Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2436

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201201653/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Vaanpark" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/650

Uitspraak

201201653/1/R4.

Datum uitspraak: 18 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Barendrecht,

en

de raad van de gemeente Barendrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Vaanpark" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 december 2012, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door onder meer mr. L.L. Scheppink en drs. J.P. van den Berg, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 27 december 2012, in zaak nr. 201201653/1/T1/R4, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 20 december 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 2 april 2013 heeft de raad ter uitvoering van voormelde tussenuitspraak het bestemmingsplan "Vaanpark" opnieuw, gewijzigd vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 20 december 2011

1. De Afdeling heeft in 2.6 van de tussenuitspraak overwogen dat op de digitale verbeelding, welke gelet op artikel 1.2.3, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening beslissend is, geen aanduidingen met betrekking tot de dakhelling voor de bouwvlakken op het perceel aan de [locatie] te Barendrecht zijn opgenomen en dat bij gebreke van dergelijke aanduidingen, op de ter plaatse voorziene woningen en bijgebouwen daken van een onbeperkte hoogte kunnen worden gerealiseerd. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat de raad ter zitting te kennen heeft gegeven dat het niet opnemen van deze aanduidingen een omissie is geweest en dat het wel zijn bedoeling was om ter plaatse van de vier bouwvlakken iets over de maximale dakhelling te regelen. De Afdeling heeft gelet hierop geoordeeld dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als gevolg van het plan geen onaanvaardbare aantasting van de karakteristieke uitstraling van de woonboerderij van [appellant] optreedt.

Voorts heeft de Afdeling in 2.7 van de tussenuitspraak overwogen dat in de in het plan voorziene bijgebouwen bedrijven tot en met categorie 2 van de bij het bestemmingsplan gevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten kunnen worden gevestigd. De vestiging van een kinderdagverblijf, waar [appellant] in het bijzonder voor vreest, behoort niet tot de mogelijkheden, maar het plan voorziet wel in de vestiging van andere bedrijven die invloed kunnen hebben op de geluidbelasting op de woonboerderij. Eén van de twee bijgebouwen die op de woon-werkkavel is voorzien, ligt op ongeveer 12 meter afstand van de woonboerderij van [appellant]. De Afdeling heeft geoordeeld dat de raad zich onder deze omstandigheden niet, althans niet zonder nadere motivering, op het standpunt heeft kunnen stellen dat als gevolg van de in dit plan voorziene bouwmogelijkheden geen geluidoverlast voor [appellant] zal optreden.

De Afdeling heeft gelet op hetgeen in 2.6 van de tussenuitspraak is overwogen, geoordeeld dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het perceel aan de [locatie] te Barendrecht, niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast heeft de Afdeling gelet op hetgeen in 2.7 van de tussenuitspraak is overwogen, geoordeeld dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2. Gelet hierop is het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 20 december 2011, gegrond. Dat besluit dient te worden vernietigd, wat het plandeel met de bestemming "Gemengd - 2" voor het perceel aan de [locatie] te Barendrecht betreft.

3. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van overweging 2.6 het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling voor het perceel aan de [locatie] te Barendrecht en het bestreden besluit in dat licht nader te motiveren ten aanzien van de invloed van de op dit perceel voorziene bouwmogelijkheden op de karakteristieke uitstraling van de woonboerderij van [appellant]. Daarnaast heeft de Afdeling de raad opgedragen om met inachtneming van overweging 2.7 het besluit ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden op het perceel [locatie] te Barendrecht, alsnog toereikend te motiveren dan wel het besluit ook op dit punt te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

Het besluit van 2 april 2013

4. Bij besluit van 2 april 2013 heeft de raad, naar aanleiding van de tussenuitspraak, het bestemmingsplan "Vaanpark" opnieuw, gewijzigd, vastgesteld en daarmee het besluit van 20 december 2011 vervangen.

Het besluit behelst de volgende wijzigingen:

1. de bedrijfscategorie van bijgebouwen op de te ontwikkelen woon-werkkavel aan de [locatie] is aangepast tot maximaal categorie 1 (artikel 7, lid 1, onder c, van de planregels) met een afwijkingsbevoegdheid tot categorie 2 (artikel 7, lid 7, onder e, van de planregels);

2. de dakhelling (minimaal 40 tot maximaal 60 procent) ter plaatse van de woon-werkkavel aan de Carnisseweg geldt nu voor alle 4 de bouwvlakken.

5. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van [appellant] van rechtswege mede betrekking op het besluit van 2 april 2013 tot vervanging van het besluit van 20 december 2011.

