alleen het bijtincident op 22 april 2011, maar ook twee eerdere bijtincidenten in januari en april 2010 ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester zich op het standpunt heeft mogen stellen dat vrees bestond voor herhaling van een bijtincident en dat zich, gelet op de in de buurt als gevolg van de incidenten met de hond ontstane onrust, een verstoring van de openbare orde voordeed. Gelet op de eerdere incidenten met de hond, het feit dat bij het laatste incident een kind was betrokken en [appellant] in een kinderrijke buurt woonde, bestaat geen grond om dit oordeel van de rechtbank onjuist te achten.

Eerst ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] betwist dat de twee eerdere bijtincidenten hebben plaatsgevonden. Dit noopt niet tot een andersluidend oordeel. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom [appellant] dit betoog niet reeds bij de rechtbank had kunnen aanvoeren en hij dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat de burgemeester voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat aanwending van de in artikel 2:59 van de APV neergelegde bevoegdheden in dit geval geen oplossing zou bieden. De burgemeester is niet bevoegd om de in artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet neergelegde bevoegdheid aan te wenden in situaties waarin artikel 2:59 van de APV voorziet. Ingevolge deze bepaling kan de eigenaar of houder van een hond worden verplicht om die hond, indien deze verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander, kort aan te lijnen of te voorzien van een muilkorf. Nu er vanuit moet worden gegaan dat bij de in januari en april 2010 plaatsgevonden bijtincidenten de hond uit de woning dan wel de tuin van [appellant] was ontsnapt en ter zitting bij de Afdeling door [appellant] voorts is verklaard dat de hond bij het incident op 22 april 2011 kort was aangelijnd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester oplegging van een aanlijn- of muilkorfgebod voor de openbare ruimte krachtens artikel 2:59 van de APV in dit geval niet toereikend heeft mogen achten.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de hond aan een test door een door hem aangewezen deskundige te onderwerpen. Daartoe voert hij aan dat de hond in het Martin Gaus Gedragscentrum reeds door H. Gaus is getest. Niet valt in te zien waarom de burgemeester een nadere test noodzakelijk heeft mogen achten, nu Gaus heeft verklaard dat de hond niet door haar is getraind en haar testresultaten niet noemenswaardig afwijken van die van de door de burgemeester aangewezen gedragsdeskundige dr. M.B.H. Schilder.

5.1. De burgemeester heeft op voet van artikel 2, derde lid, van het Protocol besloten om de hond aan een risicoassessment dat hij betrouwbaar acht te onderwerpen en heeft daartoe het risicoassessment van Schilder verkozen. Voor zover [appellant] ter zitting bij de Afdeling heeft betwist dat Schilder over de vereiste deskundigheid beschikt om bij de hond een gedragstest af te nemen, komt aan hetgeen hij in dit verband heeft gesteld reeds geen betekenis toe nu hij dit niet nader heeft gemotiveerd. In de omstandigheid dat de hond reeds was getest door Gaus heeft de rechtbank terecht geen grond gezien om te oordelen dat de burgemeester niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de hond ook door Schilder te laten testen. Daarbij is van belang dat [appellant] de hond na het incident op 22 april 2011 uit eigen beweging, zonder instemming daarmee van de burgemeester, naar het Martin Gaus Gedragscentrum heeft gebracht. Dat de uiteindelijke testresultaten van Schilder niet wezenlijk verschillen van de testresultaten van Gaus doet hieraan niet af.

Het betoog faalt.

6. Voor zover [appellant] tot slot heeft betoogd dat de rechtbank hem ten onrechte niet is gevolgd in zijn betoog dat de burgemeester bij de inbeslagname van de hond de bepalingen van afdeling 5.3.1 van de Gemeentewet (lees: de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) had moeten naleven, wordt overwogen dat ook dit betoog faalt. De rechtbank heeft die afdeling terecht niet van toepassing geacht, nu het bevel van de burgemeester om de hond af te staan is gegeven krachtens artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet en afdeling 5.3.1 ingevolge artikel 5:23 van de Awb niet van toepassing is op optreden ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Vreken-Westra

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013

434-721.