Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2372

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201300832/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:7333, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2011 heeft het college de aanvraag van [appellant] om bouwvergunning voor het oprichten van een tweede agrarische bedrijfswoning op het adres [locatie] te Milheeze (hierna: het perceel) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201300832/1/A1.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Milheeze, gemeente Gemert-Bakel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 6 december 2012 in zaak nr. 11/3972 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Gemert-Bakel.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2011 heeft het college de aanvraag van [appellant] om bouwvergunning voor het oprichten van een tweede agrarische bedrijfswoning op het adres [locatie] te Milheeze (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 8 februari 2011 met inachtneming van het advies van de commissie van bezwaar en beroepen en met aanpassing van de weigeringsgronden in stand gelaten.

Bij uitspraak van 6 december 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 oktober 2011 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2013, waar [appellant], vergezeld van zijn vader en bijgestaan door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Helmond, en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Fermont, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan betreft de oprichting van een tweede agrarische bedrijfswoning ten behoeve van een intensieve veehouderij in een zogenoemd extensiveringsgebied. De bedrijfswoning is voorzien binnen het bestaande bouwblok.

2. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c en f, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, mag en moet de reguliere bouwvergunning slechts worden geweigerd indien:

het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens een zodanig plan zijn gesteld, of het bouwen in strijd is met de regels, gesteld bij of krachtens een verordening als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) of bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.3, derde lid, van die wet.

3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied 2010" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch-Agrarisch bedrijf".

Ingevolge artikel 5.2, eerste alinea, aanhef en onder 1 en 2, van de planregels mag op de als zodanig aangewezen gronden één bedrijfswoning met aan- en bijgebouwen en agrarische bedrijfsbebouwing worden gebouwd.

Ingevolge artikel 30.5 kan het college ontheffing verlenen voor de bouw van een tweede agrarische bedrijfswoning mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

1. het desbetreffende agrarische bedrijf heeft een arbeidsbehoefte van tenminste twee volwaardige arbeidskrachten;

2. er is sprake van bedrijfstechnische omstandigheden en/of bedrijfseconomische omstandigheden op grond waarvan het noodzakelijk is dat er twee in het bedrijf werkzame personen ook ter plaatse wonen en er dus twee bedrijfswoningen nodig zijn. Dit moet worden aangetoond met een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;

3. Een inrichtingsplan wijst uit dat de situering van de tweede bedrijfswoning past binnen de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan en daarmee ruimtelijk aanvaardbaar is.

4. Het college heeft aan de weigering om bouwvergunning te verlenen ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met artikel 44, eerste lid, onder c en onder f, van de Woningwet. Het heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat weliswaar voldaan wordt aan de in artikel 30.5 van de planregels opgenomen voorwaarden om ontheffing te verlenen, maar dat gebruikmaking van de bevoegdheid krachtens 3.6 van de Wro in strijd is met de rechtstreeks werkende regel van artikel 9.2, vierde lid, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening ruimte 2011).

De rechtbank heeft overwogen dat de bouw van een tweede agrarisch bedrijfswoning niet beschouwd kan worden als bebouwing ten behoeve van intensieve veehouderij als bedoeld in artikel 9.2, vierde lid, van de Verordening ruimte 2011. Gebruikmaking van de binnenplanse ontheffingsmogelijkheid ter inwilliging van de onderhavige, voor 1 oktober 2010 ingediende, bouwaanvraag acht de rechtbank niet in strijd met artikel 9.2, derde lid, van de Verordening ruimte 2011. Gelet hierop heeft de rechtbank overwogen dat het college ten onrechte aanleiding heeft gezien de gevraagde bouwvergunning te weigeren met toepassing van artikel 9.2, vierde lid, van de Verordening ruimte 2011, gelezen in verbinding met artikel 44, eerste lid, onder f, van de Woningwet. De rechtbank heeft vervolgens geen aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Daarbij heeft zij in aanmerking genomen dat het verlenen van ontheffing krachtens artikel 30.5 van de planregels weliswaar in strijd is met artikel 11.1, tweede lid, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2012 (hierna: de Verordening ruimte 2012), maar dat de Verordening ruimte 2012 in artikel 13.4 een algemene ontheffingsbevoegdheid bevat op grond waarvan het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ontheffing van de regels van de Verordening ruimte 2012 kan verlenen.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank bij de beoordeling of de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten, ten onrechte de op 1 juni 2012 in werking getreden Verordening ruimte 2012 heeft toegepast. Hiertoe voert hij aan dat het in artikel 11.1, tweede lid, van de Verordening ruimte 2012 opgenomen bouwverbod niet bestond ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag en dat de rechtbank in dit geval bij haar beoordeling dient uit te gaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het indienen van de bouwaanvraag. [appellant] wijst in dit kader op de ten gevolge van overleg met de gemeente lange looptijd van de voorbereiding van de bouwaanvraag en de omstandigheid dat het college ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag aan het bouwplan kon meewerken, nu sprake was van bestaande rechten.

