Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2430

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
201207966/2/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:BX8903, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 maart 2011 heeft de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Arnhem geweigerd aan [appellant] een stageverklaring af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201207966/2/A3.

Datum uitspraak: 18 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 juni 2012 in zaak nr. 11/4546 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten.

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2011 heeft de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Arnhem geweigerd aan [appellant] een stageverklaring af te geven.

Bij besluit van 21 september 2011 heeft de Algemene Raad het door [appellant] daartegen bij hem ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 juni 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en een verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Algemene Raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.J.P.C.G. Verheijen, advocaat te Nijmegen, en de Algemene Raad, vertegenwoordigd door mr. M.E. Veenboer, werkzaam in zijn dienst, zijn verschenen. Voorts is daar de Raad van Toezicht, vertegenwoordigd door mr. M.M.H.J. Vroemen, werkzaam in zijn dienst, gehoord.

Bij tussenuitspraak van 11 september 2013 in deze zaak (nr. 201207966/1/A3) heeft de Afdeling de Algemene Raad opgedragen om binnen acht weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een gebrek in het besluit van 21 september 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 11 oktober 2013 heeft de Algemene Raad dat besluit nader gemotiveerd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] daarover zijn zienswijze gegeven.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: Wns), voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Uit het in artikel IV van de Wns neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

Ingevolge artikel 9b, eerste lid, van de Advocatenwet is, behoudens in dit geval niet ter zake doende uitzonderingen, elke advocaat verplicht gedurende de eerste drie jaar waarin hij als zodanig is ingeschreven als stagiaire de praktijk uit te oefenen onder toezicht van een andere advocaat - hierna te noemen de patroon - en bij deze kantoor te houden.

Ingevolge het tweede lid wordt voor stagiaires die in deeltijd werkzaam zijn de duur van de stage naar evenredigheid verlengd. Voorts kan de duur van de stage met ten hoogste drie jaar worden verlengd indien de Raad van Toezicht van oordeel is dat de stagiaire nog niet over voldoende praktijkervaring beschikt.

Ingevolge het zesde lid wordt bij of krachtens verordening als bedoeld in artikel 28 bepaald wie als patroon kunnen optreden, onderscheidenlijk als patroon kunnen worden aangewezen, aan welke verplichtingen de patroon en de stagiaire hebben te voldoen, alsmede wanneer en in welke gevallen de tussen hen bestaande verhouding haar begin en einde neemt.

Ingevolge artikel 26 bevorderen de Algemene Raad en de Raden van Toezicht een behoorlijke uitoefening der praktijk en zijn zij bevoegd tot het nemen van alle maatregelen, die daartoe kunnen bijdragen.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, stelt het college van afgevaardigden verordeningen vast in het belang van de goede uitoefening van de praktijk.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Stageverordening 1988 eindigt de verplichting de praktijk uit te oefenen onder toezicht van een patroon, zodra de duur van de stage op de voet van het bepaalde in artikel 9b van de Advocatenwet is verstreken en de Raad van Toezicht, gehoord de patroon en de stagiaire, oordeelt dat de stagiaire naar behoren aan de bij of krachtens deze verordening aan hem gestelde eisen heeft voldaan en tevens over voldoende praktijkervaring beschikt.

Ingevolge het tweede lid geeft de Raad van Toezicht aan de stagiaire, wiens stageverplichting overeenkomstig het vorige lid is geëindigd, een verklaring dat de stage is voltooid.

Op 9 oktober 2008 heeft de Raad van Toezicht de Beleidsregels voor de stage in het arrondissement Arnhem vastgesteld (hierna: de Beleidsregels 2008) en daarbij bepaald dat deze beleidsregels onmiddellijk in werking treden met gelijktijdige intrekking van de voordien geldende regels.

Volgens deze beleidsregels wordt daarin onder de stagiaire-ondernemer verstaan:

"de stagiaire die niet in loondienst is van (het kantoor van) de patroon maar de praktijk voor eigen rekening en risico uitoefent. De stagiaire-ondernemer kan werkzaam zijn ten kantore van de patroon(als binnen-stagiaire) of kan (als buiten-stagiaire) vrijgesteld zijn van de verplichting om kantoor te houden bij de patroon."

Volgens artikel 2.1 legt de stagiaire-ondernemer, samen met het verzoek tot goedkeuring van een patronaat, een ondernemingsplan over dat een begroting met een toelichting op de te behalen omzet voor de gehele stageperiode bevat. De begroting moet ook een volledig overzicht met specificaties van de te verwachten praktijkkosten bevatten, waaronder de premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering (waarvan de hoogte van de uitkering is afgestemd op een bedrag gelijk aan het wettelijk minimumloon vermeerderd met de vaste praktijkkosten). De stagiaire toont aan dat de verzekering vanaf de datum van beëdiging aanvangt.