6. [appellant] voert in zijn zienswijze aan dat de wethouder de verwachting heeft gewekt dat de groenstrook zou worden behouden.

6.1. In 2.3 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat, voor zover [appellant] zich beroept op het vertrouwensbeginsel, [appellant] niet met concrete gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad, het bevoegde orgaan in dezen, de verwachting is gewekt dat de groenstrook zou worden behouden.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] in zoverre tegen het besluit van 2 april 2013 heeft aangevoerd geen aanleiding thans anders te oordelen dan zij in de tussenuitspraak ten aanzien van het besluit van 20 december 2011 heeft geoordeeld.

7. [appellant] voert in zijn zienswijze verder aan dat het zich niet verdraagt met de conserverende aard van het bestemmingsplan dat er een wijziging heeft plaatsgevonden van één woning met één bijgebouw naar twee woningen met bijgebouwen.

[appellant] voert voorts aan dat de afstand tot de bijgebouwen niet dient te worden gemeten van de zijkant van zijn woning, maar vanaf de fundatiegevel.

Voorts voert [appellant] aan dat de maximale goothoogte van 5 meter voor bijgebouwen zich niet verdraagt met het gemeentelijke beleid volgens welk het karakteristieke beeld van de woningen aan de Carnisseweg moet worden behouden, en dat de goothoogte gelijk dient te zijn aan de maximale goothoogte van 3 meter van zijn woning.

Verder voert [appellant] aan dat schriftelijk is toegezegd dat een gedeelte van de gronden naast zijn woning in ruil voor een planschadevergoeding door hem kan worden verworven.

Voorts voert [appellant] aan dat ten onrechte bedrijfsruimtes zijn voorzien binnen het 10 meter brede gebied dat de woningen door middel van water zou afschermen van het industriedeel.

Verder voert [appellant] aan dat bij de bouw van twee vrijstaande woningen zal worden gekomen binnen zijn erfgrens, nu bij die bouw een afstand van 7 meter tot het water moet worden aangehouden.

Voorts voert [appellant] aan dat in het plan ten onrechte niet inhoudelijk wordt ingegaan op hetgeen in de gemeentelijke welstandsnota wordt vermeld omtrent de cultuurhistorische waarde van zijn boerderij.

[appellant] voert verder aan dat de toegestane bebouwing kan leiden tot aantasting van archeologische waarden.

Ten slotte voert [appellant] aan dat hij schade heeft geleden door de bouw van de duiker, waarop noch door de gemeente noch door de Ontwikkelingsmaatschappij Midden-IJsselmonde (OMMIJ) actie is ondernomen. Gelet daarop dient de gemeente voor er daadwerkelijk gebouwd gaat worden een bankgarantie af te geven voor schade aan zijn woning.

7.1. Met vorenstaande gronden heeft [appellant] zijn beroepsgronden uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellant] in dit opzicht aanvoert, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

8. [appellant] voert aan dat geluid en andere trillingen van logistieke bewegingen als echo zullen worden versterkt in zijn waterput en als resonantie zullen doorkomen in zijn woning. In verband daarmee had volgens hem een grotere afstand moeten worden aangehouden tot deze put, die grenst aan de erfgrens.

8.1. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bedrijfsactiviteiten die bij de gewijzigd vastgestelde planregeling mogelijk worden gemaakt, vanwege resonanties in de waterput zodanige invloed kunnen hebben op de geluidbelasting op zijn woonboerderij dat de raad er niet in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan dat de gewijzigd vastgestelde planregeling in zoverre niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen ter plaatse van de woning van [appellant]. Het betoog faalt.

9. Ten aanzien van de beroepsgronden die [appellant] heeft aangevoerd tegen het besluit van 20 december 2012, welke worden geacht mede te zijn gericht tegen het vervangende besluit van 2 april 2013, ziet de Afdeling geen aanleiding anders te oordelen in het kader van de toetsing van het besluit van 2 april 2013, voor zover het plan daarbij ongewijzigd is vervangen, dan in het kader van de toetsing van het besluit van 20 december 2011, die in de tussenuitspraak heeft plaatsgevonden.

10. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 2 april 2013, is ongegrond.

Proceskosten

11. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Barendrecht van 20 december 2011, gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Barendrecht van 20 december 2011, kenmerk 12, wat het plandeel met de bestemming "Gemengd - 2" voor het perceel aan de [locatie] te Barendrecht betreft;

III. verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Barendrecht van 2 april 2013, ongegrond;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Barendrecht aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Kuipers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013

271.