Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2386

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201302172/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:393, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2012 heeft het college geweigerd de geldigheidsduur van een aan [appellante] ingevolge de Parkeerverordening 1992 van de gemeente Den Haag (hierna: de Parkeerverordening) van rechtswege verleende bezoekersvergunning te verlengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302172/1/A3.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Den Haag,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 januari 2013 in zaak nr. 12/8757 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2012 heeft het college geweigerd de geldigheidsduur van een aan [appellante] ingevolge de Parkeerverordening 1992 van de gemeente Den Haag (hierna: de Parkeerverordening) van rechtswege verleende bezoekersvergunning te verlengen.

Bij besluit van 27 juli 2012 heeft het college naar aanleiding van het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar het besluit van 13 april 2012 in zoverre herroepen, dat de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de van rechtswege aan [appellante] verleende bezoekersvergunning niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Bij uitspraak van 16 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 juli 2013 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.

Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2013, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. W.G.C. Wijsman en S. Pex, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Parkeerverordening kan het college op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbenden- en/of parkeerapparatuurplaatsen. Indien op de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a en c, niet binnen acht weken is beslist, wordt de vergunning geacht te zijn verleend.

Ingevolge het tweede lid, onder c, kan het college een vergunning verlenen aan degene die woont in een gebied waar het bij besluit van burgemeester en wethouders is toegestaan aan degenen die hem of haar bezoekt, onder gebruikmaking van de vergunning geldig in de straten binnen dat gebied, te parkeren op een parkeerapparatuur- en/of belanghebbendenplaatsen, te noemen bezoekersvergunning. Ingevolge het vierde lid kan het college in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan eigenaren of houders van voertuigen die niet voldoen aan één van de in het tweede lid genoemde voorwaarden (hierna: de hardheidsclausule).

Ingevolge artikel 6, aanhef en onder g, kan het college een vergunning in elk geval intrekken of wijzigen om redenen van openbaar belang.

2. Bij brief van 23 augustus 2011 heeft het college aan [appellante] bekend gemaakt dat haar van rechtswege een bezoekersvergunning met nummer [nummer A] is verleend, omdat niet tijdig op haar aanvraag is beslist. Deze vergunning was geldig van 5 september 2011 tot 29 februari 2012.

Bij besluit van 9 september 2011 heeft het college deze bezoekersvergunning met ingang van die datum ingetrokken om redenen van openbaar belang. In overeenstemming met het advies van de adviescommissie bezwaarschriften van 11 januari 2012 is het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar bij besluit van 30 januari 2012 gegrond verklaard en het besluit van 9 september 2011 ingetrokken. Daarbij is aan [appellante] meegedeeld dat de geldigheidsduur van de bezoekersvergunning niet stilzwijgend wordt verlengd en een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de bezoekersvergunning in beginsel wordt afgewezen.

Bij brief van 3 februari 2012 is aan [appellante] meegedeeld dat de bezoekersvergunning met nummer [nummer A] in het systeem is beëindigd en een nieuwe bezoekersvergunning met nummer [nummer B], alsmede een nieuwe gebruikerspas aan [appellante] zijn toegezonden, geldig tot 1 maart 2012. Bij besluit van 17 februari 2012 is de periode van gebruik van de nieuwe gebruikerspas verlengd tot 20 april 2012. Dit omdat [appellante] door een systeemfout de aan haar verstrekte bezoekersvergunning met nummer [nummer B] en de daaraan verbonden gebruikerspas vanaf de datum van ontvangst niet heeft kunnen gebruiken.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij tot 20 april 2012 over een bezoekersvergunning beschikte. Zij voert daartoe aan dat zij door de intrekking en beëindiging in het systeem geen gebruik heeft kunnen maken van de bezoekersvergunning met nummer [nummer A] en de daaraan verbonden gebruikerspas. Die bezoekersvergunning is volgens haar nog steeds van kracht en de geldigheidsduur daarvan moet worden verlengd, nu volgens het advies van de adviescommissie bezwaarschriften van 11 januari 2012 de intrekkingsgrond van artikel 6, aanhef en onder g, van de Parkeerverordening zich in dit geval niet voordoet.

3.1. Ingevolge artikel 6:16 van de Awb schorst het bezwaar niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. De Parkeerverordening noch het op de voet van die verordening gevoerde beleid bepaalt dat het maken van bezwaar in een geval als dit schorsende werking heeft. Voor zover [appellante] aanvoert dat zij door de intrekking van de bezoekersvergunning met nummer [nummer A] geen gebruik heeft kunnen maken van die bezoekersvergunning, had het op haar weg gelegen om met gebruikmaking van artikel 8:81 van de Awb een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van de rechtbank in te dienen, strekkende tot schorsing van het besluit van 9 september 2011 totdat op het daartegen door haar gemaakte bezwaar zou zijn beslist. Voorts is het besluit van 9 september 2011 ingetrokken en is de grond voor beëindiging van de bezoekersvergunning niet gelegen in artikel 6, aanhef en onder g, van de Parkeerverordening, maar in het verstrijken van de geldigheidsduur ervan. Gelet hierop treft hetgeen over de vermelde intrekkingsgrond is aangevoerd geen doel.

