Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2393

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201302888/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied Harenkarspel" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302888/1/R1.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Warmenhuizen, gemeente Schagen, en anderen,

2. de stichting Stichting Golfbaan Dirkshorn, gevestigd te Dirkshorn, gemeente Schagen,

3. [appellant sub 2], wonend te Sint Maarten, gemeente Schagen,

4. [appellante sub 3], wonend te Den Helder, en anderen,

5. [appellant sub 4], wonend te Tuitjenhorn, gemeente Schagen, en anderen,

en

de raad van de gemeente Harenkarspel, thans: Schagen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk gebied Harenkarspel" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, Golfbaan Dirkshorn, [appellant sub 2], [appellante sub 3] en anderen en [appellant sub 4] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2013, waar [appellant sub 1] en anderen, bij monde van [appellant sub 1], [appellant sub 1 A] en [appellant sub 1 B], Golfbaan Dirkshorn, vertegenwoordigd door mr. F. Onrust, advocaat te Amsterdam, en [oud-bestuurslid] van Golfbaan Dirkshorn, [appellant sub 2], [appellante sub 3] en anderen, bijgestaan door M.J.M. Lutterman, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.H. Moraal en mr. J. de Graaf, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan voorziet in een actualisering van het juridisch-planologisch kader voor het buitengebied van de voormalige gemeente Harenkarspel.

Ontvankelijkheid

2. [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte het bouwvlak voor zijn perceel [locatie 1] in Sint Maarten niet is vergroot. [appellant sub 2] heeft dit niet in zijn zienswijze aangevoerd, zodat zijn beroep in zoverre niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze berust.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb en met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre niet-ontvankelijk.

3. De raad betoogt dat Golfbaan Dirkshorn geen belanghebbende is bij het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor de schuur tussen de percelen Groenvelderweg 12 en 14 (hierna: de schuur), omdat zij geen eigenaar daarvan is, maar alleen huurder.

3.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde.

3.2. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 21 maart 2012 in zaak nr. 201108436/1/R2 overweegt de Afdeling dat een huurder een rechtstreeks belang heeft als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, in het geval het plan gevolgen zou kunnen hebben voor de gebruiksmogelijkheden. Nu Golfbaan Dirkshorn betoogt dat haar gebruik van de schuur ten onrechte niet als zodanig is bestemd, is zij belanghebbende bij het plandeel voor de schuur. Er bestaat derhalve geen aanleiding het beroep van Golfbaan Dirkshorn in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 2]

5. [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte de bestemming "Wonen" is toegekend aan het perceel [locatie 2] (hierna: het perceel) in Sint Maarten. Volgens hem wordt hij als gevolg daarvan ernstig in de bedrijfsvoering van zijn agrarische bedrijf op het perceel [locatie 1] aangetast. Volgens [appellant sub 2] is ten onrechte in strijd met de vrijstelling voor de woning op dit perceel geen geluidscherm op het perceel opgericht. Ook wijst hij erop dat op het perceel zonder een vergunning buiten het bouwvlak een schuur is opgericht.

5.1. Volgens de raad is uitsluitend wat met de vrijstelling op het perceel mogelijk is gemaakt in het plan opgenomen.

5.2. De Afdeling overweegt dat voor de woning op het perceel bij besluit van 29 november 2002 een vrijstelling met bouwvergunning is verleend op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Met het plan is beoogd om wat met de vrijstelling ter plaatse mogelijk is gemaakt, planologisch vast te leggen. Onder deze omstandigheden sluit de afweging die de raad bij de vaststelling van het plan heeft moeten maken, nauw aan bij de afweging van het college van burgemeester en wethouders in het kader van de vrijstelling. [appellant sub 2] heeft bezwaar gemaakt en beroep ingesteld tegen de vrijstelling. Bij uitspraak van 30 december 2010 heeft de rechtbank Alkmaar het besluit op bezwaar van 30 september 2008 van het college van burgemeester en wethouders vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. De Afdeling heeft deze uitspraak bevestigd bij uitspraak van 24 augustus 2011 in zaak nr. 201101721/1/H1. Nu de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar van 30 september 2008 geheel in stand zijn gebleven, is de verandering van het gebruik die mogelijk is gemaakt door de verleende vrijstelling in rechte onaantastbaar geworden. Deze verandering moet daarom voor rechtmatig worden gehouden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval een andere afweging had moeten maken, nu het plan niet verschilt van wat de vrijstelling mogelijk maakt. Ook heeft [appellant sub 2] niet gesteld dat er ten tijde van de vaststelling van het plan een verandering van omstandigheden was ten opzichte van het besluit op bezwaar van 30 september 2008 die ertoe had moeten leiden dat de vrijstelling niet planologisch zou worden ingepast. Voor zover [appellant sub 2] aanvoert dat in strijd met de vrijstelling geen geluidscherm op het perceel is opgericht en zonder vergunning een schuur buiten het bouwvlak is opgericht, wordt overwogen dat het plan niet in de weg staat aan handhavend optreden daartegen. Dit betreft echter een kwestie van handhaving die in de bestemmingsplanprocedure niet aan de orde kan komen.