5.1. De aanvraag om bouwvergunning is in strijd met het bestemmingsplan zoals dat gold ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag, zodat destijds niet zonder meer aanspraak bestond op realisering van het bouwplan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 mei 2013 in zaak nr. 201206597/1/A1), bestaat in dat geval geen reden voor een uitzondering op het uitgangspunt dat bij het nemen van een beslissing op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Nu bovendien artikel 11.1, tweede lid, van de Verordening ruimte 2012 een regel is die is vastgesteld krachtens artikel 4.1, eerste lid, van de Wro, en niet krachtens artikel 4.1, derde lid, werpt de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2011 in zaak nr. 201103317/1/H4 hierop geen ander licht. Dit betekent dat de rechtbank bij de beoordeling of de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten en een nieuw besluit van het college niet nodig is, terecht is uitgegaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het doen van de uitspraak en derhalve terecht de Verordening ruimte 2012 in haar beoordeling heeft betrokken. Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bij het beslissen omtrent het verlenen van de ontheffing krachtens artikel 30.5 van de planregels enige beleidsvrijheid heeft en het hem vrij staat provinciaal beleid hierbij te betrekken. Hiertoe voert hij aan dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bouwplan als een gegeven moet worden beschouwd als aan de ontheffingsvoorwaarden is voldaan en geen ruimte bestaat om later ontwikkeld provinciaal beleid in de overwegingen te betrekken.

6.1. Ingevolge artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening ruimte 2012, voor zover thans van belang, stelt een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied regels ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, kan een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid voorzien in de nieuwbouw van ten hoogste één bedrijfswoning ten behoeve van een op grond van deze verordening toegelaten bedrijf binnen het bij dat bedrijf behorende bouwblok of bestemmingsvlak mits de toelichting een verantwoording bevat.

6.2. Zoals in 5.1. reeds is overwogen, bevat artikel 11.1, tweede lid, van de Verordening ruimte 2012 geen rechtstreeks werkende bepaling als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, van de Wro. Het artikellid richt zich tot het gemeentebestuur, dat het daarin bepaalde in acht dient te nemen bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een projectbesluit. Bij de beslissing omtrent het verlenen van de ontheffing krachtens 30.5 van de planregels bindt het artikel het college echter niet. Anders dan waarvan de rechtbank lijkt uit te gaan, hoeft het college dan ook geen ontheffing als bedoeld in artikel 13.4, eerste lid, van de Verordening ruimte 2012 van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant te vragen om gebruik te kunnen maken van de in artikel 30.5 van de planregels opgenomen ontheffingsbevoegdheid.

6.3. Vorenstaande houdt echter niet in dat artikel 11.1, tweede lid, van de Verordening ruimte 2012 zonder betekenis is bij de toepassing van artikel 30.5 van de planregels. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bij zijn beslissingen omtrent het verlenen van ontheffing krachtens artikel 30.5 van de planregels enige beleidsvrijheid heeft en dat het bij deze beslissingen tevens het provinciaal beleid kan betrekken. Weliswaar is niet in geschil dat is voldaan aan de in artikel 30.5 van de planregels opgenomen voorwaarden en is daarmee tevens gegeven dat de tweede agrarische bedrijfswoning vanuit gemeentelijk oogpunt ruimtelijk aanvaardbaar is, maar dat laat onverlet de ruimte voor het college het provinciaal ruimtelijke belang om de bouw van een tweede agrarische bedrijfswoning in het buitengebied te voorkomen, mee te wegen in zijn beoordeling of het gebruik wenst te maken van de bevoegdheid om ontheffing te verlenen. In het nieuw te nemen besluit zal het college de hieraan ten grondslag liggende afweging van de verschillende mee te wegen belangen inzichtelijk moeten maken.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 11.1, tweede lid, van de Verordening ruimte 2012 uitsluitend betrekking heeft op niet-agrarische ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied en derhalve niet ziet op agrarische bedrijfswoningen.

7.1. Dit betoogt faalt evenzeer. Uit de tekst van artikel 11.1, tweede lid, van de Verordening ruimte 2012 volgt dat het ook van toepassing is op een agrarische bedrijfswoning. In de tekst wordt weliswaar gesproken over "bedrijfswoning", maar de mogelijkheid van het oprichten van een zodanige woning is afhankelijk gesteld van het bedrijf dat op grond van de Verordening ruimte 2012 is toegestaan, in dit geval een agrarisch bedrijf. De toelichting bij artikel 11.1, tweede lid, van de Verordening ruimte 2012, waarin is vermeld dat een tweede agrarische bedrijfswoning is uitgesloten, biedt eveneens steun aan het oordeel dat het ook ziet op agrarische bedrijfswoningen.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop het rust, te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Deen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

604.