Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:2371

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-12-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
201300999/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2012, kenmerk 2012/54826, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Heerlen bij besluit van 28 september 2004 vastgestelde bestemmingsplan "Truckstop Heerlerbaan".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201300999/1/R1.

Datum uitspraak: 11 december 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Heerlen,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college),

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2012, kenmerk 2012/54826, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Heerlen bij besluit van 28 september 2004 vastgestelde bestemmingsplan "Truckstop Heerlerbaan".

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2013, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door drs. C.J.H. Maes, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad van Heerlen, vertegenwoordigd door mr. R.J.H. Franssen, advocaat te 's-Gravenhage, als partij gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en het college om een nader stuk gevraagd. Het college heeft aan dit verzoek voldaan. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] daarop een reactie ingediend.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. De Afdeling heeft na ontvangst van de laatste toestemming op 14 oktober 2013 het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) ingetrokken en zijn de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: Invoeringswet Wro) in werking getreden.

Ingevolge artikel 9.1.4, tweede lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een bestemmingsplan, waarvan het ontwerp vóór dat tijdstip ter inzage is gelegd. Nu het ontwerp van het bestemmingsplan vóór 1 juli 2008 ter inzage is gelegd blijft op de vaststelling van het bestemmingsplan de WRO, zoals die gold vóór 1 juli 2008, van toepassing.

2. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging overgaan, indien moet worden geconstateerd dat het college de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

3. Het bestemmingsplan voorziet in een juridisch planologische regeling voor een motorbrandstoffenverkooppunt met een LPG-vulpunt, detailhandel, een horecavoorziening en autowasstraat aan weerszijden van de Heerlerbaan ter hoogte van de Peter Schunckstraat en de Oud Valkenhuizerstraat in Heerlen.

4. [appellant] betoogt dat het college in strijd met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (hierna: de Revi) goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan. Hiertoe voert [appellant] aan dat binnen het plangebied wordt voorzien in beperkt kwetsbare objecten die niet behoren tot de inrichting van het LPG-tankstation en binnen 150 m van de inrichting zijn gelegen. In dit verband betoogt hij dat de wasstraat die is voorzien op een afstand van ongeveer 15 m van het vulpunt niet behoort tot de inrichting van het LPG-tankstation. Voorts voert hij aan dat op zijn gronden, gelegen buiten het plangebied, gebouwen zijn gelegen binnen 150 m van de inrichting. Daarnaast is de gehanteerde berekeningsmethodiek voor de verantwoording van het groepsrisico volgens [appellant] ondeugdelijk.

4.1. Het college stelt dat in de milieuvergunning de doorzet van het LPG-tankstation is gemaximeerd tot minder dan 1.000 m³ per jaar. Door het vastleggen van de doorzet tot minder dan 1.000 m³ per jaar is de plaatsgebonden risicocontour 45 m vanaf het vulpunt. Binnen deze afstand zijn volgens het college geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig die niet tot de inrichting behoren. In de overwegingen van de milieuvergunning is eveneens aangegeven dat bij de gemaximeerde doorzet geen knelpunt bestaat ten aanzien van het groepsrisico. Het Bevi en de Revi vormen volgens het college dan ook geen reden meer om geen goedkeuring te verlenen aan het bestemmingsplan.

5. Aan de gronden gelegen ten westen van de Heerlerbaan zijn gedeeltelijk de bestemming "Verblijfs-/parkeerdoeleinden Vb(p)" en gedeeltelijk de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B" toegekend. Aan de gronden met de bestemming "Verblijfs-/parkeerdoeleinden Vb(p)" gelegen ten westen van de Heerlerbaan zijn de aanduiding "LPG-milieucirkel" en de aanduiding "LPG-vulpunt waarnaar in artikel 4, lid 6, van de planvoorschriften wordt verwezen" (hierna: de aanduiding "LPG-vulpunt") toegekend.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als "Bedrijfsdoeleinden B" aangegeven gronden, met inachtneming van hetgeen hieromtrent is bepaald in artikel 4 van deze voorschriften, ter plaatse van het bestemmingsvlak op de plankaart aangeduid als:

[…]

"2": bestemd voor de uitoefening van een carwash met aanverwante en ondersteunende voorzieningen en een motorbrandstoffenverkooppunt met een LPG-vulpunt […];

"3": bestemd voor de uitoefening van […] een brandstofverkooppunt.

Ingevolge het tweede lid zijn op de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B" gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, verhardingen, groenvoorzieningen en bijbehorende voorzieningen toegestaan.