Volgens artikel 2.3 moet de stagiaire-ondernemer gedurende de gehele stageperiode kunnen beschikken over een kredietfaciliteit bij een erkende bankinstelling of een onbelast liquide vermogen gelijk aan het wettelijk minimumloon voor een jaar, vermeerderd met de vaste praktijkkosten op jaarbasis, tenzij de stagiaire aan kan tonen te beschikken over relevante neveninkomsten. In de plaats hiervan mag een ongeclausuleerde, onherroepelijke en adequate borgstelling tot hetzelfde bedrag worden gesteld.

Volgens artikel 9.1 eindigt de stageverplichting conform het bepaalde in artikel 10 van de Stageverordening 1988, zodra de termijn is verstreken en de Raad van Toezicht oordeelt dat de stagiaire aan alle eisen heeft voldaan en beschikt over voldoende praktijkervaring. Indien de stagiaire tijdens de duur van de stage niet voldoende proceservaring heeft opgedaan en/of niet ten minste op twee rechtsgebieden relevante ervaring heeft opgedaan en/of wanneer de stagiaire zich naar het oordeel van de Raad van Toezicht in de praktijkuitoefening zodanig heeft gedragen dat er onvoldoende waarborgen zijn voor een behoorlijke, zelfstandige praktijkvoering, kan de Raad van Toezicht oordelen dat de stagiaire niet over voldoende praktijkervaring beschikt en kan hij de stage verlengen.

Volgens artikel 9.2 kan de Raad van Toezicht, als de stagiaire aan het einde van de stage niet aan kan tonen dat aan alle opleidingseisen is voldaan en/of niet over voldoende praktijkervaring beschikt, de stage verlengen met een door hem te bepalen termijn, waarbinnen de stagiaire alsnog aan de ontbrekende verplichting kan voldoen en/of alsnog de ontbrekende ervaring kan opdoen.

Volgens artikel 9.3 zal de stage, als de stagiaire na deze verlenging nog niet heeft voldaan aan alle verplichtingen, niet opnieuw worden verlengd, behoudens eventuele verdere verlenging op grond van bijzondere omstandigheden, en zal geen stageverklaring worden uitgereikt.

2. Voor de relevante feiten en omstandigheden wordt verwezen naar overweging 2. van de tussenuitspraak.

3. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het ter zitting ingenomen standpunt van de Algemene Raad dat de financiële situatie van de praktijk van [appellant] op zichzelf geen reden vormde om afgifte van een stageverklaring te weigeren, niet overeenkomt met de motivering van het besluit van 21 september 2011. Daarin is gesteld dat de financiële basis van de praktijk van [appellant] niet solide is en reeds daarom grond bestaat voor het oordeel dat [appellant] niet in staat is een behoorlijke, zelfstandige praktijk te voeren, als bedoeld in artikel 9.1 van de Beleidsregels 2008. Het besluit van 21 september 2011 ontbeert aldus een draagkrachtige motivering.

Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [appellant] tegen het besluit van 21 september 2011 ingestelde beroep gegrond verklaren. Dat besluit dient wegens strijd met artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te worden vernietigd.

Hierna zal worden beoordeeld of de nadere motivering in de brief van 11 oktober 2013 aanleiding geeft om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

4. In de brief van 11 oktober 2013 heeft de Algemene Raad zich op het standpunt gesteld dat de financiële situatie van de praktijk van [appellant] in combinatie met het ontbreken van de voor de praktijkuitoefening noodzakelijke vaardigheden de redenen vormen voor de weigering aan hem een stageverklaring af te geven. Het ontbreken van de noodzakelijke vaardigheden blijkt uit het verloop en de duur van de stage, de gang van zaken bij de beroepsopleiding en de inhoudelijke ontwikkeling van [appellant], in onderlinge samenhang bezien. De nadruk op de financiële situatie is voortgekomen uit de door [appellant] aangevoerde gronden, die in het bijzonder daarop zien. Dat laat echter onverlet dat aan de andere genoemde redenen evenveel gewicht toekomt, zodat de weigering terecht in stand is gelaten bij het besluit van 21 september 2011, aldus de Algemene Raad.

5. [appellant] betoogt dat de Algemene Raad hiermee het motiveringsgebrek niet heeft hersteld. Volgens hem heeft de Algemene Raad bij de beoordeling van de financiële situatie ten onrechte een vermogenstoets toegepast. Bovendien heeft hij zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat zijn vermogenspositie niet stabiel en solide was. Daarnaast heeft de Algemene Raad hem ten onrechte tegengeworpen dat hij de maximale termijn van zes jaar over de stage heeft gedaan en vijf jaar over de beroepsopleiding, in plaats van de gemiddelde negen maanden, nu hij hiervoor destijds toestemming van de Raad van Toezicht had gekregen. Verder heeft de Algemene Raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat zijn inhoudelijke ontwikkeling niet voldoende is. Hij heeft, anders dan de Algemene Raad stelt, geen taalondersteuning nodig. De gestelde bemiddeling door de deken en de manier waarop hij met zijn Turkse cliënten omgaat, zijn door de Algemene Raad op onjuiste wijze uitgelegd. Zijn communicatie met de Raad van Toezicht had beter gekund, maar dit kan op zichzelf geen reden vormen om een stageverklaring te weigeren, aldus [appellant].

