Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2394

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201302903/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:1311, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 november 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Het besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302903/1/V3.

Datum uitspraak: 5 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2013 in zaak nr. 12/34811 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 2 november 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 februari 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit in zoverre vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door te overwegen dat het inreisverbod in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen, heeft miskend dat hij, gelet op het proces-verbaal van gehoor bij terugkeerbesluit en inreisverbod van 2 november 2012 (hierna: het proces-verbaal), de vereiste nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen heeft vergaard. Voorts klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, nadat zij het besluit van 2 november 2012 heeft vernietigd, ten onrechte in het kader van de finale geschillenbeslechting niet heeft beoordeeld of de door hem in het verweerschrift van 8 januari 2013 en de ter zitting gegeven motivering aanleiding gaf om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

2.1. Uit het proces-verbaal blijkt dat de vreemdeling is geïnformeerd over het aan hem op te leggen inreisverbod, dat hem in dat gehoor is uitgelegd dat individuele omstandigheden mogelijk tot het afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod dan wel tot verkorting van de duur van dat inreisverbod zouden kunnen leiden, dat het aan hem is om zodanige omstandigheden aan te voeren en dat tijdens het gehoor specifiek daarop gerichte vragen zijn gesteld waarop de vreemdeling heeft geantwoord. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat het besluit van 2 november 2012 in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen.

Voorts is niet in geschil dat de staatssecretaris in het besluit van 2 november 2012, waarbij een inreisverbod tegen de vreemdeling is uitgevaardigd, niet is ingegaan op de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden en dat het besluit daarom in strijd met artikel 3:46 van de Awb is genomen. Hoewel de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat voorvermeld besluit wegens strijd met dit artikel dient te worden vernietigd, heeft zij niet onderkend dat in dit geval aanleiding bestond de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten nu de staatssecretaris in het bij haar ingediende verweerschrift alsnog heeft gemotiveerd waarom de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden niet leiden tot het afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod dan wel tot verkorting van de duur ervan en de vreemdeling in zijn brief van 15 januari 2013 niet inhoudelijk op die motivering heeft gereageerd. De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank daarbij niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 2 november 2012 in stand worden gelaten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal worden bepaald dat de rechtsgevolgen van voormeld besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand blijven.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2013 in zaak nr. 12/34811, voor zover de rechtbank daarbij niet heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 2 november 2012 in stand blijven;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L.N. Bakker, ambtenaar van staat.

De voorzitter w.g. Bakker

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van staat

te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2013

395.