Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2408

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201305072/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2012 heeft het college het verzoek om handhavend op te treden in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) ten aanzien van de bedrijfshandelingen van de veehouderij aan de Ulfterhoek 15 te Sevenum, in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden "Deurnsche Peel en Mariapeel" en "Maasduinen" afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TGMA 2014/3
BR 2014/31

Uitspraak

201305072/1/R2.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Cooperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de vereniging Vereniging Leefmilieu, beide gevestigd te Nijmegen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2012 heeft het college het verzoek om handhavend op te treden in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) ten aanzien van de bedrijfshandelingen van de veehouderij aan de Ulfterhoek 15 te Sevenum, in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden "Deurnsche Peel en Mariapeel" en "Maasduinen" afgewezen.

Bij besluit van 23 april 2013, kenmerk 2013/22867 HMTH, heeft het college het door MOB en de vereniging hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben MOB en de vereniging beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2013, waar MOB en de vereniging, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.W. Meelkop en J.W.M. Horbach, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) is het verboden zonder vergunning van het college projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

2. Bij het bestreden besluit heeft het college de bezwaren ongegrond verklaard omdat niet vaststaat dat sprake is van een overtreding van artikel 19d van de Nbw 1998. Wat betreft de emissies uit de stallen bestaat concreet zicht op legalisatie gezien het ontwerpbesluit voor een vergunning van 30 augustus 2012. Voorts is de uitstoot als gevolg van de beweiding van de koeien volgens het college verrekend in de emissies die voor de stalsystemen zijn berekend. Hiermee is derhalve in de (ontwerp)vergunning op grond van de Nbw 1998 rekening gehouden. Bovendien ziet de uitbreiding op een stal waarin de koeien permanent op stal worden gezet. Over de bemesting heeft het college overwogen dat op grond van de Meststoffenwet een landelijk regime geldt om de stikstofemissie terug te dringen. Gelet daarop ontstaat op grond van de Nbw 1998 pas een vergunningplicht op het moment van een wijziging van de bijbehorende emissie. In dit geval is waarschijnlijk, mede gezien de steeds strenger wordende mestregelgeving, sprake van bestaand gebruik, aldus het college.

3. MOB en de vereniging betogen dat hun bezwaren ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd ongegrond zijn verklaard. Hiertoe voeren zij aan dat feitelijk sprake is van een wijziging van de bedrijfsvoering en dat ook uit het bestreden besluit en het advies van de bezwaarcommissie niet blijkt dat er geen wijziging is. Weliswaar wordt een procedure gevolgd voor een vergunning op grond van de Nbw 1998 in verband met de geplande uitbreiding en wijziging van de melkveehouderij aan de Ulfterhoek 15 in Sevenum, maar deze ontwerpvergunning ziet slechts op het gebruik van de stallen na de geplande uitbreiding en wijziging en niet op de emissies vanwege het mest uitrijden en de beweiding van de koeien, terwijl deze handelingen een onlosmakelijk deel uitmaken van de bedrijfsvoering. Tot slot brengen MOB en de vereniging naar voren dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat MOB en de vereniging onvoldoende hebben onderbouwd dat sprake is van een overtreding, te meer omdat al meer koeien worden gehouden dan voorheen.

4. Aan de Ulfterhoek 15 te Sevenum ligt een (melk)rundveehouderij in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden "Deurnsche Peel en Mariapeel" en "Maasduinen".

5. De Afdeling overweegt dat gelet op de stukken, waaronder het verslag van de hoorzitting van de adviescommissie bezwaarschriften, en het verhandelde ter zitting vast staat dat het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet heeft onderzocht of de bedrijfsvoering van de melkrundveehouderij aan de Ulfterhoek 15 te Sevenum een overtreding van artikel 19d van de Nbw tot gevolg heeft. Het college beschikte niet over informatie over de feitelijke situatie ter plaatse. Om te kunnen vast stellen of sprake is van een overtreding van artikel 19d van de Nbw dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie enerzijds en de vergunde situatie op de relevante peildatum anderszijds. Nu het college, zonder vast te stellen dat sprake was van een overtreding, een afweging heeft gemaakt naar aanleiding van het verzoek van MOB en de vereniging, is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

6. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 23 april 2013, kenmerk 2013/22867 HMTH;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Cooperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de vereniging Vereniging Leefmilieu in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderd vierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Cooperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de vereniging Vereniging Leefmilieu het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Kuggeleijn-Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

545.