5.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2], voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 3] en anderen

6. [appellante sub 3] en anderen betogen dat ten onrechte niet de bestemming "Wonen" is toegekend aan het perceel op de hoek van [locatie 3] (hierna: het perceel) in Sint Maarten dat zij in eigendom hebben. Volgens hen zullen woningen op het perceel de karakteristieke lintbebouwing en de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving versterken. Voorts behoeven woningen op het perceel volgens [appellante sub 3] en anderen twee nabijgelegen bedrijven, waaronder een manege, niet in hun bedrijfsvoering te beperken, omdat aan de oost- en westzijde van het perceel de bestemming "Groen" of "Tuin" kan worden toegekend.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan conserverend van aard is en dat daarom binnen het plan geen grote nieuwe ontwikkelingen, zoals de ontwikkeling van nieuwe woningen, mogelijk worden gemaakt. Pas als [appellante sub 3] en anderen een uitgewerkt plan hebben ingediend, zal volgens de raad worden beoordeeld of de door [appellante sub 3] en anderen gewenste ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt.

6.2. Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch met waarden" zonder een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden onder meer bestemd voor de uitoefening van volwaardige agrarische bedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering.

6.3. De Afdeling overweegt dat in het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) een bestemmingsplan bij uitstek het ruimtelijke instrument is waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd en dit kaderstellend is voor de verdere besluitvorming. Met het oog op een snelle actualisatie van verouderde bestemmingsplannen kan het aanvaardbaar zijn het uitgangspunt te hanteren om slechts concrete plannen in het bestemmingsplan te verwerken. In dit geval hadden [appellante sub 3] en anderen geen concrete plannen voor het perceel, zodat de raad geen ruimtelijke afweging over de door [appellante sub 3] en anderen gewenste woningbouw kon maken. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de zienswijze van [appellante sub 3] en anderen niet de gewenste inrichting van het perceel is aangegeven door middel van bijvoorbeeld een schetsplan.

6.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 3] en anderen ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4] en anderen

7. [appellant sub 4] en anderen betogen dat op de digitale verbeelding ten onrechte de aanduidingen "maximum aantal windturbines = 5" en "maximum aantal windturbines = 3" niet zijn toegekend aan hun windturbines naast de N245.

7.1. [appellant sub 4] en anderen zijn eigenaar van gronden naast de provinciale weg N245 waarop windturbines staan. Aan de gronden is de bestemming "Agrarisch met waarden" met onder meer de aanduiding "windturbine" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder q, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden onder meer bestemd voor windturbines, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "windturbine".

Ingevolge lid 3.2, onder j en 5, mag in afwijking van het bepaalde onder 3 ter plaatse van de aanduiding "windturbine" ten hoogste één windturbine dan wel het aangegeven aantal ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal windturbines" met een maximale hoogte van 60 m worden gebouwd.

7.2. De Afdeling stelt vast dat op de digitale verbeelding aan het ene gedeelte van de gronden van Ponk en anderen de aanduiding "maximum aantal windturbines = 5" en aan het andere gedeelte van hun gronden de aanduiding "maximum aantal windturbines = 3" is toegekend. Het beroep van [appellant sub 4] en anderen mist derhalve feitelijke grondslag.

7.3. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 4] en anderen ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen

8. [appellant sub 1] en anderen kunnen zich niet verenigen met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur" die aan het perceel aan de Kanaalweg (hierna: het perceel) tegenover het perceel [locatie 4] is toegekend. Hiertoe voeren zij aan dat geen sprake is van een bestaand recht, omdat ter plaatse van de aanduiding sinds 2005 geen kas meer aanwezig is. Voorts wijzen zij erop dat in de nota van zienswijzen en de notitie "Notitie en addendum raadsvergadering ten behoeve van het vaststellen van het bestemmingsplan Landelijk gebied Harenkarspel" (hierna: de aanvullende notitie) van 11 december 2012 staat dat naar aanleiding van hun zienswijze de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur" wordt verwijderd. Verder wijzen [appellant sub 1] en anderen erop dat de eigenaar van het perceel, [eigenaar], te kennen heeft gegeven dat hij niet voornemens is om het perceel ten behoeve van agrarische doeleinden te gebruiken.