Ingevolge het zesde lid is de bouw van een LPG-vulpunt uitsluitend toegestaan ter plaatse van deze nadere aanwijzing met dien verstande dat de afstand van het LPG-vulpunt tot (beperkt) kwetsbare bestemmingen volgens de "integrale nota LPG" ten minste 80 meter dient te bedragen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, zijn de op de plankaart als "Parkeervoorzieningen Vb(p)" aangegeven gronden bestemd voor parkeren.

5.1. Op 12 december 2000 is ten behoeve van [servicestation] een revisievergunning verleend op grond van de Wet milieubeheer voor een inrichting met een motorbrandstofverkooppunt met shopverkoop, wasplaatsen en een truckstop, op het perceel Oud Valkenhuizerstraat 2, kadastraal bekend gemeente Heerlen, secties K en F, nummers 3381, 3235 en 5317. Bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van 12 januari 2011 is deze revisievergunning ambtshalve aangepast, met dien verstande dat de doorzet van het LPG-tankstation is gemaximeerd tot 1.000 m³. Daarbij zijn voorts de rijksdriehoekscoördinaten van het LPG-vulpunt vastgelegd zoals deze luiden na de verplaatsing daarvan in 2005 ten opzichte van de situering zoals opgenomen in de revisievergunning van 12 december 2000.

5.2. Voor zover het beroep van [appellant] is gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heerlen van 12 januari 2011 tot ambtshalve aanpassing van de op 12 december 2000 verleende revisievergunning, overweegt de Afdeling dat deze bezwaren in deze procedure niet aan de orde kunnen komen, omdat hierin niet dat besluit, maar het besluit van het college tot goedkeuring van het bestemmingsplan ter beoordeling voorligt.

5.3. De raad heeft met het bestemmingsplan onder meer beoogd op de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B" gelegen ten westen van de Heerlerbaan te voorzien in een LPG-tankstation en een LPG-vulpunt. Uit de plankaart blijkt dat de aanduiding "LPG-vulpunt" niet is toegekend aan gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B", maar aan gronden met de bestemming "Verblijfs-/parkeerdoeleinden Vb(p)". Nu de bestemming "Verblijfs-/parkeerdoeleinden Vb(p)" niet voorziet in het gebruik van gronden als LPG-vulpunt en op gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden B" een LPG-vulpunt uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "LPG-vulpunt", is op de gronden gelegen ten westen van de Heerlerbaan geen LPG-vulpunt toegestaan. De raad heeft in zoverre niet bereikt wat hij heeft beoogd. Gelet hierop is het bestemmingsplan vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het college heeft dit ten onrechte niet onderkend. Overigens is ter zitting twijfel gerezen of het vulpunt op de plankaart op de juiste locatie is aangegeven. Derhalve is onduidelijk of de plankaart in zoverre in overeenstemming is met de feitelijke situatie en met de bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van 12 januari 2011 ambtshalve aangepaste revisievergunning.

5.4. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het besluit van de raad van de gemeente Heerlen van 28 september 2004 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Truckstop Heerlerbaan" is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door dit besluit niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

5.5. De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande aanleiding zelf voorziend goedkeuring te onthouden aan het besluit van de raad van de gemeente Heerlen van 28 september 2004 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Truckstop Heerlerbaan".

5.6. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd geen bespreking meer.

5.7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. In dit verband wordt overwogen dat [appellant] op het door hem ingevulde proceskostenformulier van de Afdeling heeft vermeld verletkosten te hebben gemaakt voor het bijwonen van de zitting. [appellant] heeft de hoogte van de gemaakte verletkosten, hoewel daarom in het proceskostenformulier van de Afdeling is verzocht, niet met stukken onderbouwd. Gelet daarop zijn de te vergoeden verletkosten vastgesteld op basis van het forfaitair vastgestelde aantal van zes uur en het forfaitair vastgestelde uurtarief van € 7,-.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 20 november 2012, waarbij goedkeuring is verleend aan het besluit van de raad van de gemeente Heerlen van 28 september 2004 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Truckstop Heerlerbaan";

III. onthoudt goedkeuring aan het besluit van de raad van de gemeente Heerlen van 28 september 2004 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Truckstop Heerlerbaan";

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 20 november 2012, waarbij is besloten omtrent de goedkeuring van het besluit van de raad van de gemeente Heerlen van 28 september 2004 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Truckstop Heerlerbaan";

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 90,20 (zegge: negentig euro en twintig cent);

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Zwemstra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2013

91-749.