Voor zover [appellante] zich op het standpunt stelt dat bij besluit van 30 januari 2012 de geldigheidsduur van de aan haar verstrekte bezoekersvergunning ten onrechte is begrensd, had het op haar weg gelegen om tegen dat besluit beroep in te stellen bij de rechtbank. Nu zij dit niet heeft gedaan en zij voorts geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 17 februari 2012 staat in rechte vast dat de geldigheidsduur van de aan haar verstrekte bezoekersvergunning is verstreken op 20 april 2012. De Parkeerverordening noch het op de voet van die verordening gevoerde beleid brengt met zich dat de geldigheidsduur van een ingevolge artikel 3, eerste lid, tweede volzin, van de Parkeerverordening verstrekte bezoekersvergunning moet worden verlengd indien de intrekkingsgrond van artikel 6, aanhef en onder g, van die verordening zich niet voordoet. Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank haar beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Daartoe voert zij aan dat een deel van het appartementencomplex waar zij woont, ligt in een belanghebbendenparkeergebied en bewoners van dat deel van het complex in het bezit zijn gesteld van een bezoekersvergunning. Dat [appellante] destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen het aanwijzingsbesluit van dat gebied kan haar niet verweten worden, nu ten tijde van het aanwijzingsbesluit het appartementencomplex er nog niet stond. Eerst vanaf 1996 is het terrein aan de Utrechtsestraat, waarop het appartementencomplex is gebouwd, bouwrijp gemaakt. Volgens [appellante] had het college na de totstandkoming van het appartementencomplex het belanghebbendenparkeergebied moeten vergroten.

4.1. Uit het advies van de adviescommissie bezwaarschriften van 25 juli 2012 dat aan het besluit van 27 juli 2012 ten grondslag is gelegd volgt dat de grens van het belanghebbendenparkeergebied is gelegen langs de voorgevels van de woningen aan de Utrechtsestraat. Het appartementencomplex waar [appellante] woont is in zijn geheel gelegen buiten dit gebied. Voorts heeft [appellante] haar stelling dat bewoners van het appartementencomplex die hun adres hebben aan de Utrechtsestraat in het bezit zijn gesteld van een bezoekersvergunning niet met gegevens of bescheiden gestaafd. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht het beroep van [appellante] op het gelijkheidsbeginsel verworpen. De rechtbank heeft daarbij terecht overwogen dat het aanwijzingsbesluit in rechte onaantastbaar is en dan aan de vraag of dit besluit na de bouw van het appartementencomplex moet worden aangepast, niet wordt toegekomen.

Het betoog faalt.

5. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt. De rechtbank heeft overwogen dat het standpunt van het college dat [appellante] nooit in aanmerking kan komen voor een bezoekersvergunning omdat zij niet in een belanghebbendenparkeergebied woont, gelet op de hardheidsclausule onjuist is. Dit brengt volgens de rechtbank met zich dat het college het besluit van 13 april 2012 ten onrechte heeft herroepen en de aanvraag tot verlenging ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij heeft het beroep van [appellante] gegrond verklaard, het besluit van 27 juli 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Daaraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat [appellante] geen aanspraak maakt op verlenging van de geldigheidsduur van de haar van rechtswege verleende bezoekersvergunning, nu haar adres niet ligt in een belanghebbendenparkeergebied en geen grond bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule. De rechtbank heeft hierbij echter niet onderkend dat in het geval een aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard, geen aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

6. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 27 juli 2012 in stand blijven, dient te worden vernietigd en voor het overige te worden bevestigd. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien.

7. Gelet op hetgeen onder 3.1 en 4.1 is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de van rechtswege aan [appellante] verleende bezoekersvergunning ten onrechte heeft afgewezen. Dat brengt met zich dat de Afdeling het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar alsnog ongegrond zal verklaren. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de rechtbank vernietigde besluit.

8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 januari 2013 in zaak nr. 12/8757, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 27 juli 2012 met kenmerk B.4.12.0644.001 in stand blijven;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. verklaart het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 13 april 2012 ongegrond;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding aan [appellante] van bij haar in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 10,28 (zegge: tien euro en achtentwintig cent);

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

382-797.