Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2405

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201303879/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2013:1358, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 11 mei 2012 heeft de staatssecretaris twee aanvragen van [appellant] om subsidie voor het in stand houden van een hoofdhuis en een koetshuis als onderdeel van de historische buitenplaats Epemastate te Ysbrechtum buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201303879/1/A2.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ysbrechtum, gemeente Sneek,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 maart 2013 in zaken nrs. 12/2504 en 12/2505 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (thans: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 11 mei 2012 heeft de staatssecretaris twee aanvragen van [appellant] om subsidie voor het in stand houden van een hoofdhuis en een koetshuis als onderdeel van de historische buitenplaats Epemastate te Ysbrechtum buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 6 september 2012 heeft de staatssecretaris de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 maart 2013 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 6 september 2012 vernietigd, de besluiten van 11 mei 2012 herroepen, de subsidieaanvragen afgewezen en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.H.R. van Boetzelaer, advocaat te Heerenveen, en door W. de Jong, werkzaam bij Monumentenadvies Noord, en de minister, vertegenwoordigd door mr. K. El Addouti, werkzaam bij het Ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 kan de minister subsidie verstrekken ten behoeve van de instandhouding van beschermde monumenten. Onder instandhouding wordt verstaan de onderhoudswerkzaamheden aan een beschermd monument alsmede werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en die voor het herstel van het monument noodzakelijk zijn.

Ingevolge het derde lid, aanhef en onder d, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het verstrekken van subsidie, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen betrekking hebben op de aanvraag van een subsidie.

Het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011 (hierna: Brim 2011) is de in voormelde bepaling bedoelde algemene maatregel van bestuur.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel h, onder 1˚, van het Brim 2011 wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder een zelfstandig onderdeel: een onderdeel van een beschermd monument dat is aan te merken als een zelfstandige bouwkundige eenheid.

Ingevolge artikel 3 kan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor een periode van zes kalenderjaren aan de eigenaar van een beschermd monument of een zelfstandig onderdeel subsidie verstrekken ten behoeve van de instandhouding van een beschermd monument of een zelfstandig onderdeel.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, wordt subsidie op aanvraag verleend voor één of meer beschermde monumenten of zelfstandige onderdelen.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, wordt de subsidieaanvraag ingediend op een door de minister vastgesteld formulier.

Ingevolge het derde lid kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over andere bij de aanvraag over te leggen bescheiden.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, verdeelt de minister het voor subsidieverlening beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de subsidieaanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvullende informatie is ontvangen met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.

Ingevolge artikel 5, aanhef en onder b, van de Regeling rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011 (hierna: Rrim 2011) kunnen in het aanvraagformulier de volgende aanvullende bescheiden worden gevraagd: voor het geval de subsidieaanvraag een zelfstandig onderdeel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, onder 1˚ en 2˚, van het Brim 2011 betreft, een tekening waarop de omvang het van zelfstandig onderdeel is weergegeven.

2. De historische buitenplaats Epemastate aan de [locatie] te Ysbrechtum is in 2002 aangewezen als beschermd rijksmonument. Het bestaat uit meerdere onderdelen, waaronder een huis. Dit huis bestaat uit een hoofdhuis en een lagere aanbouw, met daarin een garage en een dienstwoning (hierna: het koetshuis).

3. [appellant] heeft aanvragen om subsidie op grond van het Brim 2011 ingediend voor de instandhouding van het hoofdhuis en het koetshuis.

Bij onderscheiden brieven van 23 maart 2012 heeft de staatssecretaris [appellant] medegedeeld dat de aanvragen onvoldoende gegevens bevatten om een besluit te kunnen nemen. De staatssecretaris heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld de aanvraag aan te vullen door middel van een plattegrondtekening, zodat kan worden bepaald of het hoofdhuis en het koetshuis zelfstandige bouwkundige eenheden zijn.

[appellant] heeft geen plattegrondtekening toegezonden, waarop de staatssecretaris bij besluiten van 11 mei 2012 te kennen heeft gegeven de aanvragen niet verder in behandeling te nemen.

In verweer bij de rechtbank is de staatssecretaris teruggekomen op zijn standpunt dat de subsidieaanvragen buiten behandeling gesteld moesten worden. Hij heeft zijn standpunt dat de bij de subsidieaanvragen verstrekte gegevens onvoldoende waren om tot honorering van de aanvragen over te gaan gehandhaafd. De rechtbank heeft dit standpunt gevolgd.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aanvraag ten aanzien van het hoofdhuis als een aanvraag voor een zelfstandige bouwkundige eenheid moet worden beschouwd. Uitsluitend voor het koetshuis moet beoordeeld worden of dit een zelfstandige bouwkundige eenheid is. Het hoofdhuis is immers een zelfstandig beschermd monument dat ingevolge het Brim 2011 voor subsidie in aanmerking komt, aldus [appellant].