8.1. De raad heeft, bij amendement, de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur" aan het perceel toegekend omdat volgens hem sprake is van een bestaand recht.

8.2. Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch met waarden" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur" en zonder een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder n, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden onder meer bestemd voor zomermelkstallen, schuilhutten en opslagloodsen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur".

Ingevolge lid 3.2, onder a en 1, geldt voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, ten behoeve van de uitoefening van agrarische bedrijven onder meer dat bedrijfsgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak mogen worden gebouwd.

Ingevolge lid 3.2, onder i, geldt in afwijking van het bepaalde onder a voor het bouwen van zomermelkstallen, schuilhutten en opslagloodsen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur" dat de oppervlakte, goot- en bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan de bestaande oppervlakte en de goot- en bouwhoogte.

Op het perceel staat thans geen gebouw.

8.3. In de nota van zienswijzen staat dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Harenkarspel" op de plankaart een "veldschuur" was aangeduid. Dat betekent volgens de nota van zienswijzen dat op grond van de bijbehorende planregels zomermelkstallen, schuilhutten en opslagloodsen mochten worden gebouwd, met dien verstande dat de oppervlakte en de goot- en bouwhoogte niet meer mochten bedragen dan de bestaande oppervlakte, goot- en bouwhoogte. Na het tenietgaan, ten gevolge van een calamiteit, is het destijds bestaande bouwwerk niet geheel vernieuwd of veranderd en is binnen achttien maanden geen bouwaanvraag ingediend. Derhalve kan volgens de nota van zienswijzen worden gesteld dat het recht op de afwijkende situatie dan wel het recht op de veldschuur is komen te vervallen. Er bestaat geen eeuwigdurend recht op een bestemming, te meer nu volgens de nota van zienswijzen het feitelijk gebruik thans niet wijst op de noodzakelijkheid van een veldschuur. Er is na het tenietgaan geen vergunning aangevraagd om ter plaatse een nieuwe veldschuur te realiseren.

8.4. In de aanvullende notitie staat dat in de commissievergadering er voor is gepleit de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur" op het perceel te behouden. De aanvullende notitie wijst erop dat deze aanduiding niet tot gevolg heeft dat de kas kan worden teruggebouwd. In het voorheen geldende plan was volgens de aanvullende notitie sprake van een aanduiding "veldschuur", zonder bouwvlak. Dit betekende volgens de aanvullende notitie dat op die locatie alleen een agrarisch bestaand bouwwerk kon worden (terug) gebouwd. De veldschuur kon dus alleen worden teruggebouwd voor agrarische doeleinden. Bij de behandeling in de commissievergadering heeft [eigenaar] volgens de aanvullende notitie te kennen gegeven dat hij het perceel niet voor agrarisch doeleinden wil of kan gebruiken. De veldschuur mag echter alleen weer worden opgericht ten behoeve van deze "agrarische" aanduiding. Nu dit niet is beoogd en de veldschuur overigens niet meer aanwezig is, is het volgens de aanvullende notitie niet wenselijk de veldschuur weer op te nemen als aanduiding. De nota van zienswijzen zal volgens de aanvullende notitie op dit punt dan ook niet worden aangepast.

8.5. De Afdeling overweegt dat de raad de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur" aan het perceel heeft toegekend, omdat onder het voorheen geldende plan ter vervanging van de bestaande bebouwing zomermelkstallen, schuilhutten en opslagloodsen mochten worden gebouwd. Dit neemt echter niet weg dat in het kader van het vaststellen van een bestemmingsplan telkens weer alle betrokken belangen behoren te worden afgewogen, waarbij wordt bezien in hoeverre het plan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening strekt. De raad heeft deze afweging ten onrechte niet verricht. Dit klemt te meer, nu niet valt in te zien welk belang met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur" op het perceel is gediend. In de aanvullende notitie staat immers dat [eigenaar] te kennen heeft gegeven dat hij niet voornemens is het perceel voor agrarische doeleinden te gaan gebruiken.

