Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2437

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201211333/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:23208, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2011 heeft het college, voor zover hier van belang, [appellant] gelast om het opgehoogde deel van het perceel, kadastraal bekend gemeente Zoeterwoude, sectie F, nummer 91 (hierna: het perceel), voor 1 november 2012 te verlagen tot gemiddeld -1,15 m NAP (na inklinking) onder het opleggen van een dwangsom van € 1.000,00 per week tot een maximum van € 50.000,00.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/7 met annotatie van D. van der Meijden
JOM 2014/651

Uitspraak

201211333/1/A1.

Datum uitspraak: 18 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zoeterwoude,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 29 oktober 2012 in zaak nrs. 12/9182 en 12/9183 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011 heeft het college, voor zover hier van belang, [appellant] gelast om het opgehoogde deel van het perceel, kadastraal bekend gemeente Zoeterwoude, sectie F, nummer 91 (hierna: het perceel), voor 1 november 2012 te verlagen tot gemiddeld -1,15 m NAP (na inklinking) onder het opleggen van een dwangsom van € 1.000,00 per week tot een maximum van € 50.000,00.

Bij besluit van 21 augustus 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en het besluit van 20 december 2011, onder aanvulling van de motivering daarvan, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 29 oktober 2012 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep, voor zover thans van belang, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 30 januari 2013 heeft het college beslist tot invordering van verbeurde dwangsommen van € 4.000,00.

[appellant] is tegen dit besluit opgekomen.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en L. Smallegange, en het college, vertegenwoordigd door O. Groeneweg en C.D. van der Meer, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden tegen de ophoging van het perceel waarop de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied" (hierna: het bestemmingsplan) rust. Hij voert daartoe aan deze ophoging niet in strijd is met de artikelen 4.6.1, aanhef en onder a, en 22.3.1, aanhef en onder a, van de planregels. Volgens [appellant] geldt het ophoogverbod, als bedoeld in deze artikelen, gelet op artikelen 4.6.2, aanhef en onder a, onderdeel 2, onderscheidenlijk 22.3.2, aanhef en onder c, van de planregels, niet, nu de ophoging heeft plaatsgevonden voor inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

1.1. Ingevolge het bestemmingsplan rusten op het perceel de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie".

Ingevolge artikel 4.6.1, aanhef en onder a, van de planregels is het verboden op of in de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en Landschapswaarden" zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van het college grondwerkzaamheden uit te voeren dieper dan 40 cm en te ontginnen (onder andere egaliseren, ophogen, afgraven, diep ploegen).

Ingevolge artikel 4.6.2, aanhef en onder a, is het verbod zoals genoemd in artikel 4.6.1 niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

1. betrekking hebben op normaal onderhoud, beheer en gebruik overeenkomstig de bestemming, het vellen of rooien van geriefbosjes daaronder niet begrepen;

2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;

3. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende aanlegvergunning;

(…).

Ingevolge artikel 22.3.1, aanhef en onder a, is het verboden op of in de gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie" zonder of in afwijking van een schriftelijke aanlegvergunning van het college grondbewerkingen uit te voeren op een grotere diepte of hoogte dan 30 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage.

Ingevolge artikel 22.3.2 is het verbod van artikel 22.3.1 niet van toepassing, indien de werken en werkzaamheden:

a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij artikel 22.2 in acht is genomen;

b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m²;

c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;

d. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

1.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de ophoging van het perceel heeft plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan op 20 mei 2010.

1.3. Nu de grondwerkzaamheden op het perceel zijn aangevangen voor het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, is ingevolge de artikelen 4.6.2, aanhef en onder a, onderdeel 2, en 22.3.2, aanhef en onder c, van de planregels het verbod om zonder aanlegvergunning grondbewerkingen uit te voeren, als bedoeld in de artikelen 4.6.1, aanhef en onder a, en 22.3.1, aanhef en onder a, hier niet van toepassing. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2013 in zaak nr. 201206267/1/A1 wordt overwogen dat, anders dan het college stelt, de uitzonderingen op het ophoogverbod, opgenomen in de artikelen 4.6.2, aanhef en onder a, en 22.3.2 van de planregels, niet cumulatief bedoeld zijn.

Gelet op het vorenstaande, heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat het college bevoegd was handhavend op te treden tegen de ophoging van het perceel.

Het betoog slaagt.

2. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 21 augustus 2012 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in verbinding met artikel 125 van de Gemeentewet, voor vernietiging in aanmerking. Het besluit van 20 december 2011 is reeds vernietigd in de uitspraak van 17 april 2013 in zaak nr. 201206267/1/A1 en behoeft derhalve niet meer herroepen te worden.

3. Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Gelet op hetgeen onder 1.3. is overwogen, komt aan het invorderingsbesluit van 30 januari 2013 de grondslag te ontvallen. De Afdeling zal het beroep tegen dit besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

4. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 29 oktober 2012 in zaak nrs. 12/9182 en 12/9183;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude van 21 augustus 2012, kenmerk 12/357;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude van 30 januari 2013, kenmerk Z13-03371-2283, gegrond;

VI. vernietigt dat besluit;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 22,20 (zegge: tweeëntwintig euro en twintig cent);

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zoeterwoude aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 388,00 (zegge: driehonderdachtentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Graaff-Haasnoot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013

531-761.