5.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 9b van de Advocatenwet, welke bepaling ten grondslag ligt aan artikel 10 van de Stageverordening 1988 en artikel 9.1 van de Beleidsregels 2008, volgt dat het in het belang is van zowel de cliënten van advocaten, als van een goede rechtspleging in haar algemeenheid dat eisen aan de stage en opleiding van advocaat-stagiaires worden gesteld. Verder volgt daaruit dat het aan de Raden van Toezicht en de Algemene Raad is om die eisen nader in te vullen en erop toe te zien dat aan die eisen wordt voldaan (Kamerstukken II 1986-87, 19 996, nr. 3). Bij de beoordeling of een stageverklaring kan worden afgegeven, dienen bovenvermelde belangen in ogenschouw te worden genomen. Voorts dient de rechter een oordeel van de Algemene Raad over de vraag of een Raad van Toezicht zich al dan niet terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet aan de eisen van een stage is voldaan, gelet op de beoordelingsvrijheid die hem in dezen toekomt, met terughoudendheid te toetsen.

5.2. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 4. is overwogen, heeft de Algemene Raad bij de nadere motivering zowel de financiële situatie als het verloop en de duur van de stage, de gang van zaken bij de beroepsopleiding en de inhoudelijke ontwikkeling van [appellant] betrokken.

Anders dan [appellant] heeft betoogd mocht de Algemene Raad ten aanzien van de beoordeling van de financiële situatie de vermogenspositie van diens praktijk, gelet op artikel 2.1 van de Beleidsregels 2008, in aanmerking nemen. De Algemene Raad heeft zijn standpunt dat die vermogenspositie ten tijde van de stage niet stabiel en solide was, weliswaar niet met concrete, objectieve gegevens van bijvoorbeeld een accountant gestaafd, maar hij heeft bij de beoordeling van de financiële situatie niet slechts het vermogen in aanmerking genomen, maar tevens het ontbreken van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. [appellant] heeft niet betwist dat hij deze niet, dan wel niet tijdig, heeft afgesloten en dat dat in strijd is met artikel 2.1 van de Beleidsregels 2008. Aangezien het de verantwoordelijkheid van [appellant] was om een zodanige verzekering af te sluiten, heeft de Algemene Raad hem terecht niet gevolgd in zijn betoog dat de Raad van Toezicht op dit punt alerter had moeten zijn. Gelet op het ontbreken van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, heeft de Algemene Raad de gebrekkige financiële situatie mede aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.

Dat geldt evenzeer voor het verloop en de duur van de stage en de gang van zaken bij de beroepsopleiding. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, brengt de omstandigheid dat de Raad van Toezicht met de verlengingen van de stage heeft ingestemd en uitstel heeft verleend voor het behalen van de beroepsopleiding, niet mee dat deze aspecten niet meer in aanmerking mochten worden genomen bij de beoordeling of aan hem een stageverklaring diende te worden afgegeven. Er is voorts geen grond voor het oordeel dat de Algemene Raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verloop en de duur van de stage en de gang van zaken bij de beroepsopleiding twijfels oproepen over de inhoudelijke ontwikkeling van [appellant] en diens vakbekwaamheid.

[appellant] heeft aangevoerd dat hij geen taalondersteuning nodig heeft en de bemiddeling door de deken en de praktijkvoering ten aanzien van zijn Turkse cliënten door de Algemene Raad op onjuiste wijze zijn uitgelegd. Hij heeft echter niet weersproken dat de communicatie tussen hem en de Raad van Toezicht niet naar behoren is verlopen, hetgeen ook uit de overgelegde stukken volgt. Ook dit aspect heeft de Algemene Raad aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.

Gegeven het hiervoor vermelde toetsingskader, geeft het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de Algemene Raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op de financiële situatie in combinatie met het verloop en de duur van de stage, de gang van zaken bij de beroepsopleiding en de inhoudelijke ontwikkeling van [appellant], in hun onderlinge samenhang bezien, de Raad van Toezicht terecht heeft geweigerd aan [appellant] een stageverklaring af te geven. Hij heeft voorts geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen aan de door [appellant] overgelegde brief van mr. J.F.E. van Halder, die hem na afloop van de stage heeft begeleid, reeds omdat die brief betrekking heeft op de periode na afloop van de stage.

Het betoog faalt.

6. Het voorgaande geeft aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 21 september 2011 in stand blijven.

Het op artikel 8:73 van de Awb gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient om die reden te worden afgewezen.

7. De Algemene Raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 juni 2012 in zaak nr. 11/4546;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten van 21 september 2011, kenmerk STV-2011-05;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen ervan geheel in stand blijven;

VI. wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VII. veroordeelt de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten tot vergoeding aan [appellant] van bij hem in verband met de behandeling van het administratieve beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten tot vergoeding aan [appellant] van bij hem in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.124,00 (zegge: tweeduizend honderdvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 388,00 (zegge: driehonderdachtentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Vries-Biharie

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013

611.