8.6. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur" op het perceel, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van Golfbaan Dirkshorn

9. Golfbaan Dirkshorn betoogt dat het ten onrechte niet mogelijk is een nieuwe volwaardige loods op haar golfterrein op te richten. Volgens Golfbaan Dirkshorn is voor een nieuwe volwaardige loods een oppervlakte van ten minste 450 m2 benodigd. Deze oppervlakte komt volgens Golfbaan Dirkshorn overeen met de oppervlakte van de schuur die thans door haar wordt gebruikt als loods voor de opslag van materiaal. De oppervlakte van deze loods bedraagt volgens haar ongeveer 1.000 m2 waarvan de helft door haar wordt gebruikt. Op grond van de planregels is het echter alleen mogelijk een loods met een oppervlakte van maximaal ongeveer 110 m2 op te richten, omdat het clubhuis een oppervlakte heeft van ongeveer 1.100 m2. Volgens Golfbaan Dirkshorn heeft zij het gemeentebestuur in overleggen meerdere malen haar wens een nieuwe loods te realiseren en de beoogde locatie van deze loods te kennen gegeven. Subsidiair betoogt Golfbaan Dirkshorn dat het gebruik van de schuur als loods ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Volgens haar is dit gebruik legaal, omdat dit gebruik is toegestaan op grond van de vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO ten behoeve van het golfterrein.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan conserverend van aard is en dat daarom binnen het plan geen grote nieuwe ontwikkelingen, zoals de bouw van een loods van 450 m2, mogelijk worden gemaakt. Volgens de raad heeft Golfbaan Dirkshorn in overleggen weliswaar te kennen gegeven dat zij een nieuwe loods wil realiseren, maar heeft zij nooit een schetsplan met de beoogde locatie van de loods overgelegd. Voorts is volgens de raad het gebruik van de schuur door Golfbaan Dirkshorn als zodanig bestemd, omdat binnen de bestemming "Agrarisch met waarden" dagrecreatief medegebruik is toegestaan. Er is geen recreatieve bestemming toegekend aan de schuur, omdat volgens de raad de eigenaar van de schuur de agrarische bestemming wil behouden.

9.2. Aan het golfterrein van Golfbaan Dirkshorn is de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" met de aanduiding "golfbaan" toegekend. Aan de schuur die voor de helft door Golfbaan Dirkshorn als loods wordt gebruikt is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 28, van de planregels wordt onder dagrecreatief medegebruik verstaan een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, met uitzondering van verblijfsrecreatieve voorzieningen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder t, zijn de voor "Agrarisch met waarden" aangewezen gronden onder meer bestemd voor dagrecreatief medegebruik.

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder a en b, zijn de voor "Recreatie - Dagrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor onder meer dagrecreatieve voorzieningen en voor een golfbaan met bijbehorende aan de functie ondergeschikte horeca, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "golfbaan"

Ingevolge lid 9.2, onder a en 1 en 2, mogen gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd en mag de oppervlakte aan gebouwen niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte vermeerderd met 10%, met dien verstande dat de vermeerdering met 10% tevens buiten het bouwvlak mag worden gebouwd.

Ingevolge lid 9.3 kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2 (lees: 9.2), onder a, voor het bouwen van een bijgebouw al dan niet buiten het bouwvlak, met dien verstande dat: de gezamenlijke oppervlakte per bestemmingsvlak niet meer mag bedragen dan 50 m² en de goot- en bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 onderscheidenlijk 5 m.

9.3. Bij besluit van 20 februari 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Harenkarspel aan Golfbaan Dirkshorn vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO verleend voor de realisering van een golfbaan overeenkomstig de aanvraag om bouwvergunning.

9.4. In de notitie "Ruimtelijke onderbouwing Golfbaan Dirkshorn" (hierna: ruimtelijke onderbouwing) van 27 april 2006 van Grontmij Nederland, die tot de aanvraag behoort, staat dat de bestaande schuur als beheersgebouw ten behoeve van de opslag van materiaal en materieel bij de golfbaan wordt betrokken. De planologische functie van de schuur wijzigt volgens de ruimtelijke onderbouwing hiermee van een gebouw voor agrarische doeleinden in een gebouw ten behoeve van recreatieve doeleinden.

Uit de kaart die bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd volgt dat de schuur bij het gebied behoort waarop de vrijstelling betrekking heeft.