4.1. In artikel 9 van het Brim 2011 is bepaald dat subsidie op aanvraag wordt verleend voor één of meer beschermde monumenten of zelfstandige onderdelen daarvan. In de nota van toelichting bij het Brim 2011 (Stb. 2010, 708, blz. 22) is het begrip zelfstandig onderdeel nader toegelicht. Hieruit volgt dat een gebouwd monument uit één ondeelbaar geheel of uit meerdere zelfstandige onderdelen kan bestaan. In het eerste geval bestaat het gebouwde monument uit één zelfstandige bouwkundige eenheid, in het laatste geval bestaat het uit meerdere zelfstandige bouwkundige eenheden. Of sprake is van een zelfstandige bouwkundige eenheid als bedoeld in het Brim 2011, hangt in hoge mate af van de feitelijke situatie. Bij aan elkaar vastgebouwde bouwwerken kan worden gesproken van verschillende zelfstandige bouwkundige eenheden, indien ze in constructief en functioneel opzicht te onderscheiden zijn. Een eigenaar kan ervoor kiezen om één aanvraag voor meerdere beschermde monumenten of zelfstandige onderdelen in te dienen, of juist één aanvraag per beschermd monument of zelfstandig onderdeel. Een en ander is ook uitdrukkelijk in de toelichting bij het subsidieaanvraagformulier vermeld.

[appellant] heeft ervoor gekozen om voor het hoofdhuis en het koetshuis twee afzonderlijke aanvragen in te dienen. Hij heeft in zijn aanvraag voor het hoofdhuis vermeld: "zelfstandig bouwkundige eenheid zonder koetshuis", alsmede "state zonder koetshuis". In zijn aanvraag voor het koetshuis heeft hij vermeld: "zelfstandig bouwkundige eenheid koetshuis" alsmede "koetshuis zonder state". Uit de systematiek van het Brim 2011 vloeit voort dat beide onderdelen als zelfstandige bouwkundige eenheden moeten kunnen worden aangemerkt en dat [appellant] dat met stukken moet aantonen. De rechtbank heeft aldus terecht overwogen dat de aanvraag ten aanzien van het hoofdhuis als een aanvraag voor een zelfstandige bouwkundige eenheid moet worden beschouwd.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de bij de subsidieaanvraag gevoegde rioleringstekening en de monumentenomschrijving voldoende inzicht in de scheiding van het hoofdgebouw en de lagere aanbouw bieden. De staatssecretaris heeft daarom ten onrechte om aanvullende gegevens verzocht, aldus [appellant].

5.1. In artikel 5, aanhef en onder b, van de Rrim 2011 is voor het geval een eigenaar een subsidieaanvraag doet voor een zelfstandige bouwkundige eenheid, een tekening genoemd als aanvullend indieningsvereiste. Uit de nota van toelichting bij de Rrim 2011 (Stcrt 2010, 15658 van 7 oktober 2010, blz. 31) volgt dat bij aan elkaar gebouwde zelfstandige bouwkundige eenheden vaak een nauwkeurige afbakening nodig is en dat in een dergelijk geval de tekening een of meer plattegronden bevat, omdat het aangeven van binnen- en buitendeuren voor de beoordeling van belang kan zijn. Uit de tekening moet duidelijk blijken dat het om een zelfstandig bouwkundig geheel gaat, dat bouwkundig is gescheiden van de aangrenzende bebouwing, met een eigen toegang. Deze toelichting is overgenomen in het subsidieaanvraagformulier.

[appellant] heeft bij zijn aanvraag verschillende stukken overgelegd, waaronder foto’s en tekeningen van de verschillende gevelaanzichten en een rioleringstekening. De staatssecretaris heeft in het besluit op bezwaar gemotiveerd toegelicht dat uit deze stukken niet blijkt op welke wijze het koetshuis in constructief opzicht van het hoofdhuis gescheiden is. Zo is niet op te maken hoe de scheiding tussen het hoofdhuis en het koetshuis van binnen is gerealiseerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat onvoldoende informatie is verstrekt om tot honorering van de subsidieaanvragen over te gaan.

Het betoog faalt.

6. Voor zover [appellant] betoogt dat de staatssecretaris in strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld door de aanvraag niet te honoreren, terwijl dit in het verleden op basis van dezelfde gegevens wel gebeurde, faalt het eveneens. Het Brim 2011 vervangt de vorige instandhoudingsregeling en heeft wat betreft de subsidiesystematiek de wijziging ondergaan dat kan worden uitgegaan van een zelfstandig onderdeel van een beschermd monument. De wijzigingen onder het Brim 2011 en de Rrim 2011 zijn duidelijk in die regelingen, de nota’s van toelichting daarbij en de toelichting bij het subsidie aanvraagformulier omschreven. Anders van [appellant] betoogt, mocht hij er niet van uitgaan dat hij zonder meer ook onder het Brim 2011 voor subsidie in aanmerking zou komen.

7. Ten slotte faalt ook het betoog van [appellant] dat de staatssecretaris in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door zijn aanvragen niet te honoreren, terwijl de aanvragen met betrekking tot Landhuis Schattenburg te Dronrijp en Landhuis Lutz te Kollum wel geheel of gedeeltelijk zijn gehonoreerd. De staatssecretaris heeft in het besluit van 6 september 2012 gemotiveerd onderbouwd dat bij de aanvragen met betrekking tot landhuis Schatzenburg wel de vereiste plattegrondtekeningen waren bijgevoegd en dat ten behoeve van Landhuis Lutz zich een uit 2003 daterende plattegrondtekening in de archieven van de Rijksdienst bevond. Voor de Epemastate is dat niet het geval. Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat van gelijke gevallen geen sprake is.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Poot

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

362-756.