Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2440

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201211589/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 april 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2014/44

Uitspraak

201211589/1/V2.

Datum uitspraak: 12 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 16 november 2012 in zaak nr. 12/15992 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 november 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

1.1. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich bij de beoordeling van de aanvraag naar aanleiding waarvan hij het besluit van 17 april 2012 heeft genomen, heeft beperkt tot de vraag of er nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die afbreuk kunnen doen aan het eerdere besluit van 1 september 2009 en daarmee het toetsingskader van artikel 4:6 van de Awb heeft toegepast. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij het asielrelaas van de vreemdeling wel degelijk krachtens artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) inhoudelijk heeft beoordeeld, welke beoordeling hij terecht mede heeft gebaseerd op gegevens die in de vorige procedure reeds in rechte zijn komen vast te staan.

1.2. De staatssecretaris heeft zijn standpunt dat hij de vreemdeling artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 tegenwerpt, alsmede dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist en niet geloofwaardig is, voornamelijk doen steunen op hetgeen hij in het besluit van 1 september 2009, waarbij hij een aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft afgewezen, daarover heeft overwogen. Dat de staatssecretaris voor zijn standpunt over artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 en over de geloofwaardigheid van het asielrelaas heeft verwezen naar zijn besluit van 1 september 2009, welk besluit met de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2011 in zaak nr. 201007053/1/V2 in rechte onaantastbaar is geworden, wil niet zeggen dat hij toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van de Awb. Nu de vreemdeling in de onderhavige procedure geen stukken heeft overgelegd die tot een ander oordeel leiden over artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 en de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas dan het in het besluit van 1 september 2009 neergelegde standpunt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid met een verwijzing naar dat besluit heeft kunnen volstaan. De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 16 november 2012 in zaak nr. 12/15992;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Wolff

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2013

238.