9.5. Wat betreft het verzoek van Golfbaan Dirkshorn voor een nieuwe loods overweegt de Afdeling dat in het stelsel van de Wro een bestemmingsplan bij uitstek het ruimtelijke instrument is waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd en dit kaderstellend is voor de verdere besluitvorming. Met het oog op een snelle actualisatie van verouderde bestemmingsplannen kan het aanvaardbaar zijn het uitgangspunt te hanteren om slechts concrete plannen in het bestemmingsplan te verwerken. In dit geval heeft Golfbaan Dirkshorn niet aannemelijk gemaakt dat zij concrete plannen had voor een nieuwe loods die de raad mee had moeten nemen in de besluitvorming. Weliswaar is niet in geschil dat Golfbaan Dirkshorn het gemeentebestuur verschillende malen te kennen heeft gegeven dat zij een nieuwe loods wil realiseren, maar daarmee is nog niet aannemelijk gemaakt dat zij concrete plannen had. Daarbij is van belang dat Golfbaan Dirkshorn in haar zienswijze niet heeft vermeld hoe groot de nieuwe loods diende te zijn. Voorts heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat zij voor de vaststelling van het plan een schetsplan van de gewenste loods aan het gemeentebestuur heeft overgelegd. Bij de zienswijze van Golfbaan Dirkshorn was geen schetsplan gevoegd.

9.6. Wat betreft de schuur overweegt de Afdeling dat het gebruik daarvan door Golfbaan Dirkshorn als loods bestaand legaal gebruik betreft, gelet op de vrijstelling. Bestaand legaal gebruik dient in beginsel als zodanig te worden bestemd. Anders dan de raad aanvoert, is het gebruik van de schuur door Golfbaan Dirkshorn als loods evenwel niet als zodanig bestemd. Dit gebruik betreft geen dagrecreatief medegebruik als bedoeld in artikel 1, lid 28, van de planregels, nu het gebruik van de helft van de schuur als loods niet als ondergeschikt kan worden aangemerkt. De raad heeft het plan derhalve in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Voor zover de raad aanvoert dat de eigenaar van de schuur de agrarische bestemming wil behouden, wordt overwogen dat om het gebruik van de schuur door Golfbaan Dirkshorn als loods als zodanig te bestemmen niet een recreatieve bestemming behoeft te worden toegekend. In de planregels kan bijvoorbeeld worden bepaald dat binnen de bestemming "Agrarisch met waarden" ter plaatse van een specifieke aanduiding ook gebruik voor recreatieve doeleinden is toegestaan.

9.7. In hetgeen Golfbaan Dirkshorn heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor het bij Golfbaan Dirkshorn in gebruik zijnde gedeelte van de schuur, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van Golfbaan Dirkshorn is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van Golfbaan Dirkshorn is voor het overige ongegrond.

Opdracht

10. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

11. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen en Golfbaan Dirkshorn op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling ziet wat betreft de reiskosten van [appellant sub 1] en anderen geen aanleiding om in plaats van een vergoeding voor het gebruik van openbaar vervoer een kilometervergoeding voor het gebruik van de auto toe te kennen. Dat er geen treinstation is in Warmenhuizen en er een kans bestond op het missen van een verbinding betekent niet dat het onvoldoende mogelijk was om van het openbaar vervoer gebruik te maken. Ook de omstandigheid dat reizen met de auto goedkoper was omdat verschillende personen op de zitting zijn verschenen leidt niet tot die conclusie. Voorts komen de verletkosten die [appellant sub 1] en anderen hebben gemaakt voor het opstellen van het beroepschrift en de kosten voor het verzenden van het beroepschrift niet op grond van artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking.

Ten aanzien van [appellant sub 2], [appellante sub 3] en anderen en [appellant sub 4] en anderen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor het perceel [locatie 1];

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen geheel en het beroep van de stichting Stichting Golfbaan Dirkshorn gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Harenkarspel, thans: Schagen, van 18 december 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied Harenkarspel", voor zover het betreft:

a. de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur" voor het perceel aan de Kanaalweg tegenover het perceel [locatie 4];

b. het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor het bij de stichting Stichting Golfbaan Dirkshorn in gebruik zijnde gedeelte van de schuur tussen de percelen Groenvelderweg 12 en 14;

IV. verklaart de beroepen van de stichting Stichting Golfbaan Dirkshorn en [appellant sub 2] voor het overige en de beroepen van [appellante sub 3] en anderen en [appellant sub 4] en anderen geheel ongegrond;

V. draagt de raad van de gemeente Schagen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III., a en b, worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Schagen tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van:

a. [appellant sub 1] en anderen tot een bedrag van € 180,96 (zegge: honderdtachtig euro en zesennegentig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

b. de stichting Stichting Golfbaan Dirkshorn tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Schagen aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

- € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de stichting Stichting Golfbaan Dirkshorn.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Van Driel Kluit

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

703.