Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2374

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201301018/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:27457, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft het college geweigerd [wederpartij] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) te verlenen voor het gebruik als bedrijfswoning van een bedrijfsgebouw op het perceel aan de [locatie] te Hardinxveld-Giessendam.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Algemene wet bestuursrecht 8:40a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2014/16 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
JIN 2014/52 met annotatie van G. Overkleeft-Verburg
JOM 2014/353
BA 2014/5
NJB 2014/109
ABkort 2014/6
AB 2014/293

Uitspraak

201301018/1/A4.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 december 2012 in zaak nr. 12/7909 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Hardinxveld-Giessendam,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft het college geweigerd [wederpartij] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) te verlenen voor het gebruik als bedrijfswoning van een bedrijfsgebouw op het perceel aan de [locatie] te Hardinxveld-Giessendam.

Bij uitspraak van 19 december 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [wederpartij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. I.T.F. Vermeulen, werkzaam bij de provincie, M. van Tilburg en P. Groeneveld, beiden werkzaam bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, en [wederpartij], bijgestaan door

mr. J. Wildschut, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [wederpartij] betoogt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is, omdat het hogerberoepschrift niet is ondertekend. Hij stelt dat een digitale handtekening niet de wettelijke voorgeschreven ondertekening van een beroepschrift of hogerberoepschrift kan vervangen. Het interne gevolgde proces bij de provincie biedt onvoldoende garanties dat het hogerberoepschrift daadwerkelijk van de provinciesecretaris afkomstig is, aldus [wederpartij].

1.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt een beroepschrift ondertekend. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 kan het beroep ingevolge artikel 6:6 niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 6:24 zijn de artikelen 6:5 en 6:6 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep kan worden ingesteld.

1.2. Het hoger beroep is beweerdelijk door de secretaris van de provincie J.A.M. Hilgersom namens het college ingesteld. Het hogerberoepschrift noch de aanvullende brief met de motivering van het hoger beroep is van een handtekening voorzien. In plaats daarvan is aan de voet van beide stukken vermeld: "Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, voor dezen, mw. drs. J.A. Hilgersom, secretaris. Deze brief is digitaal vastgesteld, hierdoor staat er geen fysieke handtekening in de brief."

1.3. Bij brief van 11 maart 2013 heeft de Afdeling het college erop gewezen dat het hogerberoepschrift niet is ondertekend en tot en met 8 april 2013 de gelegenheid geboden dit verzuim te herstellen. Daarbij heeft de Afdeling vermeld dat, indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn wordt hersteld, het college er rekening mee moet houden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

1.4. Bij brief van 8 april 2013 is een reactie op de brief van de Afdeling ingediend. In de reactie is vermeld dat het college in mei 2007 formeel heeft besloten op het gebruik van digitale besluitvorming en van een digitale ondertekening over te gaan. In de reactie is voorts de interne werkwijze uiteengezet die hierbij wordt gevolgd en is geconcludeerd dat het hogerberoepschrift gelet op deze kaders ondanks het ontbreken van een fysieke handtekening geacht moet worden rechtsgeldig te zijn ondertekend. In de reactie is daartoe toegelicht dat het door het college gehanteerde systeem inhoudt dat de mandaathouder het besluit ondertekent door zijn eigen unieke autorisatiecode aan het digitale besluitdossier te koppelen, waarmee hij tegelijkertijd de voettekst van het besluit van één unieke besluitcode voorziet. In de reactie is gesteld, met verwijzing naar bijgevoegde audittrails, dat met toepassing van dit systeem mevrouw Smit-Marsman als plaatsvervangend secretaris bevoegdelijk het hogerberoepschrift heeft vastgesteld en mevrouw Hilgersom als provinciesecretaris bevoegdelijk de brief met de motivering van het hoger beroep heeft vastgesteld.

De reactie is net als het hogerberoepschrift en de brief met de motivering van het hoger beroep niet ondertekend, maar bevat in plaats daarvan aan de voet de mededeling: "Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, voor dezen, mw. drs. J.A. Hilgersom, secretaris. Deze brief is digitaal vastgesteld, hierdoor staat er geen fysieke handtekening in de brief."

1.5. Het provinciaal beleid, waarnaar in de reactie van 8 april 2013 wordt verwezen, is neergelegd in een besluit van 15 mei 2007 en bekendgemaakt in het Provinciaal blad 52 van 2007. Het houdt in dat vanaf 1 juni 2007 brieven aan derden van ondertekening door middel van naam-functie-aanduiding worden voorzien, tenzij - in uitzonderingsgevallen - specifieke regelgeving fysieke ondertekening vereist.

Het in artikel 6:5, aanhef, van de Awb, neergelegde vereiste dat het beroepschrift is ondertekend, ziet op een fysieke handtekening. Dit vereiste is gesteld opdat duidelijk is wie het beroep heeft ingesteld en of dit de daartoe bevoegde persoon of functionaris is. Dit geldt ingevolge artikel 6:24 ook voor het hogerberoepschrift.

Het hogerberoepschrift is niet van de handtekening van de provinciesecretaris of van de plaatsvervangend provinciesecretaris voorzien. Er is voorts geen gebruik gemaakt van de door de Afdeling geboden gelegenheid dit verzuim te herstellen. Het beroep dat ter zitting op artikel 8:40a in samenhang met afdeling 2.3 van de Awb over elektronisch verkeer is gedaan, faalt reeds omdat het hogerberoepschrift niet via de elektronische weg maar schriftelijk is ingediend. Het hogerberoepschrift voldoet dan ook niet aan de wettelijke vereisten voor de indiening daarvan.

De Afdeling komt dan ook niet toe aan beoordeling van de interne werkwijze bij digitale besluitvorming en digitale ondertekening. Wel wordt er op gewezen dat de mededeling in de reactie van 8 april 2013, dat mevrouw Smit-Marsman als plaatsvervangend provinciesecretaris met haar eigen unieke autorisatiecode het hogerberoepschrift heeft vastgesteld, in tegenspraak is met de vermelding "mw. drs. J.A.M. Hilgersom, secretaris" aan de voet van het hogerberoepschrift, alsmede dat ter zitting desgevraagd niet kon worden verzekerd dat de provinciesecretaris onderscheidenlijk de plaatsvervangend provinciesecretaris de eigen unieke autorisatiecode daadwerkelijk zelf heeft aangebracht.

2. Nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat het college in verzuim is geweest, wordt het hoger beroep gelet op het vorenoverwogene met toepassing van artikel 6:24 in samenhang met artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard.

3. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland een griffierecht van € 478,00 (zegge: vierhonderdachtenzeventig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

163-742.