Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2379

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201301625/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:434, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 augustus 2011 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de verkoopstand op het perceel [locatie] te Herwen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/631
Milieurecht Totaal 2014/2614

Uitspraak

201301625/1/A1.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 januari 2013 in zaak nr. 12/793 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijnwaarden.

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2011 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de verkoopstand op het perceel [locatie] te Herwen.

Bij besluit van 10 januari 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 augustus 2013, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M. Hartjes-Schäperclaus, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Bestemmingsplan

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge het bestemmingsplan "Herwen 1992" rust op het perceel de bestemming "Woongebied".

Ingevolge artikel 8.1.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is de op de kaart voor "Woongebied" aangewezen grond bestemd voor bewoning en ondergeschikt daaraan voor de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf, met uitzondering van detailhandel, met daartoe dienende woningen en daarbij behorende aangebouwde en/of vrijstaande bijgebouwen, erven, andere bouwwerken en andere werken.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, is het verboden opstallen - of delen daarvan - en gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

2. De rechtbank heeft overwogen dat het gebruik van het perceel door [belanghebbende] niet in strijd is met de geldende woonbestemming, omdat de verkoopactiviteiten een hobbymatig karakter hebben, gelet op de omstandigheid dat het om de verkoop van groente en fruit uit de ter plaatse aanwezige moestuin van ongeveer 650 m² gaat, de verkoopactiviteiten op kleine schaal plaatsvinden en het aantal kopers beperkt is, en de ruimtelijke uitstraling, mede gelet op de foto’s, niet van dien aard is dat deze niet meer met de woonfunctie valt te rijmen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gebruik van het perceel door [belanghebbende] voor de verkoop van groente en fruit niet in strijd is met de woonbestemming die op het perceel rust.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 april 2011 in zaak nr. 201008248/1/H1) dient de vraag of het gebruik van een perceel strijdig is met de geldende woonbestemming, te worden beantwoord aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en intensiteit heeft. Bepalend is of deze uitstraling van dien aard is dat deze niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het perceel als bedoeld in het bestemmingsplan. Binnen dit kader kan het van belang zijn, maar is niet doorslaggevend, of de activiteiten een beroepsmatig of een hobbymatig karakter hebben.

3.2. Vast staat dat [belanghebbende] in een verkoopstand op het perceel groente en fruit te koop aanbiedt dat afkomstig is van de aan het perceel grenzende moestuin. De verkoopstand bestaat uit twee tafels met een totale oppervlakte van 3 m², gesitueerd onder een carport, met twee krijtborden waarop wordt aangegeven wat er tegen welke prijs wordt verkocht.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de verkoopstand een potje aanwezig is waarin het geld voor het gekochte groente en fruit kan worden gedeponeerd, hetgeen door [appellant] niet is betwist, en dat de verkoop op die wijze plaatsvindt. [appellant] heeft ter betwisting van dit laatste volstaan met de niet toegelichte stelling dat [belanghebbende] de groente en het fruit persoonlijk verkoopt aan zijn klanten. [appellant] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat, zoals hij betoogt, de groente en/of het fruit dat door [belanghebbende] wordt verkocht door hem is ingekocht bij derden. De enkele stelling van [appellant] dat dit, gelet op de hoeveelheden en kwaliteit van de aardappelen die gedurende het hele jaar worden aangeboden wel het geval moet zijn, is daarvoor onvoldoende. Het college heeft verder in aanmerking genomen dat [belanghebbende] heeft verklaard dat de verkoop gedurende meer dan zes, maar minder dan 12 maanden per jaar plaatsvindt, dat het aantal klanten sterk wisselt en hij het gemiddelde aantal klanten per dag schat op nog geen twee. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dagelijks gedurende het gehele jaar sprake is van de door hem gestelde 10 klanten per dag met de daarbij behorende parkeer- en geluidsoverlast. Dit blijkt niet uit de door hem overgelegde foto’s en is evenmin met andere stukken onderbouwd. Voor zover het college het aantal van 10 klanten per dag bij zijn besluitvorming heeft betrokken betreft het een zogenaamd "worst case scenario" dat zich volgens het college, uitgaande van wat [belanghebbende] daarover heeft verklaard, mogelijk op sommige zomerdagen zou kunnen voordoen.

Gelet op het aantal klanten, de omvang van de verkoopstand, de wijze waarop de producten te koop worden aangeboden en de wijze waarop hetgeen wordt verkocht wordt afgerekend, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de ruimtelijke uitstraling van de verkoop op het perceel niet zodanig is, dat deze niet meer valt te rijmen met de woonfunctie daarvan.

Het betoog faalt.

Inrichting

4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 3, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het in werking hebben van een inrichting.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting verstaan: inrichting, behorende tot een categorie die is aangewezen krachtens het derde lid.

Ingevolge het derde lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur categorieën inrichting aangewezen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, waarvan het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben moet worden onderworpen aan een voorafgaande toetsing, gezien de aard en de omvang van de nadelige gevolgen die de inrichtingen voor het milieu kunnen veroorzaken.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

5. De rechtbank heeft onder verwijzing naar hetgeen zij over het bestemmingsplan heeft overwogen, geoordeeld dat met de verkoop van groente en fruit uit de moestuin van het perceel geen sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste en derde lid, van de Wabo in verbinding gelezen met artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, nu niet is gebleken van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie of van een bedrijvigheid in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik moet worden aangemerkt als een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste en derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zodat daarvoor een omgevingsvergunning is vereist.

6.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een inrichting, nu er geen winstoogmerk is, de hinder minimaal te noemen is, er geen reclame wordt gemaakt, niet wordt geadverteerd of op enige wijze actief wordt geprobeerd groente en fruit in de markt te zetten, en de omvang van standplaats minimaal is, namelijk 3 m².

Zoals hiervoor is overwogen onder 3.2 hebben de activiteiten op het perceel een kleinschalige omvang met een ruimtelijke uitstraling die te rijmen valt met de woonbestemming. Er is voorts niet gebleken van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie of van bedrijfsmatige commerciële activiteiten. Aannemelijk is dat de kosten die verband houden met het verbouwen van groente en fruit in de moestuin zodanig zijn dat geen dan wel geringe inkomsten worden verworven met de behaalde omzet uit de in 3.2 beschreven verkoop van groente en fruit, waarbij mede in aanmerking wordt genomen dat [belanghebbende] slechts een deel van de door hem verbouwde groente en fruit verkoopt. Het andere deel is voor eigen gebruik of wordt weggegeven, hetgeen door [appellant] niet gemotiveerd is betwist. Voorts wordt in aanmerking genomen dat het telen van de groente en het fruit in de moestuin op niet-professionele wijze plaatsvindt, nu daarbij, zoals het college ter zitting heeft toegelicht en door [appellant] niet is bestreden, onder meer geen gebruik wordt gemaakt van machines. De stelling van [appellant] dat [belanghebbende] verplicht zou zijn een boekhouding bij te houden is, wat daar verder van zij, onvoldoende voor het oordeel dat sprake zou zijn van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie of van bedrijfsmatige commerciële activiteiten.

De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, terecht overwogen dat geen sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, nu geen sprake is van bedrijfsmatige, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig waren, activiteiten.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Kos